Zomerlezen

Wat leest de Groene-redactie deze zomer?

Of de reis doorgang kan vinden moet nog blijken, maar het leesstapeltje is gemaakt. Wat nemen Groene-redacteuren mee naar de zon? Of wat lezen ze noodgedwongen dan maar gewoon thuis op de bank?

Lichaamshaar, achternamen en de beste manier om een CEO te zijn

Een jonge Fidel Castro op de werpersheuvel bij de New York Yankees? Het gerucht was een eigen leven gaan leiden. Voor de Cubaanse revolutie zou hij als pitcher proefgedraaid hebben bij Amerika’s meest tot de verbeelding sprekende sportteam. Een gretig in stand gehouden mythe, zo blijkt uit het boek Fidel Castro and Baseball van historicus Peter C. Bjarkman. 

Het fabeltje paste in de manier waarop Castro de honkbalsport politiseerde, en zijn zorgvuldig geboetseerde imago in stand hield na de revolutie. Een manier ook om herkenbaarheid te creëren bij de honkbalminnende Cubanen.

Bjarkman ploos een halve eeuw Amerikaans-Cubaanse betrekkingen uit door de lens van honkbal. Maar bovenal schetst hij de liefde en de verbondenheid die de meedogenloze dictator voelde voor de sport. En met hem het gehele Cubaanse volk. Want ja, zelfs de voetbalgekke Argentijn Che Guevara kreeg een honkbal in handen geduwd. 

Dat lees ik dus, deze zomer. En ik lees Hood Feminism. Lichaamshaar, achternamen en de beste manier om een CEO te zijn, dat zijn de kwesties die de gangbare feministische beweging bezighoudt, vindt schrijfster Mikki Kendall. Dringende behoeften van vrouwen van kleur raken daardoor ondergesneeuwd. Haar relaas leest als een oproep tot solidariteit in een weinig inclusieve en gefragmenteerde beweging.

Welke vrouwen eisen de ruimte op in de feministische beweging? In de strijd tegen het patriarchaat treedt vooral de witte heteroseksuele vrouw – met haar eigen specifieke verzuchtingen en obstakels als brandpunt – op de voorgrond. Vrouwen van kleur dreigen daardoor naar de achtergrond te worden verdreven. Het boek is een ontregelende ervaring, waarbij je – zeker als heteroseksuele man – je eigen privileges nog meer in ogenschouw leert nemen. Een beetje zelfreflectie kan immers nooit kwaad.
Naïm Derbali


Zo eerlijk dat het pijn doet

Vorige week kreeg ik van een vriend Brieven van Willem Walraven (1887-1943). Het is een prachtige editie uit 1966, toen het boek verscheen; hij kocht het bij antiquariaat Colette in Den Haag (ga daar sowieso heen). Walraven was behalve een geweldige schrijver iemand die blij was weg te zijn uit Nederland, maar zich ook in Indië niet thuis voelde; hij weigerde zelfs na bijna dertig jaar rijst te eten. Hij schreef als het ware zijn eigen biografie door in de ontelbare brieven aan vrienden en familie zo eerlijk over zijn leven te schrijven dat het pijn doet. Tel daar zijn kritiek op het kolonialisme bij op. Vanwege zijn voortdurende gekanker en zijn zwaarmoedige inborst wordt hij ook wel vergeleken met Céline. 

Verder op de lijst: Herkomst van Saša Stanišic. Het is een autobiografische roman over zijn vlucht uit Bosnië en Herzegovina naar Duitsland in 1992. Volgens degene die het me aanraadde gaat het over afkomst, herkomst, identiteit, ontworteling, schaamte, erbij willen horen. Het zou geschreven zijn in een totaal eigen stijl en vorm. Daar komt nog bij dat Stanišic voor het boek verschillende onderscheidingen kreeg (winnaar Deutscher Buchpreis en nu op de shortlist Europese Literatuurprijs). Ik heb het vorige week apart laten leggen bij de boekhandel en ik beloof dat ik het deze week nog ga ophalen.
Rasit Elibol


