Met hart en hoofd voor Bernie

‘Wat is er mis met meer gelijkheid?’

Hij wordt bespot en neergezet als te radicaal, onrealistisch en ideologisch. Toch blijkt Bernie Sanders een volwaardige tegenstander van Hillary Clinton in de Democratische primaries. Vanwaar het enthousiasme?

Medium rtx24q7o

Het is goed heet in de tot de nok gevulde gymzaal van de Kennett Middle School in Conway, een plaatsje met ongeveer tienduizend inwoners in het noorden van New Hampshire, maar de tanige man achter het katheder lijkt er geen last van te hebben. De hemdsmouwen opgerold, het hoofd rood aangelopen en enigszins schor van de vele speeches die hij dag in, dag uit geeft – altijd op vol volume – deelt Bernie Sanders, senator uit Vermont en kandidaat voor de Democratische presidentsnominatie, met zijn gehoor wat hij voor heeft met Amerika. De rally is nog geen minuut oud of hij heeft zijn thema al gespuid: ‘Laten we onze democratie terugpakken van de miljardairsklasse.’

Sanders is geen populist à la Donald Trump die maar wat roept teneinde zijn boze publiek te plezieren. In een klein uur bestookt hij zijn gehoor met specifieke voorstellen. Hij wil de grote banken opbreken en de in 1999 herroepen Glass-Steagall-wet herintroduceren, opdat banken niet meer met financiële derivaten mogen speculeren. Hij wil gratis onderwijs en gezondheidszorg voor iedereen, en daartoe de belastingen verhogen voor hogere en topinkomens. ‘Niemand die meer dan veertig uur per week werkt, zou in armoede moeten leven’, zegt Sanders onder aanzwellend applaus en gejoel, als hij voorstelt het minimumloon te verhogen tot vijftien dollar per uur (momenteel 7,25 per uur).

Sinds de jaren zestig, toen de Democratische president Lyndon Johnson zijn Great Society schetste, heeft geen nationale politicus dergelijke voorstellen meer gedaan. Sanders, die zichzelf een ‘democratische socialist’ noemt, dendert voort met zijn verlanglijst. Verplicht zwangerschapsverlof. Doorbetaling bij ziekte. Hervorming van het strafrechtsysteem. Actie tegen klimaatverandering.

Het is eind augustus, en hoewel Sanders in de peilingen nog ver achter Hillary Clinton ligt, trekt hij volle zalen. Clinton mag dan het grote campagnegeld binnenhalen, Sanders oogst het meeste enthousiasme in het land. De luidste instemming krijgt hij van de naar schatting duizend aanwezigen als hij zegt: ‘Er is iets essentieel mis als één familie, de eigenaren van Walmart, meer rijkdom heeft dan de onderste veertig procent van het Amerikaanse volk. Deze economie is oneerlijk en is zo ontworpen dat de winst naar de top gaat. Wij gaan een economie creëren die voor alle mensen werkt.’

Andy Davis, directeur van een retraite-oord voor linkse activisten, geniet. Als inwoner van New Hampshire, waar traditioneel de eerste primary wordt gehouden (dit jaar op dinsdag 9 februari), heeft hij al tientallen presidentskandidaten in levenden lijve gezien. Hij is onder de indruk. ‘Bernie is geen vlotte prater, geen grote charmeur, maar ik houd van zijn stijl. Hij is bevlogen, zelfverzekerd en oprecht. Hij hamert op zijn punten. En zie je het enthousiasme?’

Toch had vermoedelijk ook de politieke veteraan Davis niet verwacht dat het een klein half jaar later maar een haar zou schelen of Sanders had de caucus van Iowa gewonnen. Opmerkelijke statistiek: kiezers onder de veertig kozen in overweldigende meerderheid voor Sanders, kiezers boven de veertig voor Hillary Clinton.

‘Bernie is geen vlotte prater, geen grote charmeur, maar ik houd van zijn stijl. Hij is bevlogen en oprecht’

‘Onderschat Bernie Sanders niet’, schreef Peter Beinart, hoogleraar journalistiek en politicologie aan City University of New York, al in mei 2015 in The Atlantic. Daarmee bedoelde hij ook: onderschat het ressentiment binnen de Democratische Partij niet. Dat richt zich volgens Beinart op ‘wat in 2011 duizenden jongelui naar Zuccotti Park bracht. Het is de overtuiging dat de superrijken Amerika’s economie hebben verstoord en zijn regering en overheid gekocht hebben.’

