De hel van Damascus

‘Wat moet ik doen als ik terugkom?’

Vorige week werden voorsteden van Damascus getroffen door dodelijke gifgasaanvallen. Het leven in deze gebieden is al heel lang onmenselijk. In zijn Nederlandse flatje vertelt Mohammed over zijn opstandige wijk aan de rand van de hoofdstad.

‘Dit is mijn oom’, zegt Mohammed zonder emotie. ‘Eergisteren omgekomen bij een mortieraanvaal.’ Hij toont een foto op zijn Facebook-pagina van een man die is opgebaard en in een wit laken gewikkeld. Zijn gezicht is bleek en opgezwollen. Mohammed haalt zijn schouders op. ‘Zo gaan die dingen.’

Mohammed zit aan zijn bureau in een kamer in een flatje. Zes weken geleden is hij voor drie maanden op uitnodiging naar Nederland gekomen. Met zijn gedachten is hij echter voortdurend in Syrië.

Mohammed komt uit S., een wijk aan de rand van Damascus. S. telt vijftigduizend inwoners en geldt als een van de armste wijken van de stad. De meeste woningen zijn traditionele Arabische huizen met een binnenplaats, waar vaak meerdere families wonen. De huizen bestaan meestal maar uit twee verdiepingen en in tegenstelling tot de rest van Damascus is er nauwelijks hoogbouw. De woonblokken zijn met elkaar verbonden door een netwerk van nauwe straatjes en steegjes, waar je makkelijk verdwaalt.

In S. wonen vrijwel uitsluitend conservatieve soennieten. Alleen aan de rand van de wijk woont een kleine alawitische gemeenschap. Zij werken op de barakken van leger, politie en de veiligheidsdienst die even verderop liggen. Hier bevindt zich onder meer een militaire basis van de Speciale Eenheden.

In Syrië hebben de alawieten het voor het zeggen. Tijdens de heerschappij van de familie Assad, zelf ook alawieten, werd de gemeenschap stelselmatig bevoordeeld. Met name de mensen uit de eigen clan klommen op tot hoge posities in het leger, kregen dikke zakencontracten toegespeeld of schopten het tot directeur van een of ander staatsbedrijf. Ook gewone alawieten profiteerden mee. Zij kregen baantjes in het overheidsapparaat, bij de veiligheidsdienst of de politie. Veel alawieten verhuisden met hun gezinnen naar Damascus, waar ze bij elkaar gingen wonen in aparte wijken of woonblokken, zoals ook in S.

Toen de revolutie uitbrak, studeerde Mohammed aan de universiteit van Damascus. Hij was betrokken bij de eerste protesten op de campus. ‘We waren helemaal niet zo politiek bewust’, geeft hij toe. ‘Natuurlijk wisten we wel dat de alawieten de baas waren in Syrië, maar dat was allemaal niet eens zo belangrijk. Het was vooral spannend. Zelfs een alawitische studievriend van mij deed mee.’ Ook in S. was Mohammed een van de drijvende krachten achter de demonstraties tegen het regime.

Niet veel later kreeg hij van het hoofd studentenzaken te horen dat zijn naam op een lijst stond van gezochte personen. Hij kreeg het advies om binnen 48 uur naar Libanon te vertrekken om te voorkomen dat hij zou worden opgepakt. Daar moest hij dan maar iets ‘regelen’. Mohammed volgde het advies op. Vanuit Libanon pleegde hij wat telefoontjes en betaalde duizend euro aan een corrupte veiligheidsfunctionaris. Toen was het ‘geregeld’: zijn naam was van de lijst en hij kon weer naar Syrië.

Terug in S. sloot hij zich weer aan bij de betogingen. Aanvankelijk waren de demonstraties kleinschalig, een paar honderd man hooguit. Tijdens een van deze demonstraties schoten agenten van de veiligheidsdienst enkele betogers dood. ‘Toen er eenmaal bloed was gevloeid, veranderde alles’, legt Mohammed uit. ‘De volgende dag stonden er in S. zeker tienduizend man op straat.’

