Interview met Ingo Schulze

‘Wat moest een schrijver zonder de Muur?’

Ingo Schulze kreeg vorige week in Leipzig een prijs voor zijn nieuwste boek Handy. Zijn grote roman Neue Leben verscheen in Nederlandse vertaling. Beide gaan over de Wende. ‘Ik kon niet meer van het Westen dromen, ik zat er opeens middenin.’

Ingo Schulze kan zijn geluk niet op. Hij heeft een kunstenaarsstipendium gekregen voor een jaar Rome, waar hij samen met zijn gezin sinds enkele maanden woont. Als het aan hem ligt, wordt zijn volgende tijdelijke standplaats Amsterdam. Hij voelt zich er ‘heel erg thuis’. De in 1962 in Dresden geboren schrijver vertelt dat hij een bijzondere relatie met Nederland heeft: ‘Toen na de val van de Muur in de ddr massaal de reiskoorts uitbrak, was mijn eerste echte kennismaking met het Westen een bezoek aan Leiden. Al mijn boeken verschijnen buiten Duitsland altijd het eerst in het Nederland.’ Het grote succes voor Schulze begon in 1998 met Simpele story’s. Zijn licht geschreven korte verhalen over het verkruimelde dagelijkse leven in de provincie sloegen in als een bom. De grote politieke omwenteling vertaalt zich in emoties en kleine dilemma’s van de ontgoochelde ddr-burgers. Het boek verscheen in 23 landen. Vorige week kwam de Nederlandse vertaling van Neue Leben (Nieuwe Levens) uit.

Schulze is dé Wende-auteur. In Duitsland wordt hij ook geprezen als de ‘redder van de Duitse literatuur’ – door onder anderen Günter Grass – en als ‘de beste onder de nieuwe generatie Duitse schrijvers’. Ingo Schulze: ‘De ontvangst van mijn boeken maakt duidelijk dat er in Duitsland nog steeds een IJzeren Gordijn bestaat. Niet hermetisch, maar een in de wind wapperende vitrage. In het westen worden mijn boeken gehistoriseerd. Kloppen de feiten, was het werkelijk zo? In de voormalige ddr wordt mijn werk gezien als een verbeelding van eigen ervaringen en herinneringen. Buiten Duitsland word ik geplaatst in een bredere trend waarin artistiek wordt afgerekend met de ddr-tijd. Het past in het succes van de films Goodbye Lenin en Das Leben der Anderen. Voor mijzelf is het enige criterium of het goede literatuur is.’

Na Simple story’s werkte Schulze zeven jaar aan zijn achthonderd pagina’s dikke Neue Leben. Het bestrijkt de heftige periode rond de eerste demonstraties in Leipzig in de herfst van 1989 tot aan de eenwording in 1990 aan de hand van brieven van de hoofdpersoon Enrico Türmer. Schulze laat zien hoe een jongeman, opgegroeid in de ddr, zijn illusies om een groot en betekenisvol schrijver te worden ziet verdampen en in de nieuwe werkelijkheid van de D-Mark een bestaan tracht op te bouwen als ondernemer. Türmer vraagt zich af hoe en wanneer het Westen in zijn hoofd komt. Die worsteling wordt uitgewerkt in een gedetailleerde psychologische vertelling vanuit een persoonlijk perspectief. Beschreven worden de verwondering over westerse producten – komkommersalade in de winter, broccoli als groene bloemkool, schone benzine die ruikt als parfum – en ervaringen van ‘de eerste keer’, zoals een bezoek aan Parijs waar in de straten met de grote modehuizen bedelaars en prostituees lopen. Türmer moet als kersverse ondernemer commercieel gaan denken en wordt geconfronteerd met een mentaliteit die alles in geld uitdrukt. Het verhaal is Schulze’s eigen post-Wende-beleving.

Het heeft hem heel veel moeite gekost, zegt Schulze na afloop van de presentatie van zijn boek in het Goethe Instituut in Amsterdam: ‘Dat het weer over de Wende moest gaan, was voor mij duidelijk. Ik wilde niet terugkijken naar de ddr-tijd, maar beschrijven hoe het verder is gegaan na de Wende. Wat heeft de nieuwe werkelijkheid met mensen gedaan? Hoe heeft men zich aangepast? Maar het lukte me niet om de structuur en de figuren vorm te geven. De eerste drie jaar kreeg ik geen woord op papier. Ik leed onder de verwachtingen na het enorme – voor mij onverwachte – succes van Simpele story’s. Die eerste jaren waren een regelrechte martelgang. Ik wilde een novelle schrijven. Het is een kolossale roman geworden.’

Schulze werd pas schrijver ná de val van de Muur in 1989. Tot de eerste demonstraties in Leipzig leidde hij als dramaturg bij het theater in Altenburg een overzichtelijk bestaan, met in zijn achterhoofd altijd de stille droom om net als zijn vele vrienden naar het Westen te gaan. Schulze begaf zich nooit in de wereld van dissidente kunstenaars en schrijvers en koesterde geen grote plannen om schrijver te worden.

