Hoe meer mensen we lijken te kennen, hoe eenzamer we worden

Wat is een vriend nog?

Van Achilles en Patrokles, Schiller en Goethe tot de Bloomsbury Group: ooit was vriendschap iets wat je, als je geluk had, ‘eens in de drie eeuwen’ tegenkwam, een hogere roeping, een ideaal van gelijkheid en broederschap. Nu heb je 768 ‘vrienden’ op Facebook.

WE LEVEN IN EEN TIJD waarin vriendschap zowel alles is als niets. Hoewel het al langer de typische moderne vorm voor relaties is, is het in de laatste decennia de universele vorm geworden, de vorm waar alle andere relaties aan gespiegeld worden, de vorm waar alle andere toe verworden zijn. Geliefden verwijzen naar elkaar als ‘vriend’ en 'vriendin.’ Echtgenoten beweren dat ze elkaars beste vrienden zijn. Ouders roepen hun jonge kinderen op, en smeken hun tienerkinderen, hen te zien als vrienden. Volwassen broers en zussen, verlost van de strijd om ouderlijke aandacht en goedkeuring die in traditionele samenlevingen hen allesbehalve vrienden maakte (denk aan Jacob en Ezau), behandelen elkaar precies zo. Leraren, geestelijken, en zelfs bazen verzachten en legitimeren hun autoriteit door zich aan hun ondergeschikten te presenteren als hun vrienden. Iedereen spreekt iedereen met de voornaam aan, en als we voor een president moeten stemmen, vragen we ons af met wie we het liefst een biertje zouden drinken. Zoals de antropoloog Robert Brain het stelde: we zijn tegenwoordig vrienden met iedereen.
Maar wat is vriendschap aan het worden? Het Facebook-fenomeen, zo'n snelle en krachtige vervorming van onze sociale ruimte, behoeft geen uitleg. Nu ze zijn overgeplaatst naar onze computerbeeldschermen, zijn onze vriendschappen nog iets meer dan een afleiding? Wanneer ze gekrompen zijn naar het formaat van een post-it, hebben ze dan nog enige waarde? Als we '768’ vrienden hebben, hoeveel hebben we er dan nog 'echt’?
Facebook is niet het geheel van hedendaagse vriendschap, maar het lijkt de toekomst te zijn. Maar Facebook - en MySpace, en Twitter, en waar we ons dan ook hierna op werpen - zijn slechts de laatste fases van een langlopende uitholling van het begrip. Deze nieuwe mediafenomenen hebben het proces van de fragmentatie van ons bewustzijn versneld, maar zijn het niet begonnen. Ze hebben het idee van universele vriendschap geconcretiseerd, maar hebben het niet uitgevonden. Terugblikkend lijkt het onvermijdelijk dat sinds we besloten hebben vrienden te worden met iedereen, we zouden vergeten hoe we werkelijk vrienden met iemand zijn geworden. We mogen vandaag de dag weliswaar trots zijn op ons vermogen tot vriendschap - vrienden, tenslotte, zijn de enigen die we nog over hebben - maar het is niet duidelijk of we nog weten wat dat betekent.