Nu is het moment daar

Mijn vakantielijst is traditioneel een kruising tussen maandenlange planning en impulsieve last-minute beslissingen. Ik denk graag lang na over het perfecte mini-stapeltje boeken dat mee moet om op dat meest perfecte moment van het jaar te lezen, en daar schuift dan meestal een koekoeksjong bij. Twee jaar geleden nam ik The Buried Giant van Kazuo Ishiguro uit de Schiphol-winkel, misschien vooral uit verbazing dat het er stond – perfect gezelschap. Dit jaar snack ik plotseling, onverantwoord kort voor vertrek, door een The Circle van Dave Eggers uit de leenbibliotheek om de hoek. Maar de maandenlange favoriet is Bring Up the Bodies en misschien The Mirror and the Light van Hilary Mantel. Vorige zomer vond ik Wolf Hall fantastisch: wat een prachtige en volstrekt overtuigende combinatie van romanschrijven en historische enscenering in het Engeland van Oliver Cromwell. Toen ik Bring Up the Bodies las, in een drukke, chaotische september, vond ik dat eigenlijk zonde om versnipperd te doen en reserveerde ik die voor nu. Nu is het moment daar.  
Rutger van der Hoeven


Een Frans beekje

Deze zomer ga ik een paar weken ergens aan een Frans beekje in de zon liggen lezen (of, als het tegenzit, een Nederlands beekje in de motregen), dus er moet een stapel boeken mee. Ik lees meestal een paar boeken tegelijk voor de afwisseling: een serieus boek dat nog op mijn leeslijst stond, een al geliefde roman om bij weg te dromen, en een boek met essays om steeds tussendoor te lezen. 

De verborgen geschiedenis van Donna Tartt las ik toen ik aan mijn studie begon, maar wil ik heel graag weer oppakken. Ik onthield niet het plot maar kan me wel precies herinneren hoe ik me voelde toen ik het las, en ben nu benieuwd naar verhaallagen die me bij eerste lezing niet opvielen. Voor de kortere aandachtsspanne gaat de bundel Provocations mee, het meest recente boek van de Amerikaanse cultuurcritica Camille Paglia. De collectie scherpe analyses is nog steeds verfrissend anti. 

Ten slotte, als huiswerk, stop ik Culture of Narcissism in mijn koffer, het nog steeds ultrarelevante werk van Christopher Lasch uit 1979 dat zo bol staat van de oneliners dat het me niet lukt erdoorheen te komen. Het krijgt deze zomer, onder optimale leesomstandigheden, een laatste kans.
Eva Hofman


‘Dit is Servië’. ‘Nee, dit is een postkantoor.’

Boven aan mijn boekenlijstje voor deze zomer staat Border Wars: the Conflicts that will Define our Future (2021) van Klaus Dodds. Over de groeiende grensproblematiek in de wereld. Afgelopen week stond er een mooi interview in NRC Handelsblad met deze hoogleraar geopolitiek, geografie en veiligheid aan de Royal Holloway University in Londen. ‘In mijn studietijd werden open grenzen gezien als bevrijding’, zegt hij in NRC. ‘Nu worden ze vaak gezien als bedreiging.’ Het fascineert me, ook omdat ik al bijna 20 jaar zelf veel reis langs de nieuwe grenzen in Europa. Mooi voorbeeld: ‘Tijdens de oorlog in Joegoslavië, midden jaren negentig, beschreef Michael Ignatieff een Bosnisch postkantoor waar nationalisten op hadden geschreven: “Dit is Servië.” Iemand had eronder gezet: “Nee, dit is een postkantoor”.’