Sanders was volgens Beinart in een veel betere positie om dit ressentiment uit te buiten dan de meeste commentatoren dachten. Om te beginnen was hij de enige serieuze Democratische uitdager van Clinton, waardoor hij meer media-aandacht zou krijgen dan in een voller veld. Ten tweede zal Clinton vanwege haar banden met vermogende donoren op Wall Street en elders in het bedrijfsleven nooit in staat zijn de linkervleugel van de Democraten voor zich te winnen. En Beinart zag nog een belangrijk aspect: Sanders mag dan misschien niet het charisma hebben van iemand als Elizabeth Warren, de strijdvaardige senator uit Massachussetts, hij is authentiek en oprecht. ‘Sanders houdt al vele decennia vast aan zijn ideologische overtuigingen, hoezeer hij daarom ook door de politieke mainstream werd bespot’, schreef Beinart. ‘En hij verwoordt die overtuigingen onomwonden en ongekunsteld.’

Als voorbeeld haalde Beinart een van Sanders’ eerste tv-optredens aan nadat hij zijn kandidatuur had bekendgemaakt. Hier een ingekorte weergave van het tweegesprek tussen Sanders en interviewer George Stephanopoulos. Sanders, over de rationale achter zijn kandidatuur: ‘Ik ben de enige kandidaat die bereid is de strijd aan te gaan met de miljardairsklasse die onze economie en ons politieke leven controleert.’ Stephanopoulos, nadat Sanders heeft aangegeven dat Scandinavië het beste voorbeeld is van het democratisch socialisme dat hij voor ogen heeft: ‘Ik hoor de Republikeinse negatieve advertentie al: “Hij wil dat Amerika meer op Scandinavië gaat lijken.”’ Sanders: ‘Dat klopt, dat klopt. En wat is daar mis mee? Wat is er mis met meer gelijkheid in inkomen en rijkdom? Wat is er mis met het hebben van een sterkere middenklasse dan wij in menig opzicht hebben?’

Vanaf het moment dat ze in het voorjaar van 2015 bekendmaakte president te willen worden, maar in feite al langer, wordt aan Hillary Clinton gerefereerd als de gedoodverfde, ‘onvermijdelijke’ genomineerde namens de Democratische Partij. Eind april had de helft van de Democraten in de Senaat al zijn formele steun (‘endorsement’) voor Clinton uitgesproken. Inmiddels heeft Clinton endorsements op zak van 38 van de 46 Democratische senatoren, 148 van de 188 Democraten in het Huis van Afgevaardigden en 12 van de 18 Democratische gouverneurs.

Sanders heeft endorsements ontvangen van nul senatoren, nul gouverneurs en twee Huis-Democraten. ‘Geen enkele kandidaat in de moderne geschiedenis heeft zo goed gepresteerd als Sanders en zo weinig steun ontvangen van het leiderschap van de Democratische Partij’, concludeerde Matt Karp, hoogleraar geschiedenis aan Princeton, dan ook in Jacobin.

Ook commentatoren in liberale ‘establishment’-media willen niets weten van Sanders, die doorgaans wordt neergezet als (te) radicaal, onrealistisch en ideologisch. De keuze tussen Clinton en Sanders heet in die contreien er een tussen het hart (Sanders) en het hoofd (Clinton). The New York Times opende zijn endorsement van Clinton met de zin: ‘Kiezers hebben de kans om een van de breedst en diepst gekwalificeerde presidentiële kandidaten in de moderne geschiedenis te kiezen.’ >

‘Sanders wordt zeker niet de Salvador Allende, Hugo Chávez, zelfs niet de Alexis Tsipras van Amerika’

Na wat obligate lof voor het agenderen door Sanders van inkomensongelijkheid, de wegzakkende middenklasse en de behoefte aan grotere militaire terughoudendheid in de buitenlandpolitiek schreef de krant: ‘Zijn stoutmoedigste voorstellen – de banken opbreken en opnieuw de zorg hervormen met een gratis “Medicare-for-all system” (een plan waarbij de overheid de plaats inneemt van de zorgverzekeraars – mvg) – hebben hem steun bezorgd onder kiezers uit de vervreemde middenklasse en jonge mensen. Maar zijn plannen om ze te realiseren zijn niet realistisch, terwijl Clinton op beide gebieden goede, haalbare voorstellen heeft.’

