Martin Simek interviewt Martin Simek

‘Wat mij betreft hoef ik geen naam’

In zijn vaderland Tsjechoslowakije leerde Martin Simek te slalommen om aan de pijlen van het regime te ontkomen. In Nederland doet hij het om de hokjesdans te ontspringen.

Medium dscn2691

Is er een groep waar u toe behoort of zou willen behoren?

‘Ik ben open, altijd al geweest. Het kost me moeite om de rem erop te zetten. Het is als wanneer je de bal bij het tennissen in één keer uit de lucht neemt. Onbevangen, zorgeloos door het leven te gaan, beseffend dat we allemaal toch niets voorstellen, dat we een zucht zijn in de eeuwigheid. Een noot, niet meer, waarom dan een valse noot?

Open mensen komen vaker voor, ik ben zeker niet de enige. Maar een groep vormen – dat is niks voor ons. Groep betekent grenzen. Openheid overstijgt de grenzen. Al merk ik met regelmaat dat ik stilletjes geballoteerd word, poog ik zelf niet te oordelen. Dat is geen ontmoeten. Een ontmoeting met gelijkgestemden voelt als thuiskomen. Maar dan toch snel weer op mezelf, in stilte, alleen. Er gebeurt al zo veel als er schijnbaar niets gebeurt. Gras zien groeien, dat is pas luxe.’

Hoe herken je een open mens?

‘Het is net of zo iemand je aanraakt met zijn of haar blik. Er gaat aandacht naar je uit, vol compassie en nieuwsgierigheid. Die ogen ontwapenen en vragen je ten dans.’

En als je van die aandacht niet gediend bent?

‘Net als met beste bedoelingen kun je met mooie eigenschappen mensen kwetsen. Open zijn blijft een keuze, waarvan je moet kunnen afzien om anderen of jezelf te sparen. Ook openheid moet uiteindelijk van beide kanten komen. Het is een weelde die ik mij tot mijn twintigste in mijn vaderland Tsjechoslowakije nauwelijks kon permitteren. Eigenlijk alleen thuis, of op de tennisbaan in een select gezelschap.’

Een select gezelschap zegt u? Hebt u het soms over een groep?

‘Ja, op de tennisbaan zaten Wij. De dictatuur creëert altijd tweespalt: Zij en Wij. Vandaar dat we op dit moment in Europa met vuur spelen. Het “zij-en-wij”-gevoel groeit met de dag. Als we daar te licht over denken, is de dictatuur aanstaande.’

Terug naar het selecte gezelschap van uw jeugd.

‘Leden van onze familie behoorden tot de zogenaamde vijanden van het volk. Mijn vader was vijand van het volk, mijn moeder, mijn broers, tantes, neefjes, ik, wij allemaal. Het gaf binding, saamhorigheid, al kende ik die woorden toen nog niet. Eigenlijk betekende het dat de communisten bang voor ons waren, ons te intelligent achtten om ons knollen voor citroenen te verkopen. En zo waren we allemaal gelauwerden. En ik was al bij mijn geboorte iemand! Dat overkomt in Nederland alleen leden van de koninklijke familie. Maar wie is nou nog bang voor de leden van het koningshuis? Goed beschouwd stond ik er als kleine Simek, vijand van het volk, sterker voor. Ik liep over van zelfvertrouwen, terwijl mijn vader, de filosoof, voor straf in de cementfabriek moest werken. Hij deed dat zonder morren, wat mijn respect voor hem alleen maar deed groeien. Dat gold ook voor mijn moeder, die eveneens krom moest liggen voor ons gezin.

De tennisbaan werd bevolkt door families als de onze, eerder dan een groep waren we lotgenoten. Een groep vorm je, het lot deel je.’

Hoe zat het toen met uw openheid? En de rem erop?

‘Op school werd van mij verwacht, in ruil voor goede cijfers, ook leugens te produceren. Al gauw kreeg ik de smaak te pakken en genoot van het effect dat woorden kunnen hebben. “Beschrijf je eigen gezicht”, verzocht de lerares maatschappijleer onze klas. Ik haatte dat kleine, gezette mormel. Zij had zich voorgenomen om mij uit de klauwen van mijn verdorven kapitalistische afkomst te redden. Had ik vrijuit kunnen spreken, dan had ik gezegd: “Kameraad lerares, mijn gezicht straalt uit dat ik geluk heb gehad met de familie waarin ik geboren ben. Al zou ik om wille van een goed cijfer er nog zo graag net zo dom willen uitzien als u, het zit er gewoon niet in.”

