Hoe ‘lone wolf’-aanslagen te voorkomen

Wat moet je met een eenzame terrorist?

Na het drama in Noorwegen wordt overal in Europa het toezicht verscherpt. Typisch geval van het kalf en de put, zou je zeggen. Zo veel diensten, zo veel onderzoek - en dan toch Breivik. Wie had wat kunnen zien aankomen? En waar moet precies naar worden gezocht?

Was Anders Breivik een eenzame terrorist of opereerde hij in een groter verband? Dat is de eerste vraag die de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in Noorwegen en Europa deze dagen bezighoudt. Maar of hij nu concrete collega’s had, of zich alleen via internet deel voelde van een beweging, de tweede vraag is hoe dan ook: hoe voorkom je dat Breivik navolgers krijgt? Hoe vangen we de volgende eenzame terrorist?

Een week na de aanslag kwamen alle hoge terrorismebestrijders van Europa in Brussel bijeen om te overleggen over snelle maatregelen tegen dergelijke ‘geradicaliseerde eenlingen’, zoals ze in jargon worden genoemd. De Noorse politie-, justitie- en veiligheidsmedewerkers gaven hun collega’s een update van alle nieuwe onthullingen. Onderling werd besproken welke individuen, welke groepen en welke sites extra in de gaten moesten worden gehouden. En of er in de landen die expliciet in Breiviks manifest worden genoemd nog mogelijke medestanders of 'cellen’ bestonden.

De vraag die ook op tafel ligt, en zeker nog besproken gaat worden, is of de aanslagen een intelligence failure waren. Experts, onderzoekers en veiligheidsdiensten in Noorwegen en elders in Europa hebben al veel kritiek over zich heen gekregen. Na '9/11’ bleek dat de diverse inlichtingen- en veiligheidsdiensten kostbare informatie niet bij elkaar hadden gelegd. Ze hadden de puzzel dus wel kunnen leggen, zo luidde een van de conclusies van de Amerikaanse onderzoekscommissie nadien. Is dat nu ook het geval? Breivik zou op een lijst hebben gestaan omdat hij chemicaliën had besteld. De Noorse politie vraagt zich eveneens af hoe Breivik aan alle kennis over de vele explosieven komt. Niet alleen van internet. Hadden ze op dat vlak geen aanwijzingen over het hoofd gezien?

De diensten in Noorwegen, maar inmiddels ook hier en in andere landen, hebben eveneens te horen gekregen dat ze zich te veel hadden gericht op islamistisch terrorisme waardoor ze de dreiging van extreem-rechtse eenlingen over het hoofd hebben gezien. Dat is niet helemaal terecht. De Noorse geheime dienst, de pst, de Nederlandse Algemene Inlichtingen en Veiligheids Dienst (aivd), de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb), maar ook diensten in andere landen zoals Duitsland of België zijn zich best bewust van de dreiging van rechts-extremistisch geweld en van radicale eenlingen.

Noorwegen heeft een lange traditie in het bestrijden van rechts-extremisme en het ontwikkelen van exit-programma’s en deradicaliseringstrajecten voor individuele radicalen. Die programma’s waren redelijk succesvol. Maar juist dit jaar waarschuwde de Noorse geheime dienst voor een toename van het aantal rechts-extremistische geluiden. De nadruk lag echter op bestaande groeperingen.

Ook in Nederland zijn de veiligheidsdiensten zich al langer bewust van het feit dat politiek geweld of expressieve terreur uit alle hoeken kan komen en dat eenlingen dodelijk toe kunnen slaan. De moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh vormden de aanleiding tot de oprichting van teams binnen de politie die de dreiging van 'systeemhaat’ en radicaliserende eenlingen in kaart moesten brengen. Eerstgenoemde aanslag leidde ook tot het Stelsel Bewaken & Beveiligen dat regelt op welke manier een bedreigd persoon of object beveiligd wordt. De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding heeft er voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis voor gezorgd dat alle partners (ggz, politie, aivd) regelmatig rond de tafel zitten en overleggen wat de actuele dreigingen zijn en hoe die gepareerd moeten worden. Daarnaast wordt door adviesbureaus en universiteiten - vaak in opdracht van de overheid - onderzoek gedaan naar lone wolves en zogeheten solistische dreigers.

In het in 2010 verschenen rapport Afkalvend front, blijvend beladen: Extreemrechts en rechts-extremisme in Nederland van de aivd waarschuwde de dienst dat rechts-extremisten een fascinatie hebben voor wapens en geweld verheerlijken. De dienst stelde dat het bezit van wapens weliswaar vooral een grote symbolische waarde heeft, maar: 'Dit betekent niet dat kan worden uitgesloten dat eenlingen vanuit een extreem-rechtse of rechts-extremistische inspiratie of motief geweld kunnen gebruiken.’

Het gaat dus niet op om te zeggen dat de diensten er geen aandacht aan besteedden. De vraag is echter hoe hoog deze dreiging op de veiligheidsagenda stond. Maar daarover gaan nu juist de diensten niet. En ook politie en justitie kan die eventuele nalatigheid niet helemaal in de schoenen worden geschoven. We leven immers in een parlementaire democratie waar volksvertegenwoordiging en regering bepalen hoe en waar de democratische rechtsstaat in gevaar is en verdedigd moet worden. Diensten leveren inschattingen aan, maar bewindslieden bepalen de prioriteit. En in dit proces van securitisering - het formuleren en plaatsen van een dreiging op de nationale politieke of publieke agenda - is iets waar de diensten zelf nu juist niet verantwoordelijk voor zijn. Sterker nog, zij worden vanwege politieke gevoeligheid soms zelfs afgeremd in hun werk.

Bewindslieden en volksvertegenwoordigers zijn de grote securitiseerders bij uitstek. Zij bepalen waar de schaarse middelen naartoe moeten. Meer agenten? Meer deradicaliseringsprogramma’s tegen jihadisten? Of juist meer afluistertaps op de internationale georganiseerde misdaad? Het hoeft geen betoog dat de angst voor islamistisch terrorisme in de media, door