Sappho

Wat je bemint

Wat Sappho tot een bijzonder en ‘modern’ dichter maakt, is de scherpe blik waarmee ze gevoelens analyseert. Nu is er ook een vertaling in een eigentijds idioom.

IN 1834 PUBLICEERDE Jacob van Lennep, volgens literatuurhistoricus Knuvelder de ‘grondlegger van het olijke snuiterschap in onze achtbare Staten-Generaal’, een boekje van tachtig bladzijden met de titel Saffo: Een Zangspel. Het betrof het libretto bij een opera van Johan van Bree, een muzikaal drama dat in die jaren tamelijk veel succes gehad schijnt te hebben. Het loont de moeite Van Lenneps pennenvrucht te lezen, want poëzie die zo abominabel is als die van deze deftige schuinsmarcheerder, krijgt men zelden onder ogen. Net als in opera’s heeft het stuk een plot die zo ingewikkeld is dat men er moedeloos van wordt, terwijl er werkelijk geen fraaie volzin in staat. Het meest opmerkelijk is echter het feit dat Van Lennep erin is geslaagd de Lesbische dichteres geen enkele keer te citeren, laat staan dat hij refereert aan haar gelijkgeslachtelijke liefdesleven.


Het werkje van Van Lennep is in meer dan één opzicht representatief voor de receptiegeschiedenis van Sappho. Van Sappho’s leven (ca. 600 v. Chr.) is zo goed als niets bekend, hetgeen honderden dichters, schilders en geleerden er niet van heeft weerhouden vrij gedetailleerd op haar dramatische avonturen in te gaan. Bovendien is ook van haar omvangrijke oeuvre — negen boekrollen — bijna niets bewaard gebleven, zodat je rustig kunt volhouden dat zij de grootste lyrische dichteres aller tijden is, omdat zo’n uitspraak toch niet valt te verifiëren. Van Lennep is echter in zoverre niet representatief dat zijn zangspel opvalt door een totale afwezigheid van seksualiteit. Door de eeuwen heen is immers over geen enkele dichter zo besmuikt geroddeld als over Sappho.


De basis voor die roddels wordt gevormd door een handvol fragmenten waarin een vrouwelijke ik, die zichzelf een enkele keer Psappho noemt, een vrouwelijke jij haar warme, soms ronduit hete gevoelens verklaart. Of deze fragmenten een goed beeld geven van Sappho’s totale oeuvre weten we niet. Eén gedicht is compleet overgeleverd, verder zijn er een stuk of twintig fragmenten waarmee we nog wel uit de voeten kunnen, en ongeveer tweehonderd losse regeltjes of woorden, vaak om grammaticale of metrische redenen geciteerd door obscure auteurs uit de late Oudheid. Maar ook in de wat grotere fragmenten zijn soms woorden of hele regels verdwenen, gehavend overgeleverd of onbegrijpelijk, en zelfs als we een gave strofe in handen hebben weten we vaak niet hoe de tekst geïnterpreteerd moet worden. Niet alleen schrijft Sappho een — door latere overschrijvers vaak gebrekkig beheerst — Aiolisch dialect, ook valt de gevoelswaarde van overigens herkenbare woorden nauwelijks na te gaan, omdat de rest van de literatuur uit Sappho’s tijd vrijwel geheel verloren is gegaan. Daar komt nog bij dat we ook al geen enkele onafhankelijke bron hebben om ons te informeren over de sociale omstandigheden waaronder deze poëzie is ontstaan, ten gehore gebracht, gepubliceerd en ontvangen. We weten gewoon niets.



ONDER DE LUTTELE tientallen regels die interpretabel zijn, bevinden zich echter passages die dermate pakkend en onthutsend zijn dat het begrijpelijk is dat lezers altijd de drang hebben gevoeld ook uit de kleinste snippertjes nog betekenis te puren. Hoe minder er bekend is, des te meer kun je erin leggen. Sappho’s werk is een paradijs voor filologen en dichters. ‘Van Sapfo ben ik gaan houden/ sinds de vernietiging/ haar teksten heeft ingekort’, zegt Hans Faverey.


De haast mythische status van die fragmentjes lijkt me in de meeste gevallen onverdiend. Wat moeten we met een tekst als de volgende: ‘denk daaraan/ want in onze jonge jaren deden wij/ niet anders.// Want van de vele en mooie dingen/ hebben wij … in de stad…’? Niet erg boeiend, dacht ik. ‘Kom bij me staan, geliefde/ en laat je ogen stralen’ — kitsch; ‘…en op een zacht kussen/ zal ik mijn lichaam uitstrekken’ — nou én?