Maar toen het mijn beurt was, zei ik: “Met de opdracht die u ons zonet gaf, kameraad lerares, hebt u me ontmaskerd. Mijn gezicht is het gezicht van het kapitalisme, mooi van buiten, maar waar blijft de kameraadschappelijke oprechtheid? Waar is de inzet van de modelarbeider? Waar is de broederschap van de Sovjet-Unie? Dat alles ontbreekt in mijn gezicht. En dat komt allemaal door mijn opa van moederskant, al heb ik hem nooit gekend. Zijn fabriekje maakte weliswaar schoenen die na dertig jaar aan mijn voeten nog als nieuw zijn. Kijk.” Ik stak mijn voet met handgemaakte schoen uit de schoolbank. “Net zo bedrieglijk gaaf als mijn gezicht. Maar wat zit erachter? Het zweet van de arbeider, die afhankelijk was van mijn opa, de uitbuiter.” Bij het laatste brak mijn stem, zozeer had ik mij ingeleefd. Huilend stortte ik in de schoolbank terug.

De kameraad lerares kwam meteen bij me staan. Ze legde haar hand ferm op mijn schouder. “Kom op, Martin, je moet de spoken van je verleden verjagen. Sta weer op en geef antwoord. Hoe wil je jezelf over drie jaar, als je achttien bent, zien?” “Als lid van het collectief”, snikte ik. “Niet als de vuile egoïstische individualist die ik nu ben. En het zal me lukken, kameraad lerares.” En ik sloeg mijn ogen smekend naar haar op: “Het zal me lukken met uw hulp.”

Het was doodstil in de klas, haar ogen werden zacht en vulden zich met een waas van tranen. Mijn vrienden wisten dat ik me op het scherp van de snede bewoog. Ik wist het ook, maar die stilte vroeg om een climax en ik herhaalde dromerig: “Ja, kameraad lerares, ik zou graag lid van het collectief zijn, maar ik ben bang dat mijn ouders dat verbieden.” De lach brak door mijn ogen en rond mijn mondhoeken, er was geen houden meer aan. De klas barstte in lachen uit. “Jij gladde, gluiperige imperialistische slang. Je kunt je universitaire studie wel vergeten.”

‘Er gebeurt al zo veel als er schijnbaar niets gebeurt. Gras zien groeien, dat is pas luxe’

“Risico neem je uit zelfbehoud, niet voor je plezier”, zei mijn vader hoofdschuddend.’

Wat was de grootste schok toen u in het Westen kwam?

‘Dat niemand op je lette. Dat was in Praag anders. Als de jonge kunstenaar K. – herinner ik me – op een vel wit papier van zo’n twee bij twee meter in het centrum van Praag ging zitten met het opschrift “Ik vraag de voorbijgangers beleefd te kraaien als een haan”, dan liet dat niemand onberoerd. Mensen bleven staan of versnelden juist hun pas, de een kraaide, de ander was boos. Een happening, al duurde het maar even. In Praag waren in die tijd meer geheime agenten dan burgers. Hier in Nederland gold, Ramses zong het: “Ik kraai me suf, wat doe ik me aan, niemand hoort je.”

In het vrije Westen moet men zich uitsloven, de blubber werken, zichzelf of anderen opblazen om op te vallen. In mijn vaderland werd alles wat je deed door de staat en zijn handlangers opgemerkt en op staatsgevaarlijkheid gewogen. Niet eens zo lang na mijn aankomst in Nederland werd het autootje met mijn Nederlandse vriend erin platgereden door een tientonner. Alexander miste op de snelweg een afslag en zette zijn lelijke eend in de achteruit om het recht te zetten. Een oplossing die voor de hand ligt, maar waar gelukkig weinigen toe besluiten. Ik weet dat ik op de begraafplaats te midden van de nabestaanden dacht: als dit Tsjechoslowakije was, werden wij allemaal ondervraagd door de staatspolitie: “Wat wilde uw zoon, broer, neef, vriend met het achteruitrijden op de snelweg zeggen? Was het soms kritiek op onze socialistische samenleving? Een provocatie? Wilde hij soms de vooruitgang tegenhouden?” Om dat soort absurditeiten te verzinnen hebben we hier cartoonisten als Kamagurka en Gummbah. In mijn vaderland overtrof het dagelijks leven de gekste fantasieën.’

