Wat kan, dat mag

De mens kan plezier beleven aan agressie tegen dieren en tegen mensen. Hij is daarmee wellicht het enige perverse wezen. Of is dit genot gerechtvaardigd, net als esthetisch en culinair genot? Deel één van een tweeluik over ethiek. Zijn wij wel in orde?

EEN GROEPJE mensenkinderen heeft een middag vrij en speelt. Spelen is een biologische activiteit die vermoedelijk te maken heeft met overtollige energie en die je wel vaker ziet bij jonge levende wezens. Soms spelen jonge levende wezens met zichzelf (ze zitten hun eigen staart achterna), soms ook met andere levende wezens (pups onderling, of pups met de moeder). Soms neemt het spel gruwelijke vormen aan: de kat met de muis. De mens is het levende wezen dat dit soort spelen gruwelijk noemt. Nochtans beoefent hij ze zelf, zowel met soortgenoten als met andere levende wezens. Gruwelijke spelletjes met soortgenoten zijn in principe verboden en worden bestraft, met andere levende wezens zijn ze toegelaten. Op deze woensdagmiddag bestaat het speelgoed uit levend materiaal: sprinkhanen, mieren en pissebedden. Het spel neemt onder meer de volgende vormen aan: de poten van de sprinkhanen worden uitgerukt en de sprinkhanen zelf worden in de magnetron geroosterd (maar niet opgegeten), een aantal insecten wordt in een glazen bokaal gestopt die met behulp van een brandende kaars zuurstofvrij wordt gemaakt (de kinderen zijn al wat ouder en weten al wat wetenschap is), een groepje mieren wordt samen met een pissebed geïsoleerd tot de mieren met zijn allen de pissebed hebben gedood. Het motief is in al deze spelen geen ander dan toekijken, en het toekijken gaat gepaard met groot plezier. Ook de moeder kijkt af en toe toe, al heeft ze het druk met andere dingen. Haar verschaft het toekijken geen plezier. Liefst van al had ze gewild dat de kinderen vanzelf zouden stoppen met dit spel, en dat ze dit soort spelletjes helemaal niet zouden spelen. Tegelijk weet ze natuurlijk wel dat zoiets volkomen normaal is bij kinderen, het is een onschuldig soort wreedheid, kinderen beseffen niet goed wat ze doen, en bovendien zijn er meer dan genoeg mieren en pissebedden, te veel zelfs, in de keuken heeft ze immers zelf lokdozen met gif geplaatst om de mieren te verdelgen, en intussen is het ook nog oorlog onder de mensen, en wat is een miereleven vergeleken met het leven van een mens. Toch heeft ze het gevoel dat het niet helemaal in orde is. OVER WELKE MIDDELEN beschikt deze moeder om te verhinderen, gesteld dat zij dat zou willen, dat haar kinderen dit soort spelletjes zouden spelen? Ze kan het verbieden. Dan wordt misschien het gewenste resultaat bereikt (hoewel het net zo goed mogelijk is dat de kinderen hun spelletjes voortaan een heel eind verderop gaan spelen, of bij de buren, waar het wel mag), maar er komt geen inzicht tot stand in de reden waarom iets niet ‘in orde’ is, en evenmin krijgen de kinderen zelf het gevoel dat het niet in orde is. Wat hen betreft is het allemaal wel in orde, het is alleen maar verboden, meer niet. Ze kan het hebben over dierenleed, de pijn die deze primitieve levensvormen voelen wanneer hun bijvoorbeeld een poot wordt afgerukt. Maar als argument werkt dat niet echt overtuigend. Om te beginnen: voelen ze wel pijn? Er komt geen geluid uit, ze kermen niet, ze kijken je niet angstig in de ogen zoals een konijn of een groter, meer 'menselijk’ dier. Mieren zijn zo klein, hun pijn moet haast onvermijdelijk ook veel kleiner zijn, en ze hebben geen bewustzijn, dus niet eens een besef van hun eigen pijn. En