Wat is ‘godverdomme’ in het zweeds?

Rita Verschuur, Vreemd land. Uitgeverij Van Goor, 144 blz., f24,50
TOEN RITA Verschuur besloot haar jeugdherinneringen te gaan publiceren, deed ze dat onder haar meisjesnaam, ook al had ze als Rita Tornqvist al bijna twintig jaar kinderboeken geschreven en vertaald (Astrid Lindgren). Hoe moet dat nu met die papillotten (1993) en Mijn hersens draaien rondjes (1994) bestrijken samen de periode van 1940 tot 1948, voor de schrijfster die tussen haar vierde en twaalfde jaar. Verschuur vertelt erover in ultrakorte, zorgvuldig geformuleerde zinnen en hoofdstukjes die zelden meer dan een pagina beslaan. Ze gaan over de oorlog en wat een kind zich daarvan herinnert: luizen, taart van tulpebollen en Canadezen die kauwgum uitdelen. Bij de vrede horen walvisvlees uit blik en ongestoord het Wilhelmus zingen op de fiets. Meer nog dan oorlog en vrede bepaalde de scheiding van haar ouders Verschuurs kinderjaren. Ook daarover bericht ze met precisie en met een laconisme als betrof het de ervaringen van een ander meisje.

In verhouding tot vroeger werk heeft de auteur door de eenvoud en kleinheid van schrijven belangrijk aan zeggingskracht gewonnen. Toch houd ik een zekere reserve: aan het beeld van de Tweede Wereldoorlog in het kinderboek wordt weinig toegevoegd en andere herinneringen zijn soms zo particulier dat ze mij niet aan lijken te gaan.
Met het zojuist verschenen derde deel, Vreemd land, heb ik echter het gevoel een bescheiden meesterwerk in handen te hebben. De kinderlijke, soms wat wijsneuzige waarnemingen zijn hier door de begrenzing in tijd en thema uitgetild boven het autobiografische.
TWAALFJARIGE Rita gaat in de zomer van 1948 twee weken in haar eentje vakantie houden in een Zweeds gezin. Met al haar zintuigen op scherp wordt een beschouwend kind ondergedompeld in een andere cultuur. Je mag buiten zomaar overal plassen en bloot zwemmen met mannen en vrouwen door elkaar. Je mag je koekje soppen in de koffie en voor oudere mensen moet je een buiginkje maken. Het is eng en spannend en met de nooit eindigende voorraad gehaktballetjes, melk, wit brood en taartjes is het er luilekkerland. Soms loert de ‘thuispijn’: 'Dat is het grappige van een reis naar het buitenland. Dat je dan je gedachten naar huis kunt laten gaan. Dat kan je niet doen als je thuis blijft, want dan zijn ze er al.’
Verschuur cirkelt rondom begrippen als cultuur en identiteit en slaagt erin iets te laten zien van de rol die taal daarin speelt. Ze windt zich op over haar leerboek waarin het gaat over karnen en kaas maken: 'Denkt die mevrouw van dat boek soms dat iedereen die Zweeds leert naar een boerderij gaat? Ik vind dat je juist heel andere dingen moet leren, zoals buikpijn en moe en honger en koorts.’ In het Zweeds zou ze er lustig op los kunnen vloeken, terwijl ze 'godverdomme’ haar mond haast niet uit krijgt. En wat te denken van opa en oma. De een kent Portugees, de ander Zweeds en ze zijn veertig jaar getrouwd: 'Elke nacht liggen ze naast elkaar te slapen. Allebei hebben ze een taal in hun hoofd die de ander niet verstaat.’ En als ze alletwee hardop dromen in die taal: 'Dan wekken ze elkaar met onbegrijpelijke woorden. Dan zijn ze even vreemdelingen voor elkaar.’
Zulke observaties laten vooral ook de basis zien voor een schrijverschap dat pas bijna vijftig jaar later verrassend tot bloei is gekomen.