In het boek is het juist omgekeerd. Türmer zegt: ‘De ddr was een droomland voor schrijvers. Woorden waren belangrijk, ze konden de grondvesten van de staat laten trillen. Wat moest een schrijver zonder de Muur?’ Schulze: ‘Het idee was dat, als een systeem is gebouwd op woorden, je het ook met woorden kunt aanvallen en zelfs omgooien. Schrijvers voelden zich almachtig, want zij schreven wat anderen dachten. Als lezer had je ook die ervaring. Als je een boek via het illegale circuit kreeg, had je twee dagen de tijd om het te lezen. In die sfeer kreeg iedere alinea waarde. Met het instorten van het systeem veranderde de betekenis van boeken en gedichten. Schrijvers hadden het gevoel dat ze zich niet meer hoefden te bewijzen. Velen van hen zakten weg in een gevoel van zinloosheid en depressie. Hun pen had geen betekenis meer. Wat viel er nog te zeggen? Opeens ging alles over het verleden. Dat is het vreemde geweest: de door de staat georganiseerde kritiek op het kapitalisme verstomde, terwijl het kapitalisme zich juist keihard in het dagelijks leven verscherpte. Ik weet nog dat ik een keer een cadeau kocht en besefte dat ik voor dat bedrag vroeger wekenlang in Polen op vakantie ging. De Wende was voor veel mensen een wisseling van afhankelijkheid. Van een totalitaire staat naar een allesbepalende economie. Men zegt vaak: “Tot 1989 kon ik alles zeggen over mijn chef en niets over Honecker, daarna kon ik alles zeggen over politici maar niets over mijn chef.” De angst voor werkloosheid nu is net zo groot als de angst voor maatregelen tegen ideologisch onwelgevallige uitspraken toen. Maar het samensmelten van de twee economieën is onvermijdelijk geweest. Het kon niet anders.’

Met een groep anderen richtte Schulze in 1990 een krant op. Het werd geen succes: ‘Ik heb toen de relativiteit van persvrijheid ervaren. In de ddr geloofde je wat er in de krant stond niet, ook niet negatieve dingen over het Westen die wel klopten. Toen ik zelf journalist was geworden, ging ik me afvragen hoe persvrijheid, hoeksteen van de democratie, functioneerde. Ik zag hoe Springer Verlag er alles aan deed om de rood-groene coalitie van Schröder zwart te maken. Het machtsimperium van Berlusconi in Italië: dat vond ik een schokkende ontdekking. Met mijn eigen krant merkte ik hoe lastig advertenties en kritische stukken over bedrijven samengingen. Voor een wekelijks vaste advertentie van één bedrijf konden vijf mensen aan het werk blijven. Zakelijk gezien was het keihard. Ik vond dat moeilijk.’

Schulze zegt eigenlijk maar kort een gevoel van échte euforie te hebben ervaren: ‘De eerste dagen van de demonstraties waren we bang dat er militair ingegrepen zou worden. Dat ging al snel over in de overtuiging dat we niet meer terug konden. We kregen massaal het idee dat wij, het volk op straat, de macht gingen overnemen. In die dagen kwam alles samen: je kon vrijuit spreken, je geloofde in een nieuw leven – en dit werd samen beleefd. Even maar. Maar ik was ook een beetje treurig. Nu moest ik dingen gaan doen die ik vroeger nooit hoefde: leiding en verantwoordelijkheid nemen over mijn eigen leven. Heel bewust drong dit door. De val van de Muur was een gelukkige schok. Mijn schrijverschap met de ddr als inspiratiebron begon later.’

Lijden is voor Schulze niet, zoals voor andere schrijvers uit de ddr-tijd, een noodzakelijke voorwaarde voor het schrijven: ‘Waarom begin je eigenlijk te schrijven? Op het moment dat er iets onaangenaams gebeurt. Als je moeilijkheden of tegenslag te verduren hebt; als je, pathetisch gezegd, het gevoel hebt dat je sterfelijk bent. Dan begin je te schrijven. Dat geldt voor alle kunst. Het is een drang om een ongewone toestand te delen met publiek. Je wilt niet alleen zijn met je ervaring.’

In het herenigde Duitsland heeft Schulze zich nooit vervreemd gevoeld. Ook heeft hij nooit de drang gehad om, zoals veel van zijn vrienden, zijn geboorteomgeving in te ruilen voor een stad in het westelijk deel. Een Ossi voelt hij zich niet. Wel ervaart hij ten opzichte van generatiegenoten die zijn opgegroeid aan de andere kant van de Muur soms een ervaringskloof: ‘Dat komt tot uiting in kleine dingen. Onlangs vertelde ik aan een kennis van mijn vrouw die is opgegroeid in Bonn dat ik mijn rekening heb bij de Dresdner Bank. Zij vond dat raar, want die bank was fout geweest in de oorlog. Ik moest even nadenken: welke oorlog? De Koude Oorlog? De verwerking van de nazi-periode heeft in mijn jeugd geen rol gespeeld. De ddr was immers opgebouwd door mensen uit het antifascistische communistische verzet. De holocaust was nauwelijks een issue. Wij maakten ons op school in de jaren zeventig druk over de Stalin-kampen. Uit de Duitse geschiedenis leerden we bijvoorbeeld over onze protestantse wortels en in hoeverre de gepredikte sobere levensstijl van Maarten Luther ideologisch paste bij onze identiteit.’

Tijdens het schrijven van het boek heeft Schulze gemerkt hoe ver de jeugdige persoon Ingo Schulze uit de ddr-tijd is weggezakt: ‘We geloofden toen niets, ik was oneindig naïef. Dat kan ik niet meer navoelen. Een van de grote verschillen is dat mijn wereld vroeger heel klein was. Je had een beperkte kring mensen met wie je omging. De wereld is groot geworden. Ik ben rijker geworden, vooral in mijn contacten. Ik reis door Europa en woon nu in Rome. Voor mijn moeder is dat nog steeds onvoorstelbaar. Haar generatie heeft de boot volledig gemist. Daarin schuilt de grootste tragiek.’