Met zoveel institutionele tegenstand verwacht de beroemde linkse intellectueel Noam Chomsky dan ook niet dat Sanders de Democratische nominatie kan winnen. ‘Verkiezingen in de Verenigde Staten worden in essentie gekocht’, zegt hij in een interview in het Massachussetts Institute of Technology, waar de 86-jarige emeritus hoogleraar linguïstiek nog altijd een werkkamer aanhoudt. ‘De vermaarde campagnemanager Mark Hanna zei een eeuw geleden al: “Om een verkiezing te winnen, heb je drie dingen nodig: het eerste is geld, het tweede is geld en het derde ben ik vergeten.” Clinton beschikt met afstand over het meeste campagnegeld, met haar super-pacs en al dies meer.’

In de politiek bepaalt geld niet alleen de uitkomsten van specifieke verkiezingen, vervolgt Chomsky. ‘Een voornaam onderwerp binnen de politieke wetenschap is het onderzoek naar de relatie tussen publieke opinies en daadwerkelijk beleid. De resultaten zijn shockerend. Het blijkt dat zeventig procent van de bevolking, de onderste zeventig procent op de inkomensschaal, irrelevant is. Hun opinies hebben geen invloed op beleid. Wie iets meer verdient, krijgt een beetje invloed. Maar het is een fractie van de één procent die de basis van het beleid bepaalt.’ Hij concludeert: ‘Beleid houdt dus nauwelijks verband met de opinies van de bevolking. Dat zie je terug in de stemming in het land – van de boze Tea Party ter rechterzijde tot aan de gedesillusioneerde, apathische overblijfselen van wat ooit links was.’

De zorg is in dit verband een goed voorbeeld, zegt Chomsky. ’De attitudes ten opzichte van de zorg worden al zo’n veertig jaar gemeten. Het maakt natuurlijk uit hoe je de onderzoeksvraag formuleert, maar steeds was de uitkomst dat een substantiële meerderheid een bepaalde vorm van een nationaal zorgstelsel wil. De meeste mensen willen zoiets als Canada, maar dat komt vooral voort uit onbekendheid met Europese stelsels. Met andere woorden: de mensen willen Medicare voor de hele bevolking – precies wat Sanders anno 2016 voorstelt.’

Die wens was eind jaren tachtig, tegen het einde van de Reagan-jaren, zo sterk dat ongeveer zeventig procent van de bevolking vond dat er een constitutioneel amendement moest komen, waarin een nationaal zorgstelsel gegarandeerd werd – veertig procent dacht zelfs dat een dergelijk amendement al bestond. Chomsky: ‘Zo voor de hand liggend is het dat je geen zorgverzekering wilt afsluiten, maar gewoon toegang tot zorg wilt.’

Na de verkiezing van Obama, die graag de zorg wilde hervormen, heette een nationaal zorgstelsel à la Medicare-for-all (of ‘single-payer system’) echter ‘politiek onhaalbaar’. ‘Dat is een interessante term als je die in The New York Times leest’, zegt Chomsky. ‘Politiek onhaalbaar betekent dat farmaceutische bedrijven het niet willen, dat de zorgverzekeraars het niet willen. Het maakt geen verschil wat het publiek wil. De Verenigde Staten zijn waarschijnlijk het enige vooraanstaande land waar het de overheid bij wet verboden is om met de farmaceutische bedrijven te onderhandelen over medicijnprijzen die door Medicare worden vergoed. Dat peilingen aangeven dat 85 procent van het publiek daar tegen is, wordt niet eens besproken.’

‘Beleid houdt nauwelijks verband met de opinies van de bevolking. Dat zie je terug in de stemming in het land’

Het huidige zorgstelsel, ook bekend als Obamacare, noemt Chomsky ‘een totaal schandaal’. ‘Het kost twee keer zo veel als in vergelijkbare landen en heeft niet eens goede uitkomsten – wat niet vreemd is als je de zorgverzekeraars het voor het zeggen geeft. Bovendien is het ongelooflijk ingewikkeld. Maar we kunnen het niet veranderen, wat het publiek ook wil.’

Het gevolg volgens Chomsky: totale desillusie. ‘Niets werkt, in ieder geval niet voor ons. Onlangs kwam een interessante analyse uit van de laatste verkiezingen. De econoom Tom Ferguson en de politieke wetenschapper Walter Dean Burnham toonden aan dat de kiespatronen in 2014 hetzelfde waren als in 1830, toen stemmen alleen voorbehouden was aan blanke mannen met eigendom. De studie concludeerde, correct, denk ik, dat het grootste deel van de bevolking gewoon het nut niet inziet van stemmen.’ Grote boosdoener was volgens Chomsky de verkiezing van Obama en zijn presidentschap. ‘Een hoop verwachtingen werden gewekt, vooral bij jonge mensen maar uiteraard ook bij anderen, waarvoor geen enkele basis bestond. Dat heeft veel mensen gedesillusioneerd en apolitiek gemaakt.’

