De prijs van commercie en consumptie

Wat moet dat kosten?

Vanaf de dood van Ceausescu in 1989 draaide het om een welhaast sacrale trits: deregulering, privatisering en commercialisering. Alles kreeg zijn prijs.

Er zijn van die dagen dat bijna alle verkeersborden tegelijkertijd worden omgezet. Volgens sommige filosofen is het woord niet betamelijk, maar voor de minder geschoolde waarnemer zijn het toch de hondsdagen van een paradigmawisseling. Vaak gaan ze gepaard met moord en doodslag. Maandag 6 mei 2002 was zo’n dag. Maandag 25 december 1989 ook. En zondag 3 september 1967 eveneens.

Wat er op de 6e mei 2002 in Nederland gebeurde, is bekend. Het was de laatste dag van de 20ste eeuw in Nederland en de eerste dag van de 21ste eeuw. Of beter, het was een vorm van normalisering. We waren met hysterische stomheid geslagen. Dit had niemand verwacht. Wat te doen? Vooral hard roepen: dat we van «onze onschuld» zijn beroofd en dat we ons op de dieven zullen wreken.

De 3e september in 1967 is grotendeels uit het geheugen verdwenen. Toch was het een belangrijke dag: in Zweden. Om vijf uur in de ochtend gingen ze daar met zijn allen in één vloeiende beweging rechts rijden. Er vielen geen doden of gewonden. De burgers hadden zich goed op dit moment voorbereid.

Op 25 december 1989 vielen er in Roemenië wel doden toen daar de borden werden gedraaid. Zeker twee mensen kwamen die 25ste december om het leven: Nicolae en Elena Ceausescu. Ze hadden zich niet geprepareerd. Vandaar.

De reden voor de wisseling van rijrichting in Zweden was een commercieel paradigma. Links was niet meer te handhaven, omdat de burgers zich massaal Kever en Kadet konden veroorloven. Ombouwen van de auto’s voor de kleine man was duurder dan aanpassing aan de napoleontische verkeersregels.

De oorzaak voor de wisseling van de macht in Roemenië was een politiek paradigma. Links was niet meer te handhaven, omdat de burgers almaar armer werden en de tijd rijp vonden voor erkenning van hun consumptieve behoeften. De socialistische dictatuur was zo armlastig geworden dat Ceausescu niet langer de eigenwaarde van zijn onderdanen kon afkopen met een Dacia of een datsja.

Anders dan de wending van links naar rechts in Zweden werd het verscheiden van Ceausescu alom op waarde geschat. Het was het plotselinge prisma van een langduriger doodsstrijd. Daarna zou alles anders en vooral beter worden. De geknechte volkeren in het «socialistische kamp» hunkerden immers naar democratie, het maatschappelijke model dat morele waardigheid paart aan materiële vooruitgang. Een Nieuwe Wereldorde lag in het verschiet: een stelsel waarin eerlijke concurrentie allen gelijke rechten en dus gelijke kansen zou geven. President George Bush sr. zei het zelf. Het liberale en sociale kapitalisme dat over de wereld vaardig zou worden, moest de definitieve doodsteek voor alle ideologieën van welke komaf dan ook worden. «Het is de economie, gekkie», zei zijn opvolger Bill Clinton diens campagneleider James Carville elke ochtend na. Of, zoals mr. J.L. Heldring schreef in NRC Handelsblad: het kapitalisme is géén ideologie maar, vrij vertaald in mijn woorden, een reken methode.

Heldring had voor vijftig procent gelijk. Ook in de meest radicale antikapitalistische maatschappijen wordt er gerekend dat het een lieve lust is, zij het in het geniep. Nergens, in goelag noch paradijs, leeft de mens louter en alleen om zijn naasten van dienst te zijn. Overal zoekt men signalen dat de «onzichtbare hand», of die nu van God is of van de Rede, in ieder geval hem of haar welgevallig is. Het is een soort geseculariseerde predestinatie. Dat blijkt de laatste maanden in de Verenigde Staten waar de chief executive officers van nieuwe conglomeraten zo goed konden rekenen dat ze hun eigen bedrijven naar de bliksem hebben geholpen en nu onvoldoende in staat zijn een onbaatzuchtige bijdrage te leveren aan het patriottisme waarom de president George Bush jr. smeekt.

Maar Heldring had voor de andere helft ongelijk. In hun eigen hart mochten de operationele topmanagers wellicht beter weten — en ze wisten beter, getuige hun intelligente behandeling van het fenomeen «opties» — met de mond beleden ze wel degelijk ideologie, waren ze op pad met een missie.

Want vanaf de dood van Ceausescu in 1989 draaide het om een welhaast sacrale trits: deregulering, privatisering en commercialisering. De overheid moest de regels trimmen om de markt ruimte te geven. De staat diende zijn bezit te verkopen omwille van een doelmatiger en goedkopere dienstverlening. En de maatschappij werd op het hart gebonden dat alles een prijs heeft.

Adviseurs in Harvard pakten hun koffers en reisden de wereld over om de tragere leerlingen in de nieuwe orde voor te rekenen dat de kost voor de baat uitgaat. Het succes van hun colleges was ongekend. In Rusland bijvoorbeeld privatiseerden autochtone zakenlui de bodemrijkdommen, die voordien als onderpand van de roebel hadden gediend, in eigen kring en vooral voor een appel en een ei. Harvard fronste de wenkbrauwen — waarom mochten Exxon en Shell niet meedoen? — maar had geen onoverkomelijke bezwaren. Het eigentijdse kapitalisme moest nu eenmaal eerst door een donkere fase heen voordat het ochtendgloren kon aanbreken. De jaren negentig mochten een centje kosten. Het ging om een hoger doel: de global village.