HOE IS DIT ZO GEKOMEN? Ons idee van vriendschap kan niet méér verschillen dan met dat uit de Oudheid. Achilles en Patrokles in de Illiad, David en Jonathan in het Oude Testament, Nisus en Euraylas in de Aeneid; ver van alledaags was vriendschap iets uitzonderlijks in de klassieke tijd, kwetsbaar en iets wat moeilijk te verdienen was. In een wereld die geregeerd werd door bloedbanden en verbintenissen aan koningshuizen waren vriendschappen exceptioneel, zelfs subversief. David hield van Jonathan, ondanks zijn vijandschap met Saul; Achilles’ relatie met Patrokles woog zwaarder dan zijn trouw aan de Griekse zaak, op het strijdtoneel van Troje. Vriendschap was een hoge roeping, die buitengewone karakterkwaliteiten vereiste - kwaliteiten die geworteld waren in deugdelijkheid, zoals Aristoteles en Cicero dat zagen, en opgedragen in het streven naar goedheid en de waarheid. En omdat zij het zagen als superieur aan het huwelijk, en op z'n minst gelijk aan seksuele liefde, bereikte de uitdrukking ervan soms een erotische intensiteit. Jonathans liefde was, bezongen door David, 'wonderlijker voor mij dan de liefde van vrouwen’. Achilles en Patrokles waren geen minnaars - ze deelden een tent, maar deelden hun bedden met hun concubines - ze waren iets groters. Achilles weigerde te leven zonder zijn vriend, zoals Nisus stierf om Euryalus te wreken, en zoals Damon zich opofferde voor Pythias.
De opkomst van het christendom dreef dat klassieke ideaal naar de achtergrond. Het christelijke geloof ontmoedigde persoonlijke verbintenissen, zodat het hart op God gericht kon worden. Binnen kloosterlijke gemeenschappen werden particuliere vriendschappen gezien als bedreigingen voor de sociale cohesie. In de middeleeuwse maatschappij behelsde vriendschap specifieke verwachtingen en verplichtingen, vaak geformaliseerd in eden. Heren en vazallen gebruikten de taal van vriendschap: 'Standing surety’ - het garanderen van een lening, zoals in De koopman van Venetië - was een belangrijke institutie tussen vroegmoderne vrienden. Peetouderschap functioneerde in de rooms-katholieke samenleving (en functioneert op sommige plekken nog steeds) als een soort verbond tussen families, niet tussen peetouder en peetkind, maar tussen peetouder en ouder. (In Latijns-Amerika zijn peetouders 'compadres’, 'co-vaders’, een woord dat tegenwoordig als synoniem wordt gezien voor vrienden.)
Het klassieke idee van vriendschap herleefde pas in de Renaissance. Waarheid en deugd, en vooral: 'Degenen die de moeite nemen ons te bekritiseren begaan een opmerkelijke daad van vriendschap’, schreef Montaigne, 'want om een man te verwonden en te beledigen voor zijn eigen bestwil is om een gezonde liefde voor hem te hebben.’ Zijn band met Etienne, zwoer hij, stond niet alleen hoger dan het huwelijk en erotische verbondenheid, maar ook hoger dan broederlijke en homoseksuele liefde. 'Het opbouwen van zo'n vriendschap is afhankelijk van zo veel toevalligheden dat het veel betekent wanneer het lot het één maal in drie eeuwen op je pad brengt.’
Het economische element in middeleeuwse vriendschap verduidelijkt waarom 'echte vriendschap’ als zo zeldzaam en waardevol werd gezien in klassieke en neoklassieke tijden: precies omdat relaties in traditionele samenlevingen gedomineerd werden door geldelijke belangen. Dus de 'ware vriend’ stond tegenover de 'valse vriend’, zoals Shakespeare in Hamlet Horatio spiegelt - 'meer een antieke Romein dan een Deen’ - aan Rosencrantz en Guildenstern. Sancho Panza begint als Don Quichote’s knecht, en eindigt als zijn vriend; tegen de tijd dat hun reis er op zit, heeft hij begrepen dat vriendschap de beloning was waar hij altijd al naar zocht.