bovendien, gesteld dat er wel pijn is, dan is die pijn er ook bij de mieren die sterven door het gif in de lokdozen, en ook bij de sprinkhanen die in sommige exotische restaurants worden geroosterd om opgegeten te worden, of bij de rupsen die de kinderen in Afrikaanse landen levend uit de struiken plukken en als lekkernij verorberen. De pijn is er dan ook bij de wormen die als lokaas worden gebruikt bij het vissen, bij de oesters die levend worden opgeslurpt, de kreeften die in kokend water worden gegooid (al zegt men dat die geen centraal zenuwstelsel hebben en dus geen pijn, maar wie weet?), de varkens die worden gekeeld en die langzaam doodbloeden. Dan zou je dat ook allemaal moeten verbieden, en inderdaad zijn er mensen die dat op grond van dit argument zouden willen, zoals er zelfs mensen zijn die haast weigeren nog te ademen of die geen voet meer durven te verplaatsen omdat ze de vele onzichtbare micro-organismen niet willen vernietigen. Maar wat doe je dan met het spel van de kat met de muis, met de leeuw die de zebra verslindt zonder voorafgaande verdoving, met de koe die het gras tergend langzaam vermaalt, en zelfs nog een tweede keer hermaalt? Waarop baseer je de eis dat de mens op een radicaal andere manier met zijn prooi en levend speelgoed zou moeten omgaan? En ten slotte, stel dat het onomstotelijk bewezen zou zijn dat insecten of andere diersoorten geen enkele vorm van aan pijn verwante gewaarwording kunnen hebben, zou het dan plots allemaal wél 'in orde’ zijn? Kun je zonder enig bezwaar bomen en planten vernietigen? Kun je de materie onbeperkt schade toebrengen omdat materie geen pijn voelt en geen gedachten heeft? KINDEREN ZIJN NIET makkelijk te overtuigen. Een veelbelovende route is de volgende. Stel dat het je zelf overkwam. Stel, je bent zelf zo'n klein dier (wat je in feite bent), en een wezen met reusachtige afmetingen pikt je op tussen duim en wijsvinger en begint zonder de minste reden, zomaar voor het plezier, je armen en benen uit te rukken. Zou je willen dat jou zoiets overkwam? Het werkt gegarandeerd, een tijdlang althans, dat wil zeggen zolang de verbeelding zich blijft toeleggen op de bedoelde identificatie: je ziet kindergezichten betrekken en een zweem van afschuw en ontzetting te voorschijn komen. Veel morele argumenten berusten op dit procédé; omdat het geen echte argumenten zijn doen ze een beroep op emotionele identificatie. Een kind steelt iets van een ander kind: zou je graag hebben dat jou hetzelfde overkwam? Een kind schopt een ander kind bont en blauw: zou je graag hebben dat jou hetzelfde overkwam? Een kind pest een ander kind: zou je graag hebben dat jou hetzelfde overkwam? Maar wat indien hetzelfde je daadwerkelijk overkwam (en hetzelfde overkomt je ook daadwerkelijk, voortdurend)? Dan moet je het wel vreselijk erg en onrechtvaardig vinden, dan moet het medelijden dat je voor jezelf voelt natuurlijk minstens even groot zijn als het medelijden dat je zou moeten voelen voor de ander. Maar is het wel zo erg, als jou hetzelfde overkwam? Stelen is alleen maar het wegnemen van vergankelijk eigendom, daar kom je snel overheen. Pesten is alleen maar verbaal geweld, je moet jezelf weerbaar maken. Bont en blauw geschopt worden: je moet tegen een stootje kunnen. Een arm of been afgerukt worden? Het gebeurt in verkeersongelukken of bij natuurrampen en bij amputaties (onder verdoving), het gebeurt, het wordt overleefd of men sterft eraan. Maar het gebeurt ook door toedoen van andere mensen, met de bewuste bedoeling pijn te berokkenen of te