Ernaast op de stapel: Vang de haas, de roman van Lana Bastašić over de persoonlijke gevolgen van het trekken van grenzen in voormalig Joegoslavië.
Irene van der Linde


Degene die het hakwerk verricht

Van alle kunstdisciplines wordt in architectuur misschien wel het pijnlijkst duidelijk dat een kunstwerk nooit helemáál wordt zoals je eens voor ogen had. Charlotte Van den Broeck schreef in Waagstukken dertien verhalen over architecten met een tragisch leven, hun tragiek ingegeven door het gebouw dat zij wilden ontwerpen. Van de ontwerper van het Stedelijk Zwembad in Turnhout tot de architect van de Wiener Staatsoper.

Na het lezen van De herinnerde soldaat van Anjet Daanje, het verhaal over de liefde tussen Julienne en een soldaat, haar ‘sjoeke’, keek ik maandenlang uit naar deze eerdere roman die nergens meer te verkrijgen was. Nu is een herdruk verschenen. Gezel in marmer gaat over twee vrouwen die samen sculpturen maken, van wie de een de gevierde kunstenaar is en de ander de ware beeldhouwer, degene die het hakwerk verricht.

Van de Britse schrijver en pottenbakker Edmund de Waal ligt een nieuw boek in de winkels, Letters to Camondo, maar daar mag ik niet aan beginnen voor ik eindelijk De haas met de amberkleurige ogen lees. Een familiegeschiedenis aan de hand van een erfenis van 264 netsukes, kleine Japanse figuurtjes die gemaakt zijn om in je hand te houden.
Roos van der Lint


Ook onware en overdreven droefgestemde woorden

Ik was wat stapeltjes aan het uitpluizen, dingen waarvan ik mezelf te lang had voorgehouden dat ik ze weldra zou gaan lezen. Nu ligt er een nieuw stapeltje klaar voor de komende weken. Voor het eerst in tijden heb ik ook weer het gevoel dat ik misschien aan twee of drie of gewoon alle titels daadwerkelijk ga toekomen. 

Iets ouds (Edmund Gosse’s Vader en zoon) en iets nieuws (Real Estate van Deborah Levy), iets over de kunst van Albrecht Dürer (Albert and the Whale van Philip Hoare) en iets over ons verdwaasde geloof in data (Frictie van Miriam Rasch). Die laatste zit (full disclosure) toevallig ook in een leesclub waarvan ik het meest verzakende lid ben. Om mijn medelezers eindelijk weer eens niet teleur te stellen heb ik The Friend van Sigrid Nunez helemaal boven op de stapel gelegd. Een roman over het gemis van een bevriende schrijver die zichzelf van het leven beroofde, geloof ik. Op een van de eerste pagina’s begon ik al te onderstrepen. ‘Not a profession but a vocation of unhappiness, Simenon said writing was’, bijvoorbeeld. Ik weet niet of Simenon gelijk had, maar ook onware en overdreven droefgestemde woorden zijn soms te mooi om niet even bij stil te staan. 
Jan Postma


Blurbs zijn ook maar blurbs maar

Wat moet, wat mag, wat kan. Ik probeer de stapel terug te brengen tot iets overzichtelijks. Geen bibliotheek mee op mijn rug de Zwitserse Alpen in. Maar misschien toch nog wel wat van Hesse, want die liep het pad dat ik ga lopen. Ik wil weten wat hij zag en erbij dacht, dan loop ik zelf lichter. Ik heb nu 26 kandidaten, van Kawabata tot Boyd. En ik wilde me in Simone Weil gaan verdiepen. Dit is het allerleukste moment: denken wat ik allemaal kan gaan lezen. De drie die in ieder geval meegaan: Peter Carey, Oscar en Lucinda. Meer dan twintig jaar geleden zag ik een Engelse reisgenoot hiervan buitensporig genieten, en nu eindelijk kan ik het ook gaan meemaken. Degene van wie ik het kreeg wist ook nog eens zeker dat het ‘helemaal’ wat voor mij was. Zelf gekocht voor de vakantie: George Saunders, A Swim in a Pond in the Rain. Schrijfles aan de hand van zeven klassieke Russische verhalen, wie wil dat niet. Ik weet dat blurbs op de cover ook maar blurbs zijn, maar deze kon ik echt niet weerstaan: ‘Patrick Melrose meets Fleabag.’ Bovendien meldde een leeskritische vriendin zich hiermee vermaakt te hebben. Ik kijk niet neer op goed vermaak. Sorrow and Bliss dus, van debutante Meg Mason.
Marja Pruis


