Wat is er loos met mij?

Laatst kwam de dood op bezoek.

Dit keer niet in de gedaante van mijn vader. Het was een onbekende man - sympathiek, goedlachs - en het leek of hij mij begreep.
‘Wil je echt mee?’ vroeg hij.
Ik zweeg, maar dat was gespeeld. Zoals alles tegenwoordig bij mij theater is.
'Waarom zwijg je nu?’ vroeg de dood toen.
'Omdat ik al het verwijt krijg dat ik te veel praat’, zei ik.
'Tegen mij mag je veel praten’, sprak de dood.
We zaten tegenover elkaar en het verbaasde me dat we zulke goede vrienden leken.
'Vroeger was ik bang voor je’, zei ik.
'Nu niet meer hè?’
'Jawel’, zei ik, 'maar het is nu anders. Er zijn bepaalde mensen die je niet mag meenemen. En ik ben nu bang dat je dat wel doet.’
'Omdat het leven verder moet’, zei de dood.
We haalden beiden onze schouders op.
'Maar je wilt niet echt mee, hè?’ stelde hij.
Ik schudde mijn hoofd.
'Dan vind ik eigenlijk dat je daar ook niet mee moet dreigen’, zei hij.
Ik begon zacht te huilen - dat mag van de dood.
'Ik weet niet meer hoe het verder moet’, zei ik.
'Moet ik dat dan weten? Ik weet dat ook niet!’ De dood leek geïrriteerd.
'En dat is precies wat er met jou loos is’, vervolgde hij.
'Wat is er dan loos met mij?’ vroeg ik.
'Dit! Dit gezeur. Dit gevraag. Altijd maar zeggen: ik weet niet hoe ik verder moet. Altijd maar impliciet vragen: los het voor mij op. Dat is een vorm van onvolwassenheid. Je laat alles maar aan anderen over. Je oordeel is van anderen afhankelijk. Dat is kinderachtig. Hoe moet ik verder met m'n leven, nu er geen liefde is… Weet jij het, dood? En als ik het niet weet, dan wil je dat ik je meeneem. Laat ik je dit zeggen: waar ik vandaan kom, daar is ook geen liefde. Zeker niet voor jou!’
'Ik ben dus onvolwassen’, zei ik.
'Ja. En hoe!’
'Hoe moet ik volwassen worden?’
'Daar heb je het verdorie weer. Vraag het niet aan mij. Vraag het aan jezelf. En geef zelf de antwoorden. Het klinkt goeroe-achtig, ik weet het, maar daar vraag je om. Je moet de dingen zelf doen. En niet vragen: hoe dan. Althans, dat moet je niet aan mij vragen, en ook niet aan anderen. Zelf denken. Niet via anderen denken. Je moet alles zelf doen. Ook dit.’
'Ik heb totaal geen vertrouwen in mezelf!’
'Val me daar niet mee lastig. Zeg dat niet. Tegen niemand. Wat wil je met zo'n uitspraak? Meer begrip? Meer liefde? Wat moeten wij ermee? Hou daarmee op!’
'Wat moet ik dan zeggen?’
'Weer een vraag! Stop met vragen, of vraag iets interessants. Stop met over jezelf te vragen. Vraag eens naar anderen - nu ben ik weer een goeroe voor je. Stop, stop, stop!’
De dood las mijn boeken en vond ze goed. Ik wilde tegen hem zeggen dat ik het raar vond dat ze niet besproken werden, maar je moet geen misbruik maken van het feit dat er eens iemand op bezoek is die macht heeft, vond ik.
Waarom had ik de dood ook weer geroepen? O ja, omdat ik me ellendig voelde.
'Vind je dat ik me aanstel?’ wilde ik vragen, maar ik hield me in - het zou weer een vraag aangaande mezelf zijn.
'Het is moeilijk’, zei ik daarom.
'Het is zeker moeilijk’, antwoordde hij.
Ik staarde in het niets.
'Zal ik maar weer gaan?’ vroeg hij na een tijd.
Ik knikte.
'Hoe het gaat het met papa?’ vroeg ik, ’…ik bedoel: ziet hij wat ik doe?’
'Met hem gaat het goed. De rest van de vraag beantwoord ik niet.’