KLASSIEKE VRIENDSCHAP, nu vaak geduid als romantische vriendschap, hield aan door de achttiende en negentiende eeuw en gaf ons de grote vriendschappen tussen Goethe en Schiller, Lord Byron en Percy Bysshe Shelley, Ralph Waldo Emerson en Henry David Thoreau. William Wordsworth droeg zijn magnum opus op aan zijn 'dear Friend’ Samuel Taylor Coleridge. Alfred Tennyson betreurde Arthur Hallam - 'My Friend… My Arthur… Dear as the mother to the son’ - in het gedicht dat zijn meesterwerk zou worden. Over zijn eerste ontmoeting met Nathaniel Hawthorne was Herman Melville niet te beschaamd te schrijven: 'Een man met een diepe en nobele natuur heeft me gegrepen.’ Maar in de tussentijd veranderde de groei van de commerciële maatschappij de fundamenten van het persoonlijke leven, zo zeer dat de essentiële omstandigheden voor moderne vriendschap werden gecreëerd. Het kapitalisme, schreven Hume en Smith, maakte economische verbanden onpersoonlijk, waardoor persoonlijke verbanden op niets anders dan affiniteit en affectie hoefden te worden gebaseerd. We kennen de mensen niet die de dingen maken die we kopen en we kennen de mensen niet die ze verkopen. De mensen die we wél kennen - onze buren, medeparochianen, de mensen die we kennen van de middelbare school of universiteit, onze ouders of de vrienden van onze kinderen - hebben geen betekenis voor onze economische activiteiten. Een van hen geeft les op een school in een buitenwijk, een ander werkt voor een bedrijf aan de andere kant van de stad, een derde woont aan de andere kant van het land. Wij zijn niets van elkaar wat we niet kiezen te zijn, en we kunnen het ontworden wanneer we willen.
Tel hierbij op de groei van democratie, een ideologie van universele gelijkheid. Wij zijn burgers tegenwoordig, geen onderdanen, direct verbonden aan elkaar, niet via een monarch. Maar wat verbindt ons, maakt ons iets meer dan een aggregatie van politieke nomaden? Een antwoord is nationalisme, maar een ander antwoord is gegroeid uit de achttiende-eeuwse notie van sociale sympathie: vriendschap, of, op z'n minst, vriendschappelijkheid als de affectieve substructuur van de moderne maatschappij. Het is geen toeval dat 'broederschap’ deel uitmaakt, samen met vrijheid en gelijkheid, van de slogan van de Franse Revolutie. Wordsworth in Engeland en Walt Whitman in Amerika stelden hun visies van universele vriendschap centraal in hun democratische idealen. Voor Mary Wollstonecraft, de moeder van het feminisme, was vriendschap de sleutelterm van een heronderhandeld seksueel sociaal contract, een nieuwe huiselijke democratie.
Sociale veranderingen speelden ook een rol. Toen industrialisatie zorgde voor urbanisatie was vriendschap het medicijn tegen anonimiteit en een ontworteld bestaan in de grote stad. Inmiddels is het een bijna instinctief proces: je studeert af, verhuist naar Los Angeles of New York en je sprokkelt een groep mensen bij elkaar die je door je twintiger jaren heen loodsen. De veranderingen in ons familieleven hebben vriendschap in de afgelopen paar decennia nog belangrijker gemaakt; door de toename van het aantal echtscheidingen en het aantal eenoudergezinnen hebben volwassenen in contemporaine huishoudens vaker geen echtgenoten, laat staan uitgebreide families, om op te steunen. Kinderen, losgelaten door de verzwakte ouderlijke autoriteit, nemen nog eerder afstand. Beiden kijken naar vrienden om de oude structuren te vervangen. Vrienden zijn misschien 'de familie die we kiezen’, zoals het moderne gezegde luidt, maar voor velen van ons zit er niets anders op dan die familie te kiezen, omdat de familie waarin we geboren zijn uit elkaar is gevallen. Als alle huwelijken falen, blijven onze vrienden over. En zelfs degenen die nog in een stabiele, hechte familie opgroeien, creëren alsnog een tweede en besteden hun tijd met het schipperen tussen die twee. We moeten nog steeds een naam vinden voor die periode in ons leven, nu meestal een decennium maar vaak een stuk langer, de periode tussen onze adolescentie en de tijd waarin we definitieve keuzes in ons leven maken - keuzes over banen, huwelijken en kinderen.

ONVERMIJDELIJK IS DAARMEE het klassieke ideaal van vriendschap verdwenen. Het beeld van de ene, trouwe vriend, een zielsverwant die moeilijk is om te vinden, is verdwenen. We hebben goede en minder goede vrienden, en hebben zelfs onze allerbeste vrienden, maar niemand spreekt er meer over zoals Montaigne of Tennyson ooit deed. In dat veelgehoorde, gladde neologisme 'bff’, best friends forever, zit al het ironische bewustzijn van de mobiliteit van onze relaties. 'Beste vrienden voor altijd’ kunnen een maand later wel eens niet meer on speaking terms zijn. Onze meest gepassioneerde energieën bewaren we liever voor seks.
En seks speelt ook een rol. Sinds het freudianisme en de steeds grotere sociale zichtbaarheid van homoseksualiteit hebben we onszelf geleerd uitdrukkingen van intense affectie tussen vrienden te vermijden - mannelijke vrienden in het bijzonder - en hebben we historische vriendschappen, die van Achilles en Patrokles bijvoorbeeld, herschreven tot seksuele relaties. Wat is het hippe woord 'bromance’ (of 'man dates’) anders dan een instrument voor heteroseksuele mannen om hun seksuele onzekerheid te verdoezelen? In de typische bromance-plot draait het om de sterke banden in onze jeugd, die we uiteindelijk loslaten om de stap naar volwassen heteroseksuele relaties te maken. Vriendschap is iets wat we blijkbaar moeten ontgroeien.
Ook de morele waarde van klassieke vriendschap, de toewijding aan deugd en wederzijdse verbetering, is verloren gegaan. We geloven niet langer dat het hoogste doel van vrienden is elkaar op te roepen naar het Goede, het geven van moreel advies, hulp, elkaar te corrigeren. In plaats daarvan praktiseren we niet-veroordelende vriendschappen waarin 'steun’ en 'onvoorwaardelijke acceptatie’ de sleutelwoorden zijn - therapeutische vriendschappen, noemt de socioloog Robert N. Bellah dit. Want wat zijn we fragiel geworden! Een vriend vervult zijn plicht door onze kant te kiezen, onze beslissingen te steunen, ons een goed gevoel over onszelf te geven - en fouten door de vingers te zien. We zijn drukbezette mensen, dank u wel; onze vriendschappen willen we graag stressvrij houden.