Terwijl de betogingen in omvang toenamen, gebruikte het regime steeds meer geweld om ze de kop in te drukken. Na een paar maanden begonnen de inwoners zich te bewapenen. In het begin was er geen sprake van openlijke gevechten tussen opstandelingen en het regime. Het aantal mannen met wapens bedroeg niet meer dan vijftig. Zij voerden kleine operaties uit: bomaanslagen op overheidsgebouwen of aanslagen op hoge officieren. ‘Wij in S. waren gespecialiseerd in ontvoeringen. Soms kwamen ze uit andere gebieden aan ons vragen of we niet iemand voor hen konden ontvoeren.’

Mohammed zelf ging werken als koerier. Via contactpersonen smokkelde hij geld de wijk binnen, bedoeld voor de gezinnen van wie de man was doodgeschoten of vastzat in de gevangenis. Rond die tijd waren er al hevige gevechten in Homs en veel vluchtelingen uit de stad waren neergestreken in S. Die moesten allemaal eten, drinken en onderdak krijgen. En daar was veel geld voor nodig.

Dit geld kreeg hij steeds van een vast contactpersoon, die het weer vanuit Libanon naar Syrië bracht. Op een avond moest Mohammed een nieuwe tas geld ophalen. ‘Het was vlak voor de ramadan. Mijn contactpersoon bleef me maar bellen om te vragen waar ik toch bleef. Ik vond het wat vreemd, maar we hadden al eerder zaken gedaan, dus ik rook geen onraad. Terwijl ik mijn auto aan het inparkeren was, stond hij buiten te wachten. Hij nodigde me uit voor een kop koffie bij hem thuis. Op het moment dat ik de woning binnenging, wist ik dat ik er was ingeluisd. Het zat vol met gewapende agenten van de veiligheidsdienst. Mijn contactpersoon werkte voor het regime en had al meerdere koeriers op deze manier weten te pakken.’

Mohammed kwam terecht bij de veiligheidsdienst die hem beschuldigde van het ondersteunen van illegale gewapende organisaties. Ze wisten alles over hem. Ze beschikten zelfs over zijn telefoongesprekken van een half jaar terug. Ook het dossier over zijn deelname aan de demonstratie op de universiteit hadden ze nog bewaard. ‘De alawitische studievriend had mij aangegeven. Hij was lid van de Republikeinse Garde, zonder dat ik dat wist. Een aantal maanden geleden vond ik zijn naam en foto op een Facebook-pagina van het regime. Gesneuveld.’

Tijdens zijn gevangenschap verbleef Mohammed in een isoleercel van één bij twee meter, zonder lichtbron of toilet. Hij werd geslagen en gemarteld om bekentenissen en informatie te verkrijgen. Meestal deden ze dit door het toebrengen van elektrische schokken. ‘Een keer hadden ze de stroomkabel van de ventilator losgekoppeld en de koperdraden aan mijn lippen vastgemaakt. Vervolgens stopten ze de stekker steeds weer in en uit het stopcontact. Ik had het gevoel dat mijn ogen uit mijn kop spatten.’

Na een maand kreeg Mohammed te horen dat hij zou worden vrijgelaten voor een hoge officier als onderdeel van een gevangenenruil. In afwachting daarvan werd hij overgebracht naar een detentiecentrum aan de rand van S. Vergeleken met zijn nieuwe verblijfplaats was zijn eerdere isoleercel een vijfsterrenhotel. De gevangenis was een ruimte van dertig vierkante meter met meer dan 160 gevangenen. ‘Er was eigenlijk geen plek meer voor mij, maar de bewakers pakten me op en gooiden me gewoon boven op de andere gevangenen. Het was er verstikkend heet. Je kon er nauwelijks ademen.’