De stijl van de leesbare gedichten wordt gekenmerkt door een eigenzinnig mengsel van trefzeker geplaatste doodgewone woorden en verheven wendingen uit het episch idioom van Homeros. Sappho’s zinnen zijn welluidend, kort en krachtig; de wijze waarop ze de verschillende versvormen hanteert is virtuoos. Maar wat haar tot een bijzonder en in onze ogen modern dichter maakt, is de scherpe blik waarmee ze gevoelens analyseert. Ze objectiveert zichzelf, constateert nu eens met meewarige compassie, dan weer met snijdende ironie dat ze een zootje van haar gevoelsleven heeft gemaakt. Zeuren of zwijmelen doet Sappho niet, aan week vrouwengedoe heeft ze een hekel. ‘Mascula Sappho’ noemt Horatius haar, Sappho de kerel.


Sterk is een gedicht dat in de nieuwe vertaling van Mieke de Vos zo begint: ‘Sommigen zeggen dat een leger van ruiters/ het mooiste is op de donkere aarde, anderen/ voetvolk, weer anderen schepen, maar ik zeg:/ wat je bemint.’ Als voorbeeld om die stelling te onderbouwen wordt Helena opgevoerd, die alles in de steek liet om Paris naar Troje te volgen. De situatie waarin Helena’s dierbaren verkeren wordt dan vergeleken met die van de ik, die een zekere Anaktoria moet missen, waarna het gedicht weer bij het uitgangspunt terugkomt: ‘Liever zou ik haar sierlijke tred, haar helder/ stralend gezicht willen zien, dan al de/ Lydische strijdwagens en zwaarbewapende/ krijgers te voet.’



DE VOS HEEFT Sappho’s taal in een eigentijds idioom vertaald, wat winst is ten opzichte van de oudere vertalingen van P.C. Boutens en Paul Claes. Dat is dan ook meteen de enige winst, want verder maakt De Vos zich schuldig aan alles wat zij haar voorgangers in het nawoord verwijt. Een groot nadeel van deze vertaling is dat ze niet zingt, hetgeen verklaard wordt door het absurde uitgangspunt dat De Vos gekozen heeft: de vertaling moest evenveel lettergrepen per regel tellen als het origineel, iets wat geen oor, hoe getraind ook, ooit zal opmerken. In poëzie gaat het om ritme, niet om het afpassen van lettergrepen. Gevolg van dit uitgangspunt is — wat we in vrijwel alle vertalingen van Griekse en Latijnse poëzie tegenkomen — dat veel regels uitermate lullig eindigen met lidwoorden of voorzetsels.


Veel erger is dat woordherhalingen, een van de middelen waarmee Sappho haar gedichten structureert, meestal niet zijn overgenomen, dat lapidaire woordgroepen zijn uitgebreid en dat sommige fragmenten op onverdedigbare wijze zijn aangevuld. Een woord als ‘apalos’ (zacht), een van Sappho’s favoriete woorden, verschijnt in deze vertaling als ‘mooie blanke’ (hals), ‘jonge’ (vriendin) en ‘bloeiend’ (meisje), in dit laatste fragment om een woordspeling te maken die in het Grieks ontbreekt: ‘Ik zag een bloeiend meisje bloemen plukken.’ Omdat er al zo weinig staat, moet dat weinige zo precies mogelijk vertaald worden, zeker omdat Sappho zo precies schrijft.


De vertaling bevat ook regelrechte fouten: ‘hoe we je met zorg omringden’ wordt ‘hoe we van elkaar hielden’; ‘ik weet niet wat ik moet doen’ wordt zweverig ‘ik weet niet wat ik wil’; verliefdheid die ‘om je heen fladdert’ blijkt bij De Vos te dansen.


De meeste afwijkingen van het Grieks die de vertaalster zich veroorlooft, vertonen dezelfde tendens: in plaats van een intelligente vrouw die hard is voor zichzelf en voor anderen, verandert Sappho in een lievig meisje dat te veel doktersromans heeft gelezen. Nog één voorbeeld. ‘Welke boerin heeft jouw verstand betoverd…/ in haar boertige omslagdoek…/ ze weet niet hoe ze haar rokken moet optillen/ boven haar enkels?’ Maar ‘boertig’ is echt iets heel anders dan ‘boers’, een ‘stola’ is geen omslagdoek maar een jurk, en ‘brakea’ zijn geen rokken maar lompen of lappen: een goor wicht getransformeerd tot een grappig vrouwtje in klederdracht. Jammer. Erg jammer.



Sapfo, Gedichten. Vertaald en toegelicht door Mieke de Vos, uitg. Athenaeum, Polak & Van Gennep, 80 blz., ƒ24,90