MAAR ZELFS NU VRIENDSCHAP universeel werd en het klassieke ideaal verloren ging, ontstond er een nieuw idealisme, een nieuwe opslagplaats voor de diepste verlangens van vriendschap: de groepsvriendschap of de vriendschapscirkel. Verzamelingen van superieure geesten gaan zo ver terug als Pythagoras en Plato en verwierven groot aanzien in de salons in de zeventiende en achttiende eeuw, maar de Romantiek gaf ze een verse stimulans. Vriendschap stond centraal in het denken over ons zelfbeeld - wie wij zijn wordt bepaald door wie onze vrienden zijn - en de notie van superioriteit kreeg een utopische lading, zodat een cirkel vrienden - niet in de laatste plaats vanwege de moderniteit van deze relatievorm - gezien werd als aankondiging van een nieuwe, meer geavanceerde tijd. Dit gold, een eeuw later, zeker voor de Bloomsbury Group, waarvan twee leden, Virginia Woolf en E.M. Forster, roman na roman schreven over vriendschap. Het was Forster die de geloofsbelijdenis van die groep verwoordde: 'Als ik moest kiezen tussen mijn land verraden en mijn vriend verraden, dan zou ik hopen dat ik het lef had mijn land te verraden.’ Het modernisme was de tijd van coterie, en net als de legendarische vriendschappen uit de Oudheid zagen modernisten hun vriendschapscirkels - bohémien, radicaal, artistiek - als een alternatieve maatschappij, ontdaan van de falende normen en waarden (nationalisme, fascisme) van de echte wereld.
Dat idee groeide naarmate de twintigste eeuw vorderde tot ver buiten de artistieke coterie en werd bijna maatschappijbreed opgepikt. De romantische bloomsburiaanse profetie van een maatschappij opgebouwd uit vriendengroepen was werkelijkheid geworden. Mary McCarthy gaf ons een vroege en bitse kijk op de wenselijkheid van zo'n situatie in The Group (1962); Barry Levinson schetste een iets goedaardiger beeld in zijn film Diner (1982). Beide werken wijzen ons erop dat de alomtegenwoordigheid van groepsvriendschappen voor een groot deel te wijten is aan jeugdcultuur. Sterker nog, in de moderniteit worden vriendschappen vooral geassocieerd met de jeugd, omdat ze los staan van de corrupte belangen van volwassenen. 'The dear peculiar bond of youth’, noemde Byron het, waarmee hij het klassieke idee dat vriendschap volwassenheid en wijsheid vereist, omdraaide.
Met de hedendaagse aanbidding van jeugd als de belangrijkste en meest authentieke levensfase is vriendschap het object van intense emotie in twee tegenstrijdige, maar vaak gelijktijdige wegen. We proberen - in mode, door sportscholen, met botox - onze jeugd oneindig te verlengen en doen dat mede door ons aan onze vriendschappen vast te houden, terwijl we om het verlies van onze jeugd rouwen door aanhoudende nostalgie naar die vriendschappen. Een van de meest opvallende dingen aan de manier waarop de twintigste eeuw vriendschap begreep, was de gewoonte die te zien door het filter van ons geheugen, alsof het alleen herkend kon worden na het verlies ervan, alsof dat verlies onvermijdelijk was.
De cultuur van groepsvriendschappen bereikte een hoogtepunt in de jaren zestig. Twee van de meest markante en ideologisch geëntameerde sociale vormen van de tegencultuur waren de commune - een gemeenschap van vrienden als een zelfingebeelde terugtrekking uit de harteloze, commerciële maatschappij - en de rockband (niet 'rockgroep’ of 'rockcombo’, maar 'band’, de naam evoceerde Shakespeare’s Hendrik de Vijfde en zijn 'band of brothers’). Communes, bands en andere jaren-zestigvriendschappen (inclusief Woodstock, de apotheose van de commune en het rockconcert) werden toegejuicht als gelukzalige, creatieve bronnen van eeuwige jeugd - vrijhavens waar de volwassen wereld geen vat op had. Om geborgen in zo'n groep door het leven te gaan was de utopische droom van dat tijdperk; het is geen wonder dat het uit elkaar gaan van de Beatles als een generatiedrama werd gezien.
Het is ook geen wonder dat de jaren-zestiggroepsvriendschap haar eigen nostalgie ging genereren toen de babyboomers de dertig passeerden. The Big Chill (1983) toonde boomers in hun poging die magie van de vriendengroep van de sixties te recreëren ('In a cold world’, luidde de slogan van de film, 'you need your friends to keep you warm’). De tv-serie Thirtysomething (vanaf 1987) ging een stap verder en stelde vriendengroepen als de meest wenselijke norm. Dat nam niet weg dat de meeste personages in deze producties getrouwd waren. Pas in de jaren negentig kwam de generatie die tot ver in de dertig vrijgezel bleef, en die kreeg haar toonbeelden van groepsvriendschappen geserveerd met Sex and the City en, natuurlijk, Friends. Maar tegen die tijd waren vrienden niet langer een schild tegen normatieve druk en sociale verplichtingen. Ze schermden je niet langer af van de mainstream, ze wáren de mainstream.

