James Salter

Wat je je herinnert

Wie een verhaal van James Salter leest raakt hoe dan ook betoverd. Altijd zit in zijn werk de rouw om het voorbijgaan der dingen gebakken, maar in zijn nieuwste roman komt er nog iets extra wreeds bij kijken, zo lijkt het.

James Salter, All That Is, EUR 24,95

Een nieuwe roman van James Salter, dat is niet minder dan een sensatie. Het lijkt alsof het geschrevene onder hem vandaan moet worden getrokken, zo klein en precieus is zijn oeuvre. Eind jaren vijftig vorige eeuw debuteerde hij met een roman over zijn ervaringen als oorlogs­piloot in Korea, ruim tien jaar later publiceerde hij A Sport and a Pastime, een roman die een zekere erotische cultstatus bereikte, zes jaar later verscheen zijn grote huwelijksroman Light Years. Er verschenen twee bundelingen van zijn fenomenale korte verhalen, met een tussenpoos van bijna twintig jaar. Daarnaast publiceerde hij herinneringen, aan zijn jaren als piloot, en reisreportages.

Misschien is het niet eens zozeer de omvang van zijn werk, als wel de toon die maakt dat iedere zin van deze schrijver er één lijkt. Salter is een herschrijver. Een writer’s writer wordt hij ook wel genoemd, een altijd wat suspecte betiteling. Te moeilijk voor de gewone lezer? Tegelijkertijd is hij juist een schrijver met fans, iemand aan wie je bijna bij voorbaat een hekel zou hebben omdat hij met de dweperigheid van de fijnproever wordt omringd. Allemaal ­onnodige ballast. Wie eenmaal een verhaal van hem heeft gelezen, raakt hoe dan ook betoverd. Het bijzondere van Salter’s gecondenseerde vertelkunst, die onthult door heel veel te vérhullen, is dat hij die kunst ook in zijn romans volhoudt. A Sport and a Pastime en Light Years zijn gave romans, volkomen geslaagd in zichzelf, exceptio­neel in hun vertelwijze. In zijn nieuwe roman steekt de verhalenverteller echter voortdurend de kop op, ten koste van de romanschrijver. Of lijkt dat maar zo? Feit is dat All That Is Salter op zijn best en ergst toont; uitwaaierend, niet helemaal gefocust, zichzelf telkens hernemend.

De held, Philip Bowman, is een soort Don Draper, een buitenstaander pur sang, iemand die naar zich laat raden, die op jacht is maar zichzelf nooit laat vangen. Geen reclameman weliswaar, maar een redacteur bij een literaire uitgeverij. Een mooie springplank om een tijdsbeeld te schetsen, van de jaren vijftig tot tachtig, van literatuur die steeds meer handel wordt, de uitwisseling tussen Amerika en Europa, rijke uitgevershuizen, borrels, partijen, vrouwen, zo ontzettend veel vrouwen. Het is een lijvige roman waarin een heel leven wordt omspannen en heel veel levens worden aangestipt. Het lijkt alsof de schrijver, die dit jaar 88 wordt, voor de aller-allerlaatste keer het leven, de liefde, de schoonheid, de seks, wil bezingen. Maar misschien is dat allerlaatste ook wel onzin. De rouw om het voorbijgaan der dingen zat altijd al in zijn werk gebakken.

In All That Is komt er echter nog iets extra wreeds bij kijken. Maar misschien verbeeld ik het me.

James Salter werd geboren in 1925 en groeide op in New York. Om zijn vader een plezier te doen, zo beschrijft hij dat in zijn autobiografie Burning the Days (2006), besloot hij na de middelbare school zich aan te melden bij de militaire academie West Point. Daar werd hij gedrild tot piloot. Van 1945 tot 1957 was hij gevechtspiloot voor de Amerikaanse luchtmacht en vocht hij in Japan en in Korea. Toen zijn eerste roman uitkwam, verliet hij de dienst en legde zich toe op schrijven. Hij probeerde met wisselend succes aan de bak te komen als scenarioschrijver in Hollywood en reisde veel, woonde onder meer een tijdlang in Parijs. Die Franse periode komt terug in zijn vreemde, opwindende roman A Sport and a Pastime (1967), in Nederlandse vertaling verschenen in 1997 als Spel en tijdverdrijf.