Drie dagen later zou de ruil worden voltooid. De opstandelingen uit S. hadden de gevangen genomen officier echter zodanig gemarteld dat hij het niet had overleefd. Niet alleen het regime was woedend, maar de mensen uit S. zelf ook. ‘De afspraak was dat we de officier zouden ruilen tegen honderd van onze gevangenen. Nu was ik de enige die vrijkwam.’ Hoewel Mohammed weer een vrij man was, betekende dat niet dat hij kon doen wat hij wilde. Er was geen sprake van amnestie. ‘Je wordt wel vrijgelaten, maar ze kunnen je honderd meter verderop gewoon weer oppakken. Je naam blijft namelijk op de lijst met gezochte personen staan.’

Niet alleen de opstandelingen plegen ontvoeringen. Milities van het regime, de shabiha, doen precies hetzelfde. Vorig jaar hadden rebellen uit S. een alawiet uit een dorp in de kustregio te pakken gekregen. Zijn dorpsgenoten hadden als vergelding een minibus uit S. aan de kant gezet en de passagiers gekidnapt. ‘Uiteindelijk besloten we de alawiet maar weer vrij te laten. Niet veel later kregen we ook de minibus terug.’

De uitruil van gevangenen vindt plaats op basis van vetrouwen, maar de overeenkomsten nemen vaak veel tijd in beslag. Momenteel zitten er in de gevangenis van S. nog tientallen militairen en aanhangers van het regime vast. Zolang het niet om een hoge officier gaat, of een zoon daarvan, kan het regime zich er maar weinig voor interesseren.

Na zijn vrijlating vertrok Mohammed naar Libanon. Een medewerker van de veiligheidsdienst, die in het geheim aan de kant van de rebellen stond, smokkelde hem in een auto de grens over. Daar kwam hij bij van de periode in de cel en ook regelde hij een onderkomen voor zijn ouders en zijn kleine broertje. Mohammed werd nog steeds gezocht en hij was bang dat het regime zijn familie iets zou aandoen. Pas toen hij zeker wist dat zijn familie in veiligheid was, keerde hij terug naar S.

Mohammed scrollt verder over zijn Facebook-pagina. Hij toont een foto van een luxe villa met een tuin en een zwembad. Een klein paradijs. ‘Elke avond zat ik hier rond het zwembad met een paar vrienden die zich hadden aangesloten bij de opstandelingen. De wapens lagen naast hen op de rand van het zwembad. Net die ene keer dat ik er niet was, omdat ik met iemand anders had afgesproken, viel het regime de villa binnen en schoot iedereen dood. God had me die avond beschermd.’ Mohammed staart naar het blauwe water en de bloeiende vruchtenbomen eromheen. ‘Natuurlijk is die villa nu verwoest, net als de rest van S.’

Gedurende de tijd dat Mohammed in de gevangenis zat, sloten steeds meer inwoners uit S. zich aan bij de gewapende opstandelingen. Hun aantal bedroeg inmiddels meer dan duizend man. Zij begonnen zich openlijk op straat te vertonen met de wapens in de hand. Voor het regime was dat de druppel. Het wilde voor eens en altijd een einde maken aan de opstandigheden in S. Het leger richtte controleposten op tussen het stadscentrum en S. en begon de wijk onder vuur te nemen met veldartillerie en mortieren. Het zette zelfs vliegtuigen in. Bij dit eerste bombardement vielen meer dan driehonderd doden. Verreweg de meeste slachtoffers waren gewone burgers. ‘Niemand had verwacht dat het regime hiertoe in staat was’, zegt Mohammed. ‘Voor de meesten was alles nog steeds een soort grap. Bij de eerste bommen gooiden zij meteen hun wapens weg en sloegen op de vlucht.’

