Wat is nederland toch een solidair landje!

Wie de deze week verschenen Sociale en Culturele Verkenningen 1997 leest, zal een gevoel van gêne niet kunnen onderdrukken. Wat zijn we content met onszelf! De wave van premier Kok tijdens de laatste Algemene Beschouwingen, ter meerdere eer en glorie van zijn eigen kabinet, wordt op het oog overgenomen door een tevreden natie.

Op het oog, want soms nemen de burgers van Nederland de plannen van paars wat al te letterlijk. Waar minister Wijers droomt van ‘ontkoppeling’ van economische groei en milieuvervuiling, ontkoppelen de Nederlanders milieu en inkomen nog wat drastischer. Uit de SCP-cijfers blijkt dat hoe hoger de afgelopen jaren de economische groei was, des te minder de aandacht voor het milieu. Paars heeft van groen weinig te vrezen.
Op andere terreinen lopen de burgers echter in positieve zin in de pas van paars. Zo blijkt uit de talloze tabellen dat zich een royale meerderheid aftekent voor een verhoging van de sociale uitkeringen: de welvarende meerderheid wil de steeds armere minderheid laten delen in de voorspoed. Dat is verheugend, want de groep die het economisch en sociaal slecht gaat mag kleiner worden, de ellende die met name alleenstaanden, ouderen en etnische minderheden treft, wordt met het jaar groter.
De SCP-verkenningen laten zien dat het in Nederland niet zinvol is te spreken van een 'tweedeling’ wanneer daarmee gedoeld wordt op twee groepen, welgestelden en achtergestelden, die ongeveer even groot zouden zijn, noch is er sprake van een Zweidrittel-maatschappij, waarbij een derde van de inwoners slecht af is. In Nederland gaat het om tien procent van de inwoners die vaak alleen basisonderwijs hebben, nauwelijks (vast) werk en steeds minder te besteden. We leven dus in een 'negen-tiende’-maatschappij waarin 'een beperkt deel van de bevolking structureel achterblijft’. Waar paars als winning team vooral een club is voor degenen aan de goede kant van de streep, doet het deugd dat de negentig procent de tien procent weer gekoppeld wil zien.
Of de solidariteit van de Nederlanders zich ook uitstrekt tot buiten de landsgrenzen, komen we uit de Sociale en Culturele Verkenningen niet te weten. Het gaat in dit rapport weer over veel, maar niet altijd over even verrassende of interessante zaken. Waarom bijvoorbeeld altijd die aandacht voor schoolopstel-achtige zaken als medische ethiek? Met voorspelbare constateringen als: 'De Nederlandse regering is eensgezind ruimdenkend over vragen rond voortplanting en de toepassing van euthanasie’. Zo wordt de Nederlandse samenleving wèl in een internationale context geplaatst - en ook dat stemt tevreden - maar of we ruimhartiger zijn gaan denken over onze mogelijke bijdrage aan landen die het minder goed gaat, horen we niet. Zou het bedrag dat we aan ontwikkelingssamenwerking besteden verhoogd kunnen worden, nu we niet alleen in absolute, maar ook relatieve zin zo welvarend zijn? Is deze vorm van delen met den vreemde geen mooie, nieuwe invulling voor wat Den Haag 'koppeling op afstand’ noemt?