folteren: als straf, als middel om bekentenissen af te dwingen, of zomaar, voor het plezier dat de dader eraan beleeft. Vooral het laatste is vreselijk. Stel dat het je overkomt (en het overkomt mensen). Zul je veel medelijden hebben met jezelf, nog afgezien van de pijn die je toch al hebt, of zul je zeggen: wat gebeurd is, gebeurt, ik heb het overleefd, het krioelt hier van de levende wezens zoals ik, het is niet zo belangrijk, zand erover? De tweede houding zou zeker de meest gepaste zijn met het oog op het persoonlijke herstel na een opgelopen trauma, en toch vertrekt ze, paradoxaal genoeg, van de onbelangrijkheid van de eigen persoon. Vervelender is de vraag wat je vanuit die houding tegenover een ander kunt doen. Als je het relatief draaglijk, onbelangrijk of misschien zelfs prettig vindt (de masochist) om gefolterd te worden, betekent dat dan dat je ook probleemloos zelf kunt folteren? De logica van de emotionele identificatie lijkt dit te impliceren. Kinderen redeneren soms onverbiddelijk volgens deze logica. Zou je het zelf prettig vinden om gepest te worden? Ja, waarom niet - dus kan ik het ook met een ander doen. Maar stel dat de strategie van de emotionele identificatie in dit betreffende geval werkt: ontzet en vol afschuw staken de kinderen hun spel met de insecten, om het nooit opnieuw te wagen een wezen aan dergelijke handelingen te onderwerpen e kinderen zijn daar gevoeliger voor dan andere, het zijn de kinderen met een levendige verbeelding). Terwille van wie of wat hebben ze dan in werkelijkheid hun handelingen 'in orde’ gebracht? Is het niet louter terwille van de voorstelling van een mogelijk onheil dat henzelf zou treffen? En is het op die manier wel echt 'in orde’? OP WELKE REDENERING of gevoelsmatige overreding kan de moeder uiteindelijk nog een beroep doen om de kinderen te weerhouden, zonder dat deze redenering zelf niet in orde zou zijn? Er blijft niets anders meer over dan het volgende: dat het zo jammer is, zo ongefundeerd en geheel onredelijk jammer om levende wezens op een dergelijke manier te doden. Ook al doen ze het zelf met elkaar, ook al zijn er genoeg of zelfs veel te veel levende wezens van die soort, ook al vernietigt leven haast per definitie ander leven, het is zo jammer om dat geheel voor niets te doen, niet uit verdediging, niet uit noodzaak, niet om culinaire redenen maar uit niets anders dan verveling of tijdverdrijf. Het is gewoon 'zonde’ - geen zonde in de religieuze of morele zin, maar in de zin van iets wat jammer is omdat het zo makkelijk vermeden had kunnen worden, al is het op zichzelf niet eens zo erg (zoals men zegt: zonde van mijn nieuwe jurk - zonde van het pasgeboren leven, al hangt mijn garderobe overvol - en de planeet raakt overbevolkt). En als het gebeurt uit blinde agressie, of omwille van het plezier? Heeft het dan niet toch weer zijn eigen functie, zijn eigen nut, zijn eigen noodzaak? Wat is het verschil tussen culinair genot en sadistisch genot? Bij dieren lijkt agressie in dienst te staan van zelfbehoud (honger en voortplanting), zelfverdediging en de bescherming van het territorium (verschillende levensvormen bevechten elkaar de beschikbare ruimte, zelfs gassen en scheikundige verbindingen kunnen niet coëxisteren). Daden van agressie die hieruit voortkomen zijn dan ook volkomen natuurlijk en biologisch in orde. De mens is vermoedelijk het enige levende wezen dat plezier kan beleven aan de daad van agressie zelf, zonder enig ander doel. De mens is in die zin wellicht het enige 'perverse’ wezen. Maar hoezo