Het leger veegde vervolgens de hele wijk schoon. Gewone burgers zochten een veilig heenkomen in Damascus, opstandelingen en activisten die werden gezocht door het regime vluchtten naar andere buitenwijken die onder controle stonden van de oppositie.

De leegloop van S. veroorzaakte een enorme crisis in Damascus. Er bevonden zich opeens veertigduizend vluchtelingen midden in het centrum. Ze hadden tentjes opgeslagen in het park of sliepen op straat. Ze vormden een enorme economische last voor de stad. Het regime besloot daarom zijn operaties te staken, zodat deze vluchtelingen konden terugkeren naar S. Maar met de terugkeer van de vluchtelingen kwamen ook de rebellen terug. Het regime sprak met hen een niet-aanvalsverdrag af: zolang zij het regime niet aanvielen, liet het regime hen met rust. Mohammed: ‘Het was verder prima dat we wapens droegen, zolang dat maar niet in het zicht was.’

Het regime hield S. wel gevangen in een strakke omsingeling. Door checkpoints was het haast onmogelijk om zonder toestemming de wijk nog in en uit te komen. Eenheden van het regime groeven zich in bij de barakken van de Speciale Eenheden en de woonblokken van de alawieten. Hier installeerden zij artilleriegeschut en lanceerplatforms waarmee ze de directe omgeving konden bestrijken met raketten en granaten.

De opstandelingen maakten gebruik van het niet-aanvalsverdrag om ondertussen hun posities te versterken. Op elk belangrijk kruispunt verrezen versterkte verdedigingsposten en bij iedere toegangsweg kwamen mijnen te liggen. Ze richtten veldhospitalen in en bouwden schuilkelders om zich tegen een volgend bombardement te beschermen. Ook groeven ze tunnels naar aangrenzende wijken die moesten dienen als bevoorradings- of vluchtroute.

Hoewel er sprake was van een niet-aanvalsverdrag betekende dat niet dat het rustig was in S. ‘Iedereen zei dat we bevrijd waren’, zegt Mohammed. ‘Maar dat klopte natuurlijk niet. Elke dag kwam er wel ergens een mortier neer. Maar als we dan gingen klagen bij een officier van het leger of het hoofd van de veiligheidsdienst, dan antwoordde deze dat de mortier niet van hen afkomstig was. Bovendien werden we regelmatig aangevallen door de shabiha.’

Het leger en de veiligheidsdienst zijn namelijk niet de enige strijdgroepen van het regime. Er vechten ook allerlei paramilitaire groepen mee aan de kant van de regering. Deze shabiha bestaan uit alawieten en ordinaire huurlingen. In ruil voor hun diensten mogen zij naar hartenlust plunderen. De shabiha-milities gingen regelmatig op moord- en rooftocht in S., zonder dat het regime in staat was hen tegen te houden. De shabiha waren een creatie van het regime, maar dat had vervolgens alle controle over hen verloren.

Tussen rebellen en regime vond regelmatig overleg plaats. Midden in de wijk stond bijvoorbeeld een belangrijke fabriek die zowel S. als grote delen van de rest van Damascus van belangrijke goederen voorzag. Beide kampen wilden niet dat de fabriek zou worden beschadigd en deze werd dan ook niet aangevallen. De overheid stuurde zelfs gekwalificeerde werknemers naar S. om de machines te bedienen. Ze hadden speciale pasjes, waarmee zij van zowel militairen als rebellen vrije doortocht kregen.

Niet-aanvalsverdragen zijn in Damascus onderdeel van de strategie van het regime. Als ze een verdrag hebben gesloten met een bepaalde wijk kunnen ze de vrijgekomen troepen gebruiken voor een offensief in een andere wijk. Als ze daar klaar zijn, dan gaan ze weer naar de volgende. Zo probeert het regime de ene na de andere wijk uit te roken. Mohammed: ‘Bij de rebellen heerst de mentaliteit dat iedereen maar voor zichzelf moet zorgen. Waarom zouden wij uit S. ergens anders moeten gaan vechten? Laat hen hun eigen wijk maar bevrijden. En van die mentaliteit profiteert het regime weer.’