Wat beweegt de mens

Overspel, coming of age, vaders, dood… mijn losjes samengestelde zomerstapel blijkt elk jaar een thema te hebben. Eén zomer volgde I Love Dick op Madame Bovary, het tweede citeerde het eerste en was er deels een ode aan. Er was een moeder-dochter-zomer (Hot Milk van Deborah Levy, aanrader), een tienerzomer, enzovoort. Opperthema is natuurlijk: wat beweegt de mens? Daarover leer ik van fictie vaak meer dan van de werkelijkheid. Zou zich dit jaar toch weer een subthema aandienen?

Het licht dystopische De goede zoon van Rob van Essen. The Country Girls van Edna O’Brien (naar aanleiding van haar geweldige, aangrijpende Girl, over een Boko Haram-ontvoering). Strijd en metamorfose van een vrouw van Édouard Louis (ik ben fan). Emma Cline, Daddy (haar roman The Girls, over een sekte, was zo fris en overtuigend). You People, van Nikita Lalwani (over ongedocumenteerde migranten en hate crime in Londen. Thrillerachtig en liefdevol, schijnt), Luster van Raven Leilani en/of The Vanishing Half, Brit Bennett. Schuldig (non-fictie) van Jannah Loontjens (ook al zo’n thema) relaxed uitlezen. Essays van Helen Garner, Everywhere I Look, en Jia Tolentino, Trick Mirror. Ik lees altijd een klassieker.
Christine Rothuizen


Codes rood dienende

Met dank aan de vaccinaties lijkt deze zomer het moment te komen waarop we afscheid kunnen nemen van de grootschalige corona-pandemie, althans in de landen die zo fortuinlijk zijn om voldoende inentingen tot hun beschikking te hebben. De eerste versies van de geschiedenis van leven met het virus – althans in de samenleving waar ik momenteel leef – zijn inmiddels geschreven. In de koffer gaat dus The Plague Year. America in the Time of Covid van Lawrence Wright, die ik vorig jaar interviewde waarna hij me een kaartje gaf voor een toneelstuk dat hij had geschreven. Het ging over de Camp David-akkoorden. Het stuk werd opgevoerd in Houston, waar Amerika’s allereerste professionele toneelgezelschap werd opgericht en dat volgens Wright de bakermat is van theater in Amerika. Eat that, New York. 

Om in het theater te blijven: op een toneelschool in Londen zag ik ooit een uitvoering van Emile Zola’s Thérèse Raquin die me altijd is bijgebleven. Dus toen er afgelopen maart een nieuwe Nederlandse uitgave verscheen bij LJ Veen Klassiek ging die op lijst. Codes rood dienende kan ik lezen op doorreis via Parijs, waar dit verhaal over burgerlijke intrige, overspel en moord zich uiteraard afspeelt. 

Mocht ik Amerika toch missen, heb ik Inside U.S.A. van John Gunther achter de hand. In 1944 reisde Gunther alle staten van Amerika door en schreef daarna een reisverslag van een land dat op het punt stond cultureel, politiek en economisch dominant te worden. Ik ben benieuwd hoe het leest in tijden waarin wordt gezegd dat Amerika in verval is. 
Casper Thomas


0 resultaten?

Of we niet een keer iets moeten schrijven over Wendell Berry, vroeg een collega (het was Jan Postma). Ik kon beamen noch ontkennen, want ik had nog nooit wat van hem gelezen. Zoals dat gaat met namen die vers in je geheugen zitten, kwam ik Berry vervolgens vaker tegen. Een andere collega (het was Frank Mulder) vertelde hoe inspirerend hij het vond dat Berry al meer dan vijftig jaar op dezelfde boerderij woont waar hij zelf zijn voedsel verbouwt. In een interview met The New Yorker las ik dat Berry zich verzet tegen de ‘mythe van vrijheid’. Hij zei: ‘Somehow, you just get led to where you’re supposed to be, if you’re willing to submit.’ 