EN ZO ZIJN WE weer terug bij Facebook. Met de social networking-websites van deze nieuwe eeuw - Friendster en MySpace werden gelanceerd in 2003, Facebook in 2004 - is de vriendengroep gegroeid tot ver buiten de sociale cirkel, tot de gehele sociale wereld, waarmee ze de notie van individualisme, de hoeksteen van moderne vriendschap, onderuit heeft gehaald. De premisse - en belofte - van Facebook is dat het cirkels vrienden zichtbaar maakt. 'Al je vrienden op dezelfde plek.’ Alleen zijn ze niet echt op dezelfde plek, en nog erger, het zijn niet je vrienden. Ze zijn een simulacrum van vrienden, opgedroogde pakketjes bestaande uit foto’s en gegevens, niet méér je vrienden dan dat ze verzamelplaatjes uit een voetbalalbum zijn. En net als in zo'n album zijn ze op en onder elkaar geplakt.
'Het is alsof ze met elkaar een gesprek voeren’, zei een kennis van me laatst, toen ze wees op de berichtjes die haar Facebook-vrienden (en vrienden van vrienden, en hun vrienden) op haar pagina achterlieten. 'Alleen niet echt.’
Daarmee is vriendschap aan het veranderen van een relatie tot een gevoel - van iets wat mensen met elkaar delen tot iets wat mensen in hun eentje ondergaan, achter hun beeldscherm waar ze de elektronen omarmen die de digitale snelweg op ze af schiet. 'Reach out and touch someone’, luidt het motto van de site. Ooit was 'someone’ iemand in het bijzonder, iemand aan wie je werkelijk dacht. Het betekende met iemand een gesprek voeren. Nu zenden we onszelf uit via Facebook en Twitter, aan al onze vijfhonderd vrienden tegelijk, in de hoop dat een van hen reageert (en zo ons bestaan bevestigt). Het idee dat we onszelf 'uitzenden’ is veelzeggend; we benaderen via deze nieuwe technologieën onze vrienden niet meer als individuen, maar alsof het een uniforme massa is. We hebben niet langer een vriendengroep, maar een vriendenwolk.
Met die drang om 'onszelf uit te zenden’ (denk aan de slogan van YouTube: 'Broadcast yourself’) komt een ander essentieel onderdeel van vriendschap onder druk: vertrouwen, intimiteit. Het meest bizarre aan Facebook is hoe gewillig mensen zijn om hun persoonlijke leven in het publiek te bespreken. Lunchafspraken en liefdesverdriet worden zonder gêne blootgegeven, zo zeer dat het naar exhibitionisme neigt. Maar misschien moeten we het idee opgeven dat vriendschap voortkomt uit een unieke en beschermde wereld die twee mensen met elkaar scheppen, een spinnenweb van gedeelde herinneringen dat ze samen voorzichtig ontdekken. In plaats daarvan wordt bijna obsceen omgesprongen met intimiteit. De intimiteit van vriendschap wordt zo publiekelijk bedreven, alsof het een bewijs moet zijn dat je een persoonlijk en diepzinnig mens bent. Zijn we zo op zoek naar erkenning? Of willen we zo graag bewijzen dat we met vrienden communiceren?