Was u teleurgesteld dat bij ons niemand op u lette?

‘Nou niemand? Gelukkig werkt onder alle omstandigheden de natuurlijke aantrekkingskracht tussen de seksen door. Hoewel, in de vierhonderdkoppige collegezaal van eerstejaarsstudenten economie aan de Vrije Universiteit was van de storm der hormonen geen sprake. Er zaten maar zes meisjes tussen, van wie drie pas bij nader inzien. Het vrije stond – daar kwam ik te laat achter – voor iets heel anders dan waar ik als Oost-Europese vluchteling op hoopte. De dag begon met een lezing uit de bijbel. Eens kwam ik weer veel te laat de collegezaal binnen. Haalde haastig pen en schrift uit mijn tas en terwijl professor Witses van financiering over handelaars in de tempel las, begon ik gretig aantekeningen te maken. “Dat hoeft u niet op te schrijven”, wendde hij zich vertederd tot mij, de vluchteling. Met gespeelde onschuld keek ik eerst hem aan en vervolgens het auditorium achter mij in. Er werd hier en daar om mij gelachen en terwijl koopmannen de tempel werden uitgejaagd, voelde ik me geaccepteerd.’

En zo is uw integratie begonnen.

‘Ja, al spelend heb ik in Nederland aansluiting gevonden. Zo heb ik ook altijd mijn geld verdiend, spelenderwijs zonder ooit het gevoel te hebben dat ik aan het werk was, met als bonus het Bekende Nederlanderschap. En dat terwijl ik me noch Nederlander, noch Tsjech, noch Italiaan voel. Ik ben gewoon.

Een paspoort heb ik, omdat het moet. Wat mij betreft hoef ik niet eens een naam. Maar de maatschappij maakt het ons onmogelijk om simpelweg te zijn. In mijn vaderland heb ik geleerd te slalommen als een konijn om aan de pijlen van het regime te ontkomen. Hier doe ik het om de hokjesdans te ontspringen.

Heeft Europa te veel regels? Moet ik de gordel om, de helm op? Mag ik niet roken, geen vuurtje stoken? Dan ga ik toch de helft van het jaar in Calabrië zitten – daar past niemand die regels toe. Daar is niet het goede Europa de baas, maar het summum van het kwaad, de ’Ndràngheta die – na mij gewogen te hebben – in mij een groot kind ziet dat onder de waterval speelt. En dat is maar goed ook. Zo slalom ik tussen de spelletjes van die twee machten door.

Ik luister en kijk, ontmoet, heb lief en hoop voor ons allemaal op een natuurlijke dood. Voor mezelf, voor mijn kinderen, voor IS-strijders, voor Assad, Poetin, christenen, moslims en joden. Mag de wereld zonder oorlogen niet mogelijk blijken te zijn, dan blijf ik als het in Calabrië sterren regent, wensen dat iedereen mis schiet. Behalve met voetbal dan, want dat is maar een spel. Al riep de Generaal, Rinus Michels, dat voetbal oorlog is en ook in mijn sport, tennis, is inmiddels haast iedereen ervan overtuigd dat het om killersmentaliteit gaat, spierballen en gebalde vuisten. Wat tennis betreft weet ik beter en probeer ik als trainer harmonie en schoonheid voor het nageslacht te behouden.’

Is het genoeg? Voelt u zich niet geroepen om voor de waarheid ten strijde te trekken?

‘De waarheid heeft ons niet nodig, die zal ons overleven. Bovendien ben ik niet het martelaarstype dat zich laat kruisigen. Ik ben tenslotte niet voor niks gevlucht. Mijn held is Galileo Galileï. Hij wist dat de zon om de aarde blijft draaien, ook toen hij het tegendeel beweerde zoals van hem geëist werd. Al kon hij het niet laten om daarbij op te merken: “Ik vrees dat de hemellichamen zich weinig van mijn uitspraken aantrekken.” Of je nu de waarheid in pacht meent te hebben en je sterft ervoor, of dat je die verloochent om jezelf, je kinderen of je huisdier te redden – het is de waarheid met een grote W om het even. Jezelf leren kennen, die kleine waarheid die jou betreft, daar gaat het mij om.’