Op een volgende foto die Mohammed laat zien zitten twee mannen op de grond thee te drinken. De een is glad geschoren, de ander heeft een volle baard. De foto is van een bespreking tussen de opstandelingen in S. ‘Dit is Aboe Rami’, wijst Mohammed op de man zonder baard. ‘Hij is de leider van de opstandelingen in S. De foto moet geheim blijven. Tot nu toe weet het regime nog steeds niet hoe hij eruitziet.’

In S. zijn meerdere brigades actief. De grootste brigade heeft een neutrale naam en staat onder leiding van Aboe Rami. Vroeger was deze brigade vernoemd naar een belangrijke gebeurtenis uit de vroege geschiedenis van de islam, maar Aboe Rami veranderde de naam uit tactische overwegingen. Hij was namelijk op zoek naar financiële steun uit het Westen. Maar omdat het Westen alleen geld geeft aan ‘seculiere’ strijdgroepen had hij een ‘seculier’ imago nodig. Een niet-islamitische naam was daarbij essentieel.

Niet veel later ontstond een andere brigade van islamitische signatuur. Deze kreeg weer geld uit de Golf, die alleen maar islamitische gevechtsgroepen steunt. De ‘seculiere’ brigade telt negenhonderd strijders, de ‘islamitische’ driehonderd. Daar is een logische verklaring voor. Het maandelijkse salaris bij ‘seculiere’ brigade bedraagt tweehonderd euro, dat bij de ‘islamitische’ maar honderd.

Mohammed laat een foto zien van een strijder van de ‘seculiere’ brigade. Hij heeft een islamitische baard waarbij de snor is weggeschoren. Om zijn hoofd draagt hij een zwarte band met daarop in witte letters: ‘Allahoe akbar’, ‘God is groot’ – niet meteen een strijder die je verwacht aan te treffen bij een ‘seculiere brigade’. Mohammed: ‘De gewone strijder heeft geen idee van dit soort politieke spelletjes. Hij is een soort ambtenaar. Hij voert orders uit en krijgt zijn geld. Dat is het.’

Veel mannen hebben trouwens geen andere keuze dan zich aan te sluiten bij de rebellen. Wat is het alternatief voor iemand die wordt gezocht door het regime of door de oorlog zijn baan heeft verloren? Als soldaat bij een brigade krijgt hij in ieder geval nog soldij. Mohammed spreekt de berichten tegen dat in S. minderjarigen zouden meevechten aan de zijde van de opstandelingen. De jongsten zijn achttien jaar. Maar die kunnen ook niet anders. Wie geen gehoor geeft aan de oproep tot dienstplicht wordt gezocht door het regime, en kan nergens meer werk krijgen.

Tussen de brigades in S. was niet alles koek en ei. Hoe langer het niet-aanvalsverdrag tussen regime en rebellen standhield, hoe meer onenigheid er ontstond. De ‘islamitische’ brigade was fel tegenstander van het niet-aanvalsverdrag en beschuldigde de ‘seculiere’ brigade van verraad en afvalligheid. De ‘seculiere’ brigade had echter de meeste soldaten in zijn gelederen en was daarom de baas. Als de ‘islamitische’ brigade zo graag wilde vechten, dan moesten ze dat maar buiten S. doen. Iets wat ze ook deden.

Ook de gewone mensen begonnen onderling ruzie te maken. ‘Iedereen wilde een belangrijke functie krijgen’, vertelt Mohammed. ‘Iedereen zag zichzelf als de nieuwe burgemeester of politiecommissaris en meende daar op basis van zijn verdiensten tijdens de revolutie recht op te hebben.’