Ondertussen raakten 150 miljoen Russen in 1992 nagenoeg al hun spaargeld kwijt. Dat was goed, volgens Harvard. De Russen hadden te veel geld op zak en de winkels hadden te weinig spullen in de vakken. Dit «roebeloverschot» diende te worden geplunderd. In een paar maanden was het doel bereikt: de roebels op de spaarbank of in sokken gingen in een oogwenk in rook op.

Het effect van deze hyperinflatie was klassiek. Wat Sebastian Haffner in zijn jeugdherinneringen Het verhaal van een Duitser over de Weimarrepubliek onthutsend simpel had beschreven, gebeurde ook in Rusland. De snelle snotapen begrepen het tempo van de hyperinflatie. Ze gingen energiek met dollars aan de slag. Hun ouders bleven armlastig achter. In een jaar stonden alle traditionele verhoudingen op hun kop. De macht was zoekgeraakt in een zwart gat. Eén man zag de voordelen: de clowneske patriot Zjirinovski. Met de programmapunten «gratis wodka» en «Finland terug in het rijk» haalde hij in 1993 bijna een kwart van alle stemmen.

Nu, een decennium later, haalt de buitenwereld opgelucht adem. In het Kremlin resideert de rationele patriot Poetin. Om gratis wodka en Finland taalt niemand meer. Bush jr. heeft Poetin daarom welkom geheten in het mondiale orkest dat zijn vader graag had gedirigeerd.

Hoe abnormaal is Nederland vergeleken met dit Rusland? Ook in Nederland luisterde het gehoor ademloos. En net als in Rusland pakte het anders uit dan in de boekjes was voorspeld. Weliswaar werd het volk hier niet beroofd maar beloond. Weliswaar kreeg de burger de smaak te pakken van een gokje op de beurs of een kanotochtje door woest water. Weliswaar bleef de economie gestaag groeien en het fiscale top tarief wat krimpen. Maar desondanks was men niet tevreden. De leuze van de jaren negentig was: wat moet het kosten? Het antwoord luidde: de prijs is te hoog.

De deregulering mondde uit in juridisering. Bij gebrek aan marktmeesters konden de partijen elkaar maar het beste bestrijden door naar de civiele of administratieve rechter te gaan, waarna de overheid nieuwe regels stelde die vervolgens weer door de partijen werden aangevochten. Een voorbeeld: de vuurwerkramp in Enschede. Toen het kalf was verdronken, moest de orde worden hersteld. Sindsdien klaagt de Rotterdamse haven dat de vuurwerkcontainers liever in Antwerpen afmeren.

De privatisering schiep verpaupering. Toen de gemeente Amsterdam het kabelbedrijf KTA voor 750 miljoen gulden verkocht — omdat de lokale overheid de noodzakelijke investeringen in de grond niet kon noch wilde bekostigen — dacht ze goede zaken te hebben gedaan. Thans is UPC, dat KTA en nog veel meer kabelnetwerken in handen kreeg, amper honderd miljoen gulden waard. Wie heeft wie een kat in de zak verkocht?

De commercialisering leidde tot een wildgroei aan zelfstandige bestuursorganen die zowel duur zijn als onaanspreekbaar. Wie bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen examen probeert te doen, weet wat ik bedoel.

Het donderde allemaal niet. Voorwaarts, naar het licht. Tot die cruciale 6e en 15e mei 2002. De burger bleek razend. Het spreekwoordelijke mededogen voor de minder bedeelden had plaats gemaakt voor weerzin jegens hun onvermogen zich te emanciperen en te verheffen. We waren de schaamte over de slachtoffers voorbij. We wilden weer eens dader zijn.

Waarop was het wachten geweest? Op de zegen van boven. Dat duurde even. Op 14 november 1992, toen Zjirinovski aan zijn opmars begon, waarschuwden een zeventigtal vooraanstaande en weldenkende Nederlanders — voor de namen verwijs ik naar de krantenlegger in de bibliotheek — de drie grote partijen per advertentie nog voor de laatste keer. Na de vliegtuigramp in de Bijlmermeer was aan het licht gekomen dat ons systeem anders werkte dan we dachten. Er bleken illegalen te zijn. Hoeveel? Dat was natte vingerwerk. Maar staatssecretaris Kosto wilde actie. Hij kreeg bijval. «Ondergetekenden vragen CDA, PvdA en VVD hun wedloop in dreigementen aan het adres van illegale buitenlanders te staken», was de tekst waarmee de top zeventig stelling nam tegen deze neiging van Kosto c.s.. In 2002 bijten deze zeventig Nederlanders in het zand. Sommigen fluiten nog steeds in het donker. Anderen hebben de steven drastisch gewend en begrijpen het volk nu wel ten volle.

Daar is niets mis mee. Voorzitter Cor Kieboom van Feyenoord wist dat voor zijn aftreden in 1967 al. Toen ze in Zweden heel accuraat naar rechts gingen sturen, stelde hij een retorische vraag: «Waar staat dat ik consequent moet zijn?»

Inderdaad. Nergens. Ziedaar het resultaat: consequenties zijn voor de dommen. Ziehier de toekomst: een kabinet dat wil afmaken wat afgelopen jaren is blijven liggen. De jaren nul worden nog gekker dan de jaren negentig. Welterusten.