DE NIEUWE SOCIAL NETWORKING-sites hebben ons gevoel van intimiteit vervalst. Het absurde idee dat een MySpace-profiel of '25 random things about me’ (een Facebook-gadget) ons net zo veel over iemand kan vertellen als een goede vriend zou kunnen, komt voort uit de verwarde noties wat het betekent om iemand te kennen. Allereerst, dat intimiteit bestaat uit dingen opbiechten - een idee dat erg leeft onder jongeren, wellicht omdat ze vaak nieuwe mensen leren kennen en geloven dat je levensverhaal uitstorten de snelste route naar vertrouwen is. Daarnaast, dat identiteit is afgeleid uit informatie. De naam van je kat, je favoriete Beatle, dat ene domme ding dat je gedaan had in groep zeven. Ten derde, dat je identiteit terug te brengen is tot de dingen die je leuk vindt, en dan met name de consumentenartikelen waar zo veel netwerk-sites naar vragen. Vergeet nog even dat we marktonderzoek naar onszelf doen; nog erger is dat Facebook ons dwingt onszelf te zien ('Ik ben een echte Nike-man!’) in die commerciële termen. We rubriceren onze eigen identiteit.
Zo heeft informatie ervaring vervangen, zoals dat op veel terreinen van onze cultuur het geval is. Maar wanneer ik aan mijn vrienden denk, wie ze zijn, waarom ik van ze houd, dan denk ik niet aan hun angst voor spinnen, of de namen van hun broers. Ik denk aan hun karaktereigenschappen. Haar oprechtheid, zijn zwarte gevoel voor humor, haar emotionele bereik. Karakter, en dus identiteit, toont zichzelf door actie; om mensen te leren kennen, moet je ze meemaken, naar ze luisteren. En daar biedt Facebook geen ruimte voor. De 'krabbels’ die je kunt achterlaten hebben nauwelijks de omvang die de epistels hadden die vrienden elkaar vroegen schreven. Om maar niet over de 140 lettertekens van Twitter te spreken.
Het is onvoorstelbaar hoe snel dingen veranderen. Niet alleen hebben we geen Coleridge en Wordsworth meer, we hebben ook geen Jerry en George meer, uit Seinfeld. Vandaag zouden Ross en Chandler uit Friends geen koffie meer drinken, maar elkaar sms'en. Carrie en de andere meiden uit Sex and the City zouden constant hun Facebook-status updaten (vrijgezel/ soort van vrijgezel/ weetniet), en als ze al tijd hadden om te gaan lunchen, dan waren ze te druk met hun Blackberry om een echt gesprek te voeren. SatC en Friends zijn vijf jaar geleden gestopt, en nu al leven we in een andere wereld. Vriendschap is gladjes geïntegreerd in ons nieuwe digitale leven. We zijn te druk om aan onze vrienden meer tijd te besteden dan het duurt om een sms te sturen.
Ik vroeg een kennis van me onlangs of haar tienerdochters nog de intense vriendschappen hebben die zij en ik hadden op die leeftijd. Ja, zei ze, maar mijn dochter behandelt ze anders. Ze blijft nog steeds laat op met haar beste vriendin in haar kamer, maar tegelijkertijd zijn ze met drie andere vriendinnen aan het chatten en met nog eens drie andere aan het sms'en.
Videochatten, of webcammen, is in theorie persoonlijker dan door de telefoon met iemand spreken - maar niet wanneer je het tegelijkertijd met drie anderen doet. En doorgaans zijn tieners voorlopers van de rest van ons. Een studie toonde aan dat één van de vier Amerikanen geen vertrouwenspersoon heeft, waar dat in 1985 nog één op de tien was. Die studie is van 2004, en we hoeven er niet aan te twijfelen dat het inmiddels, mede dankzij Facebook, erger is geworden. Hoe meer mensen we lijken te kennen, hoe eenzamer we worden.

William Deresiewicz is voormalig hoogleraar Engels aan Yale en schrijft over literatuur in o.a. The Nation, The London Review of Books en The New York Times. Dit essay verscheen eerder in The Chronicle of Higher Education.

Vertaald en bewerkt door Joost de Vries