In een Paris Review-_interview, uit 1993, verklaart Salter dit zelf als zijn beste werk te beschouwen. Let wel: toen moest de verhalenbundel _Last Night nog verschijnen, en natuurlijk ook All That Is. Maar waarschijnlijk zal hij dit nog steeds zijn beste werk vinden. Het is compromisloos en authentiek, zozeer dat het in eerste instantie wat gedateerd overkomt, zoals ook The Great Gatsby dat doet. Salter zet een daaraan verwante wereld neer, van zelfverklaarde bohémiens en landerige vagebonderie van would-be Scott Fitzgerald-achtigen. Beetje rondhangen, reizen, in open auto’s het Franse platteland doorkruisen, geld speelt geen rol. Alles ademt een totale odeur van vrijheid.

De verhouding tussen de Amerikaanse student Dean en het Franse ‘burgermeisje’ Anne-Marie staat centraal. Het bijzondere van de roman is de manier waarop hun geschiedenis wordt verteld, namelijk ‘getrapt’, via een verteller die misschien alles zelf verzint, of zelf stiekem het hoofdpersonage is maar zich verschuilt achter zijn vertellersrol. Die vertelstem van buiten geeft het relaas van hun verhouding iets voyeu­ristisch, maakt het verhaal van de niet voor de hand liggende verhouding (steeds wordt benadrukt hoe armoedig de kleding van Anne-Marie is, hoe hoerig haar voorkomen, hoe rot haar tanden zijn, hoe weinig belezen ze is) zelfs eigenlijk nog ‘echter’. Anne-Marie heeft een fluwelen huid, prachtige borsten, dito billen, kuiten, alles. En ze is bereid te volgen. Tegelijkertijd neemt de schrijver met een dergelijke verteller een veilige positie in, met zo’n seksueel geladen verhaal, zo’n door en door fysieke orgie van ‘satanisch geluk’. Alsof hij er ook maar een beetje bijstaat.

In het _Paris Review-_interview vertelt Salter dat eens in de zoveel tijd weer iemand het boek aan hem gaat uitleggen. En dat hij ook met enige regelmaat wordt benaderd door regisseurs die het boek willen verfilmen. Voorstellen die hij afwijst omdat het volgens hem onmogelijk is de roman te verfilmen. Je zou denken vanwege de ambiguïteit die dat vertelprocédé met zich meebrengt, en die in een verfilming misschien verloren gaat, maar die ambiguïteit ontkent hij juist.

‘Naar mijn idee is het boek duidelijk. Ik zie de ambiguïteit niet, maar aan de andere kant, je weet zelf nooit precies wat je schrijft. Afgezien daarvan, hoe kun je je eigen werk verklaren? Het is ijdelheid.’

Gelukkig vraagt de interviewer hem ook naar het vertelperspectief. ‘Camouflage’ noemt Salter dat.

What do you mean?

Salter zegt dan dat het boek moeilijk te schrijven zou zijn geweest vanuit de eerste persoon, oftewel Dean’s stem. En als het in de derde persoon geschreven zou zijn, zou het ‘little disturbing’ zijn geweest vanwege de seksuele explicietheid. Dus zocht hij een intermediair. Ik weet niet wie die verteller is, zegt hij. Je zou kunnen zeggen dat ik het ben, dat is mogelijk. ‘But truly, there is no such person. He’s a device. He’s like the figure in black that moves the furniture in a play, so to speak, essential, but not part of the action.’

De interviewer merkt vervolgens op dat die vertelstem het lezen van de roman tot een voyeuristische sensatie maakt. Inderdaad, zegt Salter. Dat maakt het opwindend, iets te zien wat verboden is, iets natuurlijks en niet in scène gezets, iets wat niet weet dat het gezien wordt.

Afgezien van dat voyeurisme speelt seks een belangrijke rol in Salter’s werk, ook in Light Years, en zeker ook in All That Is, de nieuwe roman, en seks wordt ook buitengewoon goed door hem beschreven, in een perfecte balans van suggestie, precisie, gewaagdheid. Geluk is voor Salter’s personages, kinderen van het Freud-tijdperk, seksueel geluk.