Soms liepen conflicten uit op bloedige afrekeningen. ‘Tijdens een bijeenkomst van strijders en activisten waarbij ik aanwezig was, stapte opeens een man de ruimte binnen. Hij liep op iemand af en schreeuwde: “Je bent een verrader.” Vervolgens schoot hij hem door zijn hoofd en vertrok.’ Ook Mohammed werd meermaals met de dood bedreigd, omdat hij kritiek had uitgeoefend op bepaalde praktijken van de opstandelingen.

De rebellenbrigades bleken bijvoorbeeld niet vies van corruptie. Volgens Mohammed ontving Aboe Rami astronomische bedragen, maar verdween een deel daarvan gewoon in zijn eigen zak. Hij regelde voor zijn gezin een veilig onderkomen in Turkije en zijn familieleden hadden opeens veel geld te besteden. ‘Hoe kan het zijn dat jouw gezin in een luxe resort verblijft in het buitenland?’ foeterde Mohammed, ‘terwijl de mensen in je eigen stad honger lijden.’ Overigens was de oprichter van de ‘islamitische’ brigade geen haar beter. Hij vertrok na de eerste betalingen uit de Golf direct naar het buitenland.

Qua corruptie spande het regime echter nog steeds de kroon. Hoge overheidsfunctionarissen, officieren, gewone soldaten of shabiha, iedereen probeerde geld te verdienen aan de oorlog of in ieder geval manieren te vinden om te overleven. Soldaten gestationeerd op controleposten aan de rand van S. verkochten zelfs hun wapens en munitie door aan de opstandelingen. Een kalasjnikov kostte vijfhonderd euro, ver onder de marktprijs in Libanon. ‘Soms hoorden we ’s nachts de soldaten op de checkpoints hun geweren leegschieten in de lucht’, vertelt Mohammed. ‘Tegen hun superieuren verklaarden ze dan dat ze hun geweer en kogels waren kwijtgeraakt tijdens schermutselingen met rebellen.’

Officieren verkochten zelfs hele opslagplaatsen vol wapens aan de rebellen. Of ze lieten deze met opzet door hen veroveren. Dat hierbij een paar soldaten het leven lieten, vond zo’n officier niet belangrijk.

Anderhalve maand geleden kwam er een einde aan de niet-aanvalsovereenkomst tussen het regime en de opstandelingen in S. Het regime was geïrriteerd geraakt doordat strijders uit S. gewoon in andere wijken tegen het regime vochten. Bovendien waren de tunnels in S. de enige bevoorradingsroute naar de door het leger omsingelde gebieden die in handen van de opstandelingen waren. Het regime was daarom vastbesloten de rebellen uit S. te verdrijven.

En toen brak de hel los. Vliegtuigen, artillerie en zelfs grondraketten. Doordat de wijk voornamelijk bestond uit lage bebouwing legden de raketten hele straten plat. Het bombardement was vele malen zwaarder dan dat van een jaar eerder, maar er vielen veel minder doden, omdat iedereen nu in schuilkelders zat. De aanval van het regime zorgde er wel voor dat de rebellenbrigades in S. hun meningsverschillen aan de kant schoven en één front vormden.

Desondanks dreigde het leger de wijk in korte tijd onder de voet te lopen. Uit de andere voorsteden, waar zeker twintigduizend strijders zitten, schoot niemand te hulp. De brigades uit S. hadden hen immers ook niet geholpen toen zij onder vuur lagen.

Pas toen het regime de tunnels wist in te nemen, realiseerden de brigades in de andere wijken zich het belang van S. Als S. zou vallen, zouden de laatste toevoerwegen naar Damascus worden afgesneden. De oppositie opende daarom twee nieuwe fronten: één in de buurt van het vliegveld en een ander richting het centrum. Het leger trok onmiddellijk zijn troepen terug uit S. om de hoofdstad te verdedigen, waardoor de opmars van het regime voorlopig was gestuit.