pervers - kunnen we niet zeggen dat ook dit genot zichzelf rechtvaardigt, zoals het esthetisch genot of het culinair genot? Als het behoort tot de menselijke mogelijkheden, is het dan niet vanzelf ook natuurlijk en dus eveneens 'in orde’? Maar dan zou alles in orde zijn, gewoon omdat het behoort tot de mogelijkheden, en er geen apriori rechten zijn waarom je bepaalde mogelijkheden wél en andere niet zou mogen ontwikkelen. En toch is niet alles in orde. DE BASISVRAAG van ethiek heeft te maken met krachten en met hun mogelijkheden. Zuiver natuurkundig of biologisch bekeken reiken de 'rechten’ van krachten precies zo ver als hun mogelijkheden. Een orkaan heeft het recht net zo veel bomen en huizen te vernietigen als hij (of zij) kan; een orkaan die alleen maar een klein dorp verwoest is niet ethischer dan een orkaan die een heel land platlegt, hij is alleen kleiner en zwakker. Nucleaire krachten hebben het recht te ontploffen tot al hun reacties zijn uitgewerkt. Planten hebben het recht andere planten te overwoekeren en te doen verstikken. Dieren hebben het recht andere dieren te verdrijven en van de aardbodem te doen verdwijnen. Waarom heeft de mens dan niet ook het recht om ongebreideld te heersen over alles waarover hij heersen kan? Biologisch heeft hij dat recht inderdaad. Alles wat kan, mag. Wij hebben niet, naast onze genetische code, ook nog een gebruiksaanwijzing meegekregen, een lijstje van wat niet mag, omdat het een verkeerde bediening is. En toch bestaat er voor de mens wel degelijk een verkeerde bediening, een soort van functioneren dat niet 'in orde’ is. Dat moet te maken hebben met de menselijke verbeelding (waarvan het denken én het voelen onderdelen zijn), en met het feit dat deze zo gevaarlijk neigt tot excessen (demonische excessen van vernietiging naast groteske excessen van naastenliefde), al lijkt de mens in principe wel te beschikken over de mogelijkheid tot controle. De mens is het enige levende wezen dat 'on-ethisch’ kan zijn. Helaas volgt hieruit niet vanzelf dat de mens ook het enige levende wezen is dat 'ethisch’ kan zijn. DE MEEST VERONTRUSTENDE kwestie van de menselijke ethiek is misschien de volgende: dat, kosmisch gezien, het vergast worden van zes miljoen mensen niet belangrijker kan zijn dan het verpletterd worden van zes miljoen mieren, maar ook niet minder belangrijk dan het uiteenbarsten van zes miljoen sterren. Wie deze dingen sub specie aeternitatis bekijkt, heel even althans, voelt zich in zijn menselijke waardigheid ineenkrimpen vanuit het bange vermoeden dat niets van wat hij doet er werkelijk toe doet (het heeft niet veel belang: je kunt net zo goed een mier vertrappen als een steen stukslaan als een mens vergassen), terwijl anderzijds, vanuit een ondoorgrondelijke samenhang van de dingen, niet alles om het even lijkt te kunnen zijn. We hebben natuurlijk, of sommigen onder ons, het geloof in een persoonlijke God als kosmische waarborg dat de mens een bevoorrechte plaats bekleedt in het universum (hij alleen is onsterfelijk), en dat het alleen de mieren en de sterren zijn die er niets toe doen. Maar soms rijst toch wel het vermoeden dat dit een al te menselijke creatie is, en dat in de ware werkelijkheid de waarde van alles verbonden moet zijn met de waarde van al het andere, zodat, misschien, alles ertoe doet, van de mieren tot de sterren, al kunnen wij dan niet meer zeggen op welke manier dat zou moeten zijn. Ethisch leven is leven 'in overeenstemming met’. Het verliest zijn onherleidbare ethische karakter zodra je invult waarmee.