Ik weet niet of het overgave of hebzucht was die me afgelopen week naar de uitverkoop van een boekhandel leidde, maar daar, in een kartonnen doos, vond ik een prachtige uitgave van Berry’s verzamelde essays. Dat ik toch even aarzelde had te maken met mijn lichte allergie voor ‘back to the land’-romantiek, maar een blik op de inhoudsopgave – met essaytitels als Why I Am Not Going to Buy a Computer en In Defence of Literacy – was genoeg om mijn nieuwgierigheid te laten overwinnen (toegegeven, de korting hielp ook). In het online archief van De Groene leverde een zoekopdracht naar “Wendell Berry” 0 resultaten op. Nul. Daar moet snel verandering in komen.
Jaap Tielbeke


Eigenlijk veel te veel branie

Boven op de leesstapel ligt sinds begin deze maand natuurlijk Is dit alles?, de nieuwe essaybundel van Jan Postma. Daarnaast fiets ik voor vertrek (of misschien wel helemaal niet vertrek, zie de krankzinnige coronacijfers) graag langs Boekhandel Bijleveld in Utrecht. Op het verlanglijstje in mijn telefoon staat Wolfstijd, over Duitsland nét na de Tweede Wereldoorlog. Toen daders na hun verlies op slag ook slachtoffers bleken in een verder verwoest land. Verder staan er op dat lijstje de nieuwe Edouard Louis en Tand des tijds (weer tijd?), een kroniek over het CDA. Maar nu ik dit zo lees na een jaar van voornamelijk non-fictie gelezen te hebben, snak ik eigenlijk meer naar een verzonnen verhaal.

Als ik straks binnenstap bij Bijleveld, pak ik daarom eerst Klara en de Zon mee, het laatste boek van Kazuo Ishiguro. Een verhaal beschreven vanuit het gezichtspunt van een akelig menselijk ogende robot die ‘werkt’ in een winkel. Twee vakanties geleden verdween ik in De goede zoon van Rob van Essen. Pratende robots in de zomer liggen mij kennelijk wel.

En als ik straks écht niet het land uit mag? Dan ga ik denk ik op een bootje mijn bundel met reisverhalen van Jan Cremer lezen. Dwars door Mongolië, Siberië, China en langs norse Sovjet-douaniers. Eigenlijk veel te veel branie – maar je bent tenminste even weg.
Coen van de Ven


Stel

Stel, er komt geen code rood, ik test negatief, mijn vakantie gaat door – in dat geval wil ik graag aan een Kretens strand Artemis Coopers biografie van Patrick Leigh Fermor lezen. Dan kan ik door de Samariakloof lopen, en door de azuurblauwe baaien zwemmen en me voorstellen hoe Fermor – reisschrijver, avonturier, gentleman – dat ook deed terwijl hij als verzetsstrijder op Kreta uit de klauwen van de nazi’s moest blijven. Lijkt me een toegevoegde waarde.

Verder: deel twee van Antonio Scurati’s romans over Mussolini. Het eerste deel, M. De zoon van de eeuw, was een heksenketel, waarin Scurati een woedende, tollende, malende maatschappij beschreef waarin alles in termen van politiek werd gezien. Het tweede deel, M. De man van de voorzienigheid, beschrijft Mussolini’s eerste jaren als Duce. Ter compensatie van dat politieke geweld lees ik dan een klassieker die me altijd is ontglipt, op een of andere manier: Giorgio Bassani’s De tuin van de familie Finzi-Contini. Melancholieke menselijkheid, stel ik me erbij voor.

En natuuuurlijk neem ik collega Jan Postma’s nieuwe essaybundel Is dit alles? mee.

Joost de Vries