Het onbehagen van Maxime Verhagen

Wat is er aan de hand met Nederland?

Dat onbestemde gevoel dat Nederland een onaangenaam land dreigt te worden - waar komt dat toch vandaan? Misschien zet de politiek, van rechts tot links, de toon met een groeiende onwil zich in te leven in de ander.

Medium onbehagen

STAAT U MIJ TOE een persoonlijke noot te kraken, ook al is dat strijdig met de journalistieke principes van afstandelijkheid en objectiviteit. Dat is nu eenmaal eigen aan een hartenkreet, het onrustige gemoed waaruit dit artikel voortkomt. Hoewel onbestemd, is dat gevoel naar mijn idee voor veel anderen wel herkenbaar. Het is dat knagende gevoel dat Nederland een onaangenaam, naar land dreigt te worden. Het gevoel dat er iets verloren gaat, iets wezenlijks, waardoor het hier benauwend wordt.
Dat gemoed speelt op wanneer een Kamermeerderheid van CDA, VVD, SP en SGP een motie van PVV'er Martin Bosma steunt om Radio 2 te verplichten tot het draaien van meer Nederlandstalige muziek, op dezelfde dag dat Mohamed Boukari van het actiecomité Stop verbod halal slachten verzucht dat het land waar zijn geloofsgenoten en hij opgroeiden ‘nog nooit zo onaangenaam voelde’.
Nederland keert zich in zichzelf en wordt minder prettig voor wie zich niet thuis voelt in zo'n sfeer van eenkennigheid. In de lezing waarin Maxime Verhagen onder meer sprak over de 'terechte’ zorg van mensen of 'die buitenlandse ziekte’ niet ook in 'onze’ groente en vlees zit, zei de CDA -politicus: 'Het onbehagen moet ook het onbehagen zijn van een volkspartij als het CDA.’ Over welk onbehagen heeft hij het? Het mijne is dat het CDA uit naam van onbehagen dat ik niet herken een politiek verbond is aangegaan met een partij waar ik onbehaaglijk van word. Op dát onbehagen, over de machtspositie van de haatdragende groepering van Geert Wilders, zal Verhagen niet doelen.
Ik ondervind dat onbestemde gevoel dat Nederland een ander land wordt als ik voor een uitwedstrijd van Leiden 8, mijn voetbalelftal, naar een dorp in de polder fiets. Ervoer ik dat nog niet zo lang geleden als een lekker tochtje in het Groene Hart, nu denk ik onwillekeurig: hier, in deze dorpen waar geen moslim te zien is, wonen ze dus, die kiezers van die ijdele man die zo fanatiek is over alles wat hem vreemd is… Onzin natuurlijk, verreweg de meeste mensen zijn van goede wil en kleingeestigheid tref je net zo goed aan bij stedelingen die geborneerd neerkijken op dorpen in het Groene Hart als oorden van achterlijkheid.
Wat is hier aan de hand? Ik zal niet alleen staan in de gedachten die mij tegenwoordig bekruipen op weg naar de uitwedstrijd. Op zijn fietstocht langs de Hondsbossche Zeewering ervaart de Amsterdamse theatermaker Ferdinand Borger de waterkering anders dan vroeger. Tien jaar geleden nog zinnebeeld van kracht en bescherming van het achterliggende land is de dijk voor hem nu een symbool van polderkolder, van isolationisme waarachter Nederlanders hun boosheid op de Grieken en hun angst voor de islam voeden.
Dit soort gedachten kun je duiden als een mene tekel van een groeiende mentale afstand tussen Nederlanders. Piet de Jong, oud-premier en -zeevaarder, onderscheidde ooit twee soorten mensen: 'Er zijn er die het strand beschouwen als het einde van de wereld, er zijn anderen die het juist zien als het begin van de wereld.’ De Jong deed zijn uitspraak in de jaren zestig, toen de uitbraak van de nieuwe generatie uit de benauwenis van de zuilenmaatschappij de romantische vorm kreeg van een 'revolutie’ tegen 'het klootjesvolk’. De provobeweging had nog iets speels, hoewel de geschiedenis leert dat intimidatie ook die kring niet vreemd was. Dat ludieke is er anno 2011 wel van af. De controverse van degenen met het zelfbeeld van een kosmopoliet versus mensen die de wereld zien als een bedreiging is nu grimmiger, fanatieker. Uit ergernis aan de ander lijken beide kanten van de weeromstuit de eigen opvatting wat zwaarder aan te zetten. Demonstratief activisme sluipt zelfs de Tweede Kamer in, wanneer de coalitie symboolpolitiek bedrijft met een motie over meer Nederlandstalige muziek en de oppositiefracties daarop reageren door jolig met de armen in de lucht te zwaaien, alsof ze bij een optreden van Frans Bauer zitten.

