Wat moet ik doen?

A.H.J. Dautzenberg, Extra tijd. Atlas Contact, 224 blz., € 18,94

Je moet het hem nageven, want hoewel hij twee jaar terug nog een volslagen onbekende in de boekenbijlagen was, kun je met een pamflet, een verhalenbundel en twee romans inmiddels stellen dat A.H.J. Dautzenberg aan een origineel, samenhangend en herkenbaar oeuvre bouwt. En hij is voorlopig nog wel even bezig. Het is een oeuvre waar je met heel veel moeite een mooie zin in zult ontdekken. Dautzenberg lijkt zich niet te interesseren voor het veelzeggende detail, het idiosyncratische adjectief, voor die ene rake metafoor die een zin doet oplichten van de pagina – dat kun je jammer of bezwaarlijk vinden (dat doe ik), maar dat bezwaar is irrelevant. Taal is bij hem geen doel op zich, maar enkel een instrument dat hij soms moeiteloos en soms bot hanteert om tot de kern van zijn proza te komen, het doel dat alle middelen heiligt, namelijk het stellen van ongemakkelijke vragen.

Hoe écht is naastenliefde en hoe ver durf je daarin te gaan (de autobiografische roman-in-gesprekken Samaritaan, 2011, over een man die een nier weggeeft aan een vreemde), hoe zeer is de economie een illusie en hoe laten we ons willens en wetens bespelen om die fictie in stand te houden? (zijn pamflet Rock € Roll, 2011), hoe ver gaat vrije meningsuiting en tolerantie voor een seksuele voorkeur die niet de jouwe is (zijn essays over zijn veelbesproken lidmaatschap van pedopartij Martijn, onder meer in De Groene Amsterdammer)? Natuurlijk vinden critici het interessant wanneer een schrijver fictie inzet om zulke vragen te stellen – maar dan moet je je ook afvragen, excuus voor het metaniveau, hoe integer die vragen daadwerkelijk zijn. Ben je echt op zoek naar een antwoord of wil je scoren met voorspelbaar sentiment? Dat de markteconomie een laag heeft van bedrog en zelfbedrog mag als bekend worden verondersteld, geen vvd-stemmer die daar slecht van slaapt, en dat er een heel legioen reaguurders en nujij.nl’ers klaarstaat om moord en doodslag te schreeuwen zodra jij lid wordt van Martijn (hij kondigde zijn lidmaatschap zelf aan) valt te verwachten. Het zou pas choquerend zijn als ze niet zouden reageren, als er geen taalfouten in hun hate mails zaten. Het gemak waarmee Dautzenberg de reacties opriep zijn niet zozeer een bewijs van literair kunnen als van publicitair inzicht. Je krijgt het idee dat hij het heel goed zou doen in de reclamewereld.

En nu dan is er Extra tijd, een roman die meteen mag gelden als Dautzenbergs meest toegankelijke en meest integere. Extra tijd gaat over de 44-jarige Marcel Meulenberg (in wie we veel van de auteur zelf herkennen), een econoom met literaire aspiraties, die terugkeert naar zijn geboorteplaats Kerkrade als zijn vader op sterven ligt (‘Het melanoom is de afgelopen maanden lekker bezig geweest’). De ongemakkelijke vraag die Marcel zichzelf stelt is even simpel als onontkoombaar, in zijn eigen woorden: ‘Mijn vader gaat dood, godverdomme, wat moet ik doen?’

Het portret van het Zuid-Limburgse laagopgeleide arbeidersmilieu van Marcels vader tekent Dautzenberg met al zijn tekortkomingen, warts and all, maar niet zonder warmte: de onuitgesproken liefde, de manier van praten met zo weinig mogelijk woorden, de aangeboren bereidheid gezag en hiërarchie te accepteren, het altijd sluimerende minderwaardigheids­gevoel dat daaruit voortkomt, een leven waarin tranen niet zijn toegestaan, waarin cultuur hooguit de vorm heeft van een spaghetti­western en waarin de enige hogere roeping voetbal is, geuit in de clubliefde voor Roda JC, dat net tijdens het doodsbed van vader Gustaaf in de nacompetitie moet knokken om degradatie te ontlopen.

De laatste weken verlopen met een zekere voorspelbaarheid. Er is vanzelfsprekend nog een familiegeheim dat uit de kast komt. Een keer wreekt Dautzenbergs desinteresse voor taal, in de sterfscène nota bene, die bijna zo rechttoe-rechtaan is geschreven, met uitroeptekens en hele woorden in hoofdletters, dat het bijna leest als jeugdliteratuur (‘Ik voel paniek opkomen… Mijn vader gaat dood. Mijn vader gaat dood! MIJN VADER GAAT DOOD!’). Maar Dautzenberg maakt Marcels angst levendig en invoelbaar genoeg om de lezer zo ver te krijgen dat hij hem wil volgen, het geeft Extra tijd zijn niet te missen urgentie. Marcel probeert zichzelf nuttig te maken, kookt, laat de hond uit en hoopt krampachtig dat Roda JC zich in de eredivisie handhaaft, als een laatste victorie voor zijn vader, zodat hij trots op zijn club kan ‘vertrekken’ (‘Bestemming onbekend, maar niet onbemind. Zeker niet onbemind’) en de uitvaart niet alleen maar dramatisch hoeft te zijn. In zijn hoofd voert Marcel ondertussen gesprekken met een zwarte cowboy zoals je die altijd in westerns hebt, de man met de zwarte hoed en het zwarte shirt die passieloos dood en verderf zaait, een personage dat een stand-in is voor de duivel, of Magere Hein. Zo ziet Marcel hem ook: van mijn vader blijf je af, roept hij herhaaldelijk, maar de zwarte cowboy komt steeds dichterbij.

Als Marcel een antwoord schuldig blijft op de vraag: ‘Mijn vader gaat dood, wat moet ik doen?’, dan is dat ook omdat hij de vraag niet echt onder ogen durft te komen. Hij, en daarmee Dautzenberg, kan de Dood alleen benaderen als een personage uit een western en kan het laatste uitje van zijn vader, een paar dagen naar Vlieland, alleen zien als een pijnlijke film waar hij amper deel aan heeft (het hoofdstuk is geschreven als een filmtreatment). Zonder fictie kan hij de werkelijkheid niet aan. Je ontkomt niet aan het idee dat Dautzenberg voor het eerst een roman heeft geschreven over een ongemakkelijke vraag waar hij zelf geen antwoord op heeft.