En toen gebeurde waar iedereen altijd al bang voor was geweest. Vanaf een militaire basis, die in handen was van het regime, werden meerdere raketten met chemische koppen afgevuurd. Deze kwamen neer op oostelijke voorsteden vlak bij S. Meteen hierop startte het regime een offensief om delen van dit gebied in te nemen. Het aantal slachtoffers als gevolg van de gifgasaanval staat inmiddels op vijftienhonderd.

Het is overigens niet zeker of de opdracht tot de gifgasaanval direct van de president afkomstig is. Het regime is een meerkoppige draak en bestaat uit wel honderd Assads. Iedere commandant heeft zijn eigen leger en is in principe in staat tot dergelijke aanvallen. Bovendien bevinden zich op de locatie vanwaar de raketten zijn afgevuurd milities van de Libanese organisatie Hezbollah, een bondgenoot van het regime. Mohammed: ‘Wij weten zeker dat Hezbollah daar zit. Wij luisteren de frequentie af waarop zij communiceren en horen uitsluitend nog het Libanese dialect. Mogelijk heeft Hezbollah de raketten afgevuurd.’

Mohammed scrollt verder langs de foto’s op Facebook. ‘Dit is Sami, een vriend van mij waarmee ik voor het laatst contact had voordat ik werd opgepakt. Geraakt door een sluipschutter, gesneuveld. En dit ben ik samen met Fadel. Hij deed verslaggeving in de media. Hij was de eerste uit S. die op Al Jazeera verscheen, hoewel hij niet kon lezen of schrijven of met een computer omgaan. Maar hij leerde snel. Hij werd geraakt door een mortier, dood.’

De volgende foto. ‘Dit is een vriend van mij, hij werkte bij de burgerwacht. Het was zijn taak om brandjes te blussen of om lichamen van mensen die getroffen waren door een scherpschutter weg te halen. Geraakt door een mortier, dood.’

De volgende foto. ‘Een vriend van mij, goede vent. Hij zat vroeger bij het Vrije Leger, maar deed zijn wapen weg toen hij ontdekte dat de commandant geld achterover drukte. Geraakt door een mortier, dood.’

De volgende: ‘Dit is Aboe Hasan, een vriend van mij. Hij maakte filmpjes en zette die op internet. Hij werd opgepakt door het regime en zat negen maanden vast in de meest beruchte gevangenis van de veiligheidsdienst. We hadden hem al opgegeven. Uiteindelijk kwam hij vrij door een uitruil van gevangenen. Een week later kreeg hij een mortier op zijn hoofd, dood.’ Mohammed zucht. ‘Hij had beter in de gevangenis kunnen blijven.’

Enkele dagen geleden voerden enkele opstandelingen een aanslag uit op een commandant van het Vrije Leger in S. De commandant overleefde de aanslag, maar is waarschijnlijk voor de rest van zijn leven kreupel. ‘Dat mensen gedood worden is erg, maar zij hebben in ieder geval rust’, zegt Mohammed. ‘Maar wat denk je van hen die een been hebben verloren, verlamd zijn geraakt, of blind geworden. Hoe kunnen we ons land na de oorlog opbouwen als we ook nog eens voor hen moeten zorgen?’

Mohammed weet niet of hij nog terug wil naar Syrië. Het regime is nog steeds naar hem op zoek, maar ook enkele opstandelingen hebben gedreigd hem te vermoorden. Bovendien is S. volledig kapotgeschoten en zijn de meeste inwoners gevlucht. Van zijn zes beste vrienden zijn er vijf gesneuveld en zit er één in de gevangenis.

‘Het is voorbij. Alle mensen die ik kende zijn er niet meer. Waar is Sami, waar is Fadel, waar is Aboe Rami? Wat moet ik doen als ik terugkom? Ik zal alleen zijn. S. is S. niet meer, ook al zou het regime vallen.’


Om veiligheidsredenen zijn de namen Mohammed en Aboe Rami gefingeerd