ONDANKS deze polarisatie heerst in het politieke debat consensus over het denkbeeld dat de cohesie in de samenleving onder druk staat van de internationalisering en mondialisering. Het is niettemin de vraag of dat de directe oorzaak is. Eerder dan door de mondialisering zelf wordt de samenhang in de maatschappij misschien bedreigd door die groeiende mentale tegenstellingen in het land over de onzekerheden die met het groter worden van onze leefwereld gepaard gaan.
Dat is des te bedenkelijker als, in breder perspectief bezien, de oorzaak zou blijken te schuilen in afnemend inlevingsvermogen in de ander, of mogelijk zelfs in onwil zich in de ander in te leven. Is dat het geval, dan ondergraaft dat de vaardigheid om met verschil, veelvormigheid en veelkleurigheid om te gaan, een onmisbare kunde in de multiculturele samenleving. De publiciste Marcia Luyten omschreef die omgangskunst ooit als volgt: 'Het komt erop aan dat wij leren ons zodanig te verhouden tot anderen dat iedereen van de grootst mogelijke vrijheid kan genieten.’ Wie tot empathie met de ander bereid is, hoe ver die ook van hem af staat, zal geïnteresseerd zijn in die ander, ontvankelijkheid tonen voor diens opvattingen en een modus trachten te vinden hem daarin zo vrij mogelijk te laten.
De kunst met het verschil om te gaan is dus ook een samenlevingskunst. Op dat vermogen is wellicht de sleet gekomen sinds het bon ton werd om te zeggen dat 'onze’ cultuur superieur is. VVD-politicus Frits Bolkestein heeft daarvoor het voorwerk verricht, in 1991, met zijn roemruchte speech voor de Liberale Internationale in Luzern. Met die opvatting is op zich niets mis - wie beschouwt zijn eigen cultuur niet als superieur? Maar bij luiere geesten dan Bolkestein kan zij wel de nieuwsgierigheid naar andere culturen en de bereidheid te leren van het vreemde wegnemen. Dat is in extremo zichtbaar in de plompe desinteresse die Wilders’ groepering aan de dag legt voor alles wat zij niet kent. In een meer gematigde of verhulde vorm zijn signalen van afnemend inlevingsvermogen evenwel ook waarneembaar bij andere partijen, van rechts tot links.
In het politieke nieuws van de afgelopen weken zijn daarvan legio voorbeelden aan te wijzen. Het meest evident was de weigering empathie te betrachten over en weer zichtbaar in het debat over de cultuurbezuinigingen, waarin de werelden van kunst en politiek veeleer verder van elkaar zijn verwijderd dan elkaar nader gekomen. Maar ook de debatten over de Griekse schulden, de kabinetsnota over integratie, het ritueel slachten en de vrijheid van meningsuiting worden getekend door eenkennigheid en de onwil zich in de ander te verplaatsen.
Een saillant voorbeeld is de karikatuur die premier Rutte van de Grieken schetste met de opmerking: 'Ze gaan op hun 51ste met pensioen en lijken alleen maar op vakantie te zijn.’ Niet alleen is het opmerkelijk dat een politicus met de verantwoordelijkheid van premier meegaat in de koortsige Telegraaf-campagne tegen de Grieken, ook staat Rutte’s antisentiment op gespannen voet met de werkelijkheid van de Grieken, die gemiddeld op dezelfde leeftijd met pensioen gaan als de Nederlanders en ruim anderhalf keer meer uren maken tegen de helft van het loon (De Groene, 29 juni).