Light Years (1975) vertelt de geschiedenis van het huwelijk van Viri en Nedra, een New Yorks koppel dat we volgen vanaf hun 28ste. Ze bewonen een huis buiten New York, aan de Hudson, het wordt beschreven als het paradijs, met land rondom, een pony, een terrarium, een hond en kippen. En twee opgroeiende dochters, Franca en Danny. Viri leest ze voor, maakt zelf verhalen voor ze, Nedra schikt de bloemen, schenkt de wijn. Steeds brandt het vuur, komen er vrienden op bezoek. Ze doen bij Zabar’s de lekkerste boodschappen. De eerste barstjes in het huwelijk treden op zonder enige introductie of verklaring. Het feit dat Nedra een paar keer per week een rendez-vous heeft met de vriend des huizes, Jivian, wordt alleen maar vanzelfsprekend beschreven, rustig, idyllisch en ultiem sexy. Er zijn twee levens van Vira en Nedra, één aan de buitenkant en één aan de binnenkant, en dat is een gegeven, geen probleem. Light Years is ook de eerste en enige roman – die ik ken – waarin een ‘overspelige’ vrouw niet wordt gestraft, zij het dat de gemeenschappelijke idylle wordt opgebroken. Maar dat doet zij willens en wetens; het is ook iets wat ze haar dochter Franca, haar grote liefde, voorhoudt: geef niet op, blijf alleen.

Light Years is – wederom – lyrisch geschreven, vol opsommingen en associaties, waardoor iets als een constante werkelijke onderstroom ontstaat, iets heel levendigs. Heel veel beschrijft Salter gewoonweg níet, en toch geeft hij je het idee alles wat ertoe doet te laten zien. Beschrijving, dialoog, uiterlijk, innerlijk, alles dient zich in grillige afwisseling aan.

Ik kan hetzelfde schrijven over All That Is. Zij het dat in deze nieuwe roman de onderliggende verhalen zich aaneenrijgen als een ketting, met voortdurend meanderende perspectieven. Bowman is weliswaar de centrale figuur, maar even zo makkelijk worden andere levens eventjes belicht, of zelfs volledig beschreven. Het maakt de roman hecht en chaotisch tegelijkertijd, al overheerst het gevoel van totaliteit, de tijd die verspringt, altijd de vrouw, de seks, de belofte van totaal plezier en overgave. Salter zal ook op hetzelfde uit zijn geweest: het leven vastleggen zoals je dat in een rijdende trein aan je voorbij ziet flitsen. ‘Ik wilde een boek componeren van de dingen die je je van je leven herinnert’, zei hij over Light Years. ‘De plot van het boek is het voorbijgaan van de tijd en wat dat doet met mensen en dingen.’

Tegelijkertijd leken zijn beide vorige romans een dam op te werpen tegen die stroom: de verhouding tussen Dean en Anne-Marie, het huwelijk van Viri en Nedra, ze werden beschreven in hun exceptionaliteit, hun onherhaalbaarheid. Het was gezien en onthouden. In het verhaal Ogen van de sterren, opgenomen in Laatste nacht (2006), herinnert een vrouw zich hoe ze als vijftienjarige de bierflesjes hoorde rollen achter in de auto waarin een oudere schrijver iedere ochtend met haar vrijde, en ze niet wist of ze haar leven begon of vergooide, ‘maar ze hield van hem en zou het nooit vergeten’.

In All That Is zet Salter in feite een stapje verder, door zich niet te concentreren op één centrale liefdesverhouding, maar Philip Bowman, de ongrijpbare, te volgen in zijn allianties. En daar komt dan ook de wreedheid om de hoek kijken. Want wat blijkt? Bowman kan zich keer op keer laten betoveren, bedwelmen, en zeker weten dat hij de vrouw van zijn leven heeft gevonden, weet zichzelf en haar fysiek wederom te verbazen, uit te putten. Zijn vermogen absoluut geluk na te streven lijkt te corresponderen met een ontstellend gebrek aan geheugen. Maar dat ‘ontstellend’ komt uit mijn koker, niet uit die van de schrijver. Die is waarschijnlijk gewoon wel wijzer, en berustender, geworden inmiddels. Hij schrijft in ieder geval doodgemoedereerd een zin als de volgende: ‘The year he had the house, the spring of that year and that summer were the happiest time of his life although some of the earlier times he had forgotten.’

Zo vergeet hij ook wat hem bezielde te trouwen, kan hij zich de stem van zijn eerste vrouw niet meer herinneren, en wat ooit te groot voor woorden leek, onbevattelijk, wordt een verzameling van vage incidenten. Wat in het avondlicht nog een magisch oord leek, blijkt de volgende ochtend een huis zonder boeken, de muren bekleed met een gestreept behangetje. All That Is gaat uiteindelijk over zinsbegoocheling, en het oneindige vermogen tot zelfbedrog. Wreed omdat Salter er zo goed in is zijn personages voortdurend in de mogelijkheid van het geluk te laten geloven. En dus ja, daar gaat hij weer, Bowman, ‘a great time’ tegemoet, met Ann, in Venice, waarom niet.

james Salter

All That Is

Knopf Publishing Group, 304 blz., € 26,99