Het maakt het volgens Chomsky extra opwindend dat Sanders toch zoveel enthousiasme weet los te maken. ‘De aantrekkingskracht van Sanders, overigens geen socialist maar eerder een sociaal-democraat, reflecteert de verknochtheid van de meerderheid van de Amerikaanse bevolking aan sociaal-democratisch beleid. Als je kijkt naar de onderzoeken naar opvattingen van zelfs de mensen die roepen dat ze de overheid uit hun leven willen, dan blijkt dat ook zij meer geld aan zorg, onderwijs en de armen willen besteden.’

Iets dergelijks bleek zelfs te gelden voor de houding ten opzichte van ontwikkelingshulp. ‘Als mensen wordt gevraagd wat ze van ontwikkelingshulp vinden, antwoorden ze meestal dat we er te veel geld aan uitgeven. Als je ze dan vraagt een schatting te maken van de uitgaven aan ontwikkelingshulp, dan krijg je een getal dat hopeloos opgeblazen is. Maar als je ze vraagt hoe hoog ontwikkelingsuitgaven eigenlijk zouden moeten zijn, geven ze een getal dat hoger is dan het is.’ De presidentscampagne van Bernie Sanders noemt Chomsky ‘belangrijk en indrukwekkend’. ‘Hij doet moedige dingen. En hij organiseert veel mensen.’

Ook Sanders zelf lijkt dit te beseffen, getuige zijn aanhoudende oproepen tot een ‘politieke revolutie’. Zo ook na het verrassende ‘gelijkspel’ in Iowa, toen hij aan het einde van de avond tegen zijn aanhang zei: ‘Geen president – niet Bernie Sanders, niet iemand anders – kan in z’n eentje bereiken wat nodig is. Wat vanavond begonnen is in Iowa, is een politieke revolutie.’

Chomsky hoopt in ieder geval dat ‘links’ geleerd heeft van de Obama-campagne. ‘De energie van deze campagne moet gericht worden op het bouwen van een blijvende volksbeweging, die zich ten doel stelt echte sociale verandering teweeg te brengen. Besteed niet te veel aandacht aan de verkiezingscyclus. Dat is elke vier jaar een extravaganza waar we ons natuurlijk mee moeten bemoeien en we moeten Sanders steunen. Maar daarna moeten we vooruit. Niet stoppen.’

Ook Hamid Dabashi, hoogleraar vergelijkende literatuur aan Columbia University, ziet het belang van een volksbeweging rond de kandidatuur van Sanders. In een essay op de Al Jazeera-website noemt hij een stem voor Sanders ‘in zekere zin een stem voor de historische voortzetting van de burgerrechten- en anti-oorlogsbeweging van de jaren zestig, de protesten tegen de Irak-oorlog in de jaren nul en de Occupy-beweging in de jaren tien’. Het is een beweging die in de afgelopen halve eeuw alleen maar zwakker is geworden, constateert Dabashi. De Sanders-campagne noemt hij dan ook slechts ‘een vleugje hoop dat wellicht een bescheiden katalyserend effect heeft op de Amerikaanse politiek’.

Zelfs als Sanders tegen alle verwachtingen in Clinton verslaat en in de algemene verkiezingen van de Republikeinse kandidaat wint, dan nog ziet Dabashi geen aardverschuiving plaatsvinden in de Amerikaanse politiek: ‘Sanders wordt zeker niet de Salvador Allende, Hugo Chávez, zelfs niet de Jeremy Corbyn of Alexis Tsipras van de Verenigde Staten. Dat heeft niets te maken met hem, maar alles met de structurele beperkingen van het agressieve, oorlogszuchtige imperium waarvan hij president wil worden.’ Nog wranger: ‘En juist die structurele beperkingen maken het zo moeilijk voor hem om gekozen te worden.’ Wellicht het treffendst wordt de rationale voor Sanders’ kandidatuur dan ook verwoord door een bumpersticker die sinds enkele maanden in omloop is en waarop geschreven staat: ‘Bernie 2016, because f**k this shit.’


Beeld: 30 januari, Bernie Sanders arriveert bij een campagne-evenement op Wartburg College in Wavely, Iowa (Mark Kauzlarich/Reuters)