Meneer Simek, ik luister en luister, maar er is iets met uw betoog. Akkoord, u wilt nergens bij horen, maar ondertussen maakt u keuzes. U leeft in Europa en niet het Midden-Oosten, bent cartoonist en geen essayist, u begeleidt tennissers, maar daar zitten geen rolstoeltennissers tussen, vanaf 1992 bent u met dezelfde partner, maar u trouwt haar niet al hebben jullie samen kinderen. Kortom u kiest de makkelijke weg. U stemt… Op welke partij eigenlijk?

‘Ik stem niet, nooit gestemd.’

Dat klopt, u voelt zich nog altijd gast in Nederland. Dat slappe verhaal van u heb ik al ergens gelezen. U vindt dat u zich al genoeg met Nederland mocht bemoeien voor iemand die van buiten komt, en u bent daar dankbaar voor.

‘Na de val van de Muur ben ik wel naar Tsjechoslowakije afgereisd om daar te stemmen. Bij die ene keer is het gebleven.’

Bent u er trots op dat u een mens bent? ‘Ik ben er niet trots op, ik schaam mij er niet voor. Ik kan het gewoon niet helpen’

Want u bent daar inmiddels al zo lang weg dat u zich daar ook als gast voelt.

‘U zegt het goed.’

Meneer Simek, u loopt inmiddels 67 jaar op aarde rond. Is dat niet lang genoeg om uw verantwoordelijkheid te nemen?

‘Als u bedoelt alles hier op aarde achterlaten zoals ik het ooit gevonden heb, dan doe ik wel mijn plicht. Ik heb zelfs wat bomen geplant. Maar ik ben noch lid van Greenpeace, noch ambassadeur voor Afrika, noch verwijt ik in een exclusief onderonsje de trekvogels dat zij naar warme landen vliegen terwijl ik voor hen hier in de stromende regen de Waddenzee probeer te behouden.’

Waarom eigenlijk niet?

‘Omdat ik het goedmakertjes, maatschappelijke spelletjes vind die we spelen om van ons schuldgevoel af te komen. Het geheel is niet te behapstukken, tenminste niet voor mij. Daar heb ik te veel voor gezien, gehoord en ervaren om het nog te kunnen rijmen. Niet voor niets ben ik teruggekeerd naar tennis. Het is overzichtelijk.’

Alweer een vlucht?

‘Ja, ik ben weer daar waar ik opgegroeid ben. Op de tennisbaan. Een soort oase midden in een wereld die niet van mij is, een tijdelijke wereld die zal overwaaien net zoals het communisme. Maar niet door mij of door ons toedoen; het communisme is geïmplodeerd, in elkaar gestort. Zo ook het nationaal-socialisme. Al wil niemand dit waarschijnlijk horen…

Mensen en systemen die eropuit zijn anderen te domineren, uit te buiten of te vernietigen, richten uiteindelijk ook zichzelf te gronde. Wij kunnen niet veel meer doen dan wachten.’

De mens heeft dus geen invloed op de gang van de geschiedenis?

‘Veel minder dan hij denkt. De mens is hooghartig, wil van alles zijn en pretendeert nog meer, maar stelt meestal weinig voor. Op een paar uitzonderingen na. Galileo Galileï, Einstein, Madame Curie, Johan Cruijff en Muhammad Ali, allemaal mensen die zich beperkten tot een klein gebied.’

En Boeddha overzag toch alles? Jezus, de dalai lama…

‘Dat kan ik niet controleren. Ik ben maar een misdienaartje in de kathedraal van de Calabrese natuur. En door dat te beseffen probeer ik zo min mogelijk schade aan te richten om me heen.’

Bent u er überhaupt trots op dat u een mens bent?

‘Ik ben er niet trots op, ik schaam mij er niet voor. Ik kan het gewoon niet helpen.’

Wanneer bent u op uw best?

‘Als ik de tennisbaan sleep en van ieder korreltje gravel hou. Tennis is het mooiste wat mij is overkomen. Een geniaal spel. Het confronteert je met jezelf, met je beperktheid, maar als je een pact met de zwaartekracht sluit, beleef je ook momenten van grote harmonie en schoonheid.’

Maar tennis heeft toch geen nut?

‘En het kan ook geen kwaad. Volledig opgaan in iets wat geen nut heeft en geen kwaad kan, dat is geluk. Dan ben je weer kind, dan heb je je onschuld terug.’