OOK IN het geval van de integratienota van minister Donner rijst de vraag of het valse beeld de feiten niet in de weg zit. Het beeld dat het kabinet onderschrijft, in navolging van Cameron, Sarkozy en Merkel, is dat de multiculturele samenleving heeft 'gefaald’. Dat laat geen ruimte voor de notie dat mensenrechten als vrijheid en gelijkwaardigheid, waarvan het kabinet zegt dat de 'Nederlandse samenleving’ erop berust, universeel zijn en dus ook een voeding uit andere culturen hebben. Als uit de opstand tegen de onvrijheid in het Arabische werelddeel, het hartland van de islam, niet blijkt dat vrijheid een universele waarde is die mensen tot grootse daden kan inspireren, welk bewijs is dán daarvoor nodig?
Daarbij komt de vraag of het fenomeen van de multiculturele samenleving zélf de maatschappelijke cohesie en de waarden waarop de maatschappij rust onder druk zet, dan wel de polariserende politieke en maatschappelijke reactie op de multiculturaliteit. In haar meest extreme vorm manifesteert die reactie zich in de PVV. Het is niet zonder ironie dat de vier kernwaarden die Donner in de integratienota als essentieel voor Nederland benoemt nu juist bij de PVV niet in de meest vertrouwde handen zijn. Vrijheid, gelijkwaardigheid, verdraagzaamheid en solidariteit hebben in de zienswijze van Wilders’ groepering een selectieve werking. Dat blijkt althans uit de tweederangspositie die moslims volgens hem toekomt. Zij hebben in zijn benadering minder rechten dan anderen om hun godsdienst te belijden en hun eigen onderwijs in te richten, dus ook minder recht op verdraagzaamheid en solidariteit. De PVV streeft ook naar het schrappen van het grondwetsartikel dat de gelijkwaardigheid van mensen tot uitdrukking brengt.
Dat artikel 1, waarin het non-discriminatiebeginsel is vervat, moet een zekere waarborg bieden tegen willekeur van de overheid met al haar dwingende macht. VVD en CDA zijn, met andere woorden, met hun samenwerkingsverband met de PVV een verbond aangegaan met een partij die op grond van een religie een discriminerend onderscheid tussen burgers wil maken. Misschien verklaart dat, eerder instinctmatig dan concreet benoemd, waarom na het aantreden van het kabinet-Rutte het gevoel dat Nederland een minder prettig land wordt bij zoveel mensen acuut lijkt geworden.
Dit kabinet steunt op een partij die weinig op heeft met de waarden die het kabinet zelf, blijkens zijn integratienota, essentieel acht voor een samenleving waarin de burgers elkaar onderling vertrouwen. Het gevoel dat er in Nederland iets verloren gaat, iets wezenlijks, wordt nog versterkt door de wispelturigheid van Donner. Voor zijn toetreding tot het kabinet-Rutte gold de gereformeerde politicus lange tijd als man van stavast, een minister die dankzij zijn statuur van onafhankelijkheid ook buiten de eigen kring gezag en vertrouwen opbouwde. Die goede naam dankte hij mede aan zijn consequent doordachte verweer tegen het populisme. Over pleidooien als dat van Wilders om het grondwetsartikel 1 te wijzigen in een verwijzing naar de joods-christelijke en humanistische traditie als dominante cultuur schreef Donner ooit in een briefwisseling met de Leidse theoloog De Kruijf: 'In hun handen wordt het christelijk geloof een instrument om mensen uit te sluiten en daar was het geloof nooit voor bedoeld.’ Nu lijkt ook hij mee te buigen met de gure wind van het populisme.
Een teken aan de wand is dat hij de integratienota vooral schreef vanuit het perspectief van 'de onvrede’ van 'de Nederlander’ over de multiculturele samenleving: 'Keer op keer blijkt dat veel Nederlanders de etnische en culturele diversiteit die Nederland kenmerkt niet als een verrijking ervaren, maar als een bedreiging. Al bijna twintig jaar vindt ongeveer de helft van de Nederlanders dat er te veel mensen van andere nationaliteiten in Nederland wonen.’ Wie zijn hier toch 'de Nederlanders’? Klaarblijkelijk niet de genaturaliseerde immigranten of ingezetenen met een andere nationaliteit.
Bijna als vanzelf valt daardoor het onderscheid tussen autochtonen en immigranten samen met de tegenstelling tussen degenen die de waarden waarop de samenleving rust omarmen en degenen die dat niet doen. In de praktijk kan dat immigranten, moslims voorop, ontmoedigen de vereenzelviging met Nederland aan te gaan. Bevorderlijk voor de integratie is dat niet.
Al met al toont het kabinet met de integratienota weinig ontvankelijkheid voor de notie dat het dagelijks leven in de multiculturele samenleving mensen oefent in vaardigheden die de omgang met het verschil vergt. Het vermogen compromissen te sluiten, alsmede rekkelijkheid en inschikkelijkheid, maar ook de bewustwording van de grenzen aan de eigen verdraagzaamheid zijn kwaliteiten die de dagelijkse ervaring met veelkleurigheid en veelvormigheid aanscherpt. In zijn boek Paniek in de polder, over verdraagzaamheid in tijden van populisme, verdedigt de filosoof Jos de Mul de kunst om compromissen te sluiten, ook al staan ze op gespannen voet met de eigen overtuiging. Een compromis is geen koehandel met principes, schrijft hij, maar een onvermijdelijk verschijnsel van de tragiek die eigen is aan het pluralisme. Die tragiek is dat sommige conflicten domweg niet oplosbaar zijn. Lukt het compromis niet, dan is de volgende stap het tolereren van denkbeelden en praktijken die loodrecht op de eigen overtuiging staan, zoals de weigerambtenaar bij homohuwelijken, de ongelijke behandeling van vrouwen in de SGP of de discriminatoire trekjes van de PVV, domweg omdat het alternatief van een beroeps- of partijverbod nog minder verkieslijk is. Dan wordt inderdaad de tragische kant van Marcia Luytens definitie van de omgangskunst in de multiculturele samenleving zichtbaar: 'Het komt erop aan dat wij leren ons zodanig te verhouden tot anderen dat iedereen van de grootst mogelijke vrijheid kan genieten.’

TOLERANTIE kan dus worden opgebracht bij de gratie van inlevingsvermogen in anderen. Waar 'rechts’ onvermogen of mogelijk zelfs onwil daartoe toont in de omgang met immigranten, zo is 'links’ tot weinig of geen empathie met religieuze overtuigingen bereid. Dat bleek de afgelopen weken in het politieke debat over de initiatiefwet van de Partij voor de Dieren voor een verbod op ritueel slachten.
Hoewel soms wat onbeholpen kwam in dat debat het principiële dilemma tussen de beperking van dierenleed en de vrijheid van godsdienst van joden en moslims nog wel aan de orde. Wat evenwel geheel ontbrak, was de wil zich in te leven in de nuances en subtiliteiten van deze religies, hoe ver die ook afstaan van de normaliteit van de rede. De katholieke theoloog Erik Borgman wees erop dat ritueel slachten in de godsdienstige zienswijze van joden en moslims een uitdrukking van eerbied voor het dier is, voor zijn leven, voor het voedsel dat het geeft en voor de god die het geschapen heeft. Dat aspect bleef onbenoemd in het debat en daarmee maakte het ook geen deel uit van de afwegingen. Voor Mohamed Ben Hammouch, een bestuurder van een moskee in de Haagse Schilderswijk, ging in dat debat een wissel om. Op de vraag van NRC Handelsblad waarom moslims niet hadden gelobbyd tegen een verbod van ritueel slachten, zei Hammouch dat hij zich tot de finale stemming eigenlijk niet kon voorstellen dat de Nederlandse politiek daadwerkelijk een einde zou maken aan een eeuwenoude godsdienstige traditie van moslims en joden.
Inlevingsvermogen in anderen ontbrak de afgelopen weken eveneens in het pleidooi van VVD en PVV, direct na de vrijspraak van Wilders in het strafproces, om nagenoeg alle beperkingen op de vrijheid van meningsuiting op te heffen, dus ook het verbod op discriminatie en het aanzetten tot haat. Het lijkt erop dat VVD en PVV lijden onder het misverstand dat volledige vrijheid hetzelfde is als grenzeloosheid. In die zienswijze hebben tekenaars als Gregorius Nekschot de vrijheid om Mohammed af te beelden terwijl hij Anne Frank verkracht. Wie dat slechts smakeloos noemt, of de tekenaar typeert als een opiniemaker, maakt van zo'n vorm van discriminatie en aanzetten tot haat iets onschuldigs. En dat is het niet, zeker niet voor degenen die zo'n opinie ervaren als minachting van wat zijn of haar diepste overtuiging is.
Zo bezien geven de wetsartikelen waarin het verbod op discrimineren en het aanzetten tot haat is vervat uitdrukking aan de beschavingsnorm dat mensen elkaar niet beledigen, neerduwen, verachten. Het schrappen van die artikelen kan dus bijdragen aan de vorming van een cultuur waarin beledigen, neerduwen, verachten erbij hoort. In het verleden is vaker gebleken dat het recht cultuurvormend is. Rechterlijke uitspraken doorbraken meer dan eens de impasse in een politiek of maatschappelijk debat en vestigden een nieuwe praktijk, zoals in medisch-ethische kwesties als euthanasie of abortus. Of men deze uitkomst nu als positief of betreurenswaardig waardeert, dát is de ervaring in de rechtsgeschiedenis. In de Anton de Kom-lezing wees de christen-democraat Ab Klink onlangs op het gevaar dat zo'n cultuurvormend effect ook kan uitgaan van het nieuwe recht dat het kabinet schrijft om de afspraken met Wilders over het immigratie- en integratiebeleid gestand te doen. Over de aard van die cultuur merkte hij op dat onder dat nieuwe recht een agenda ligt waarin de islam als een politieke ideologie en zelfs als fascistisch wordt weggezet.
Misschien is dit wat er aan de hand is met Nederland. Dat de oude krachten van de pluriformiteit het begeven. In het debat is zo vaak het verhaal verteld dat de samenhang in Nederland wordt bedreigd dat het van een veronderstelling politiek gesproken een feit werd. Daar voel ik me onbehaaglijker onder dan onder het onbehagen dat Verhagen verwoordt. Dan liever zijn politieke geestverwant Piet de Jong, 96 inmiddels, die zelf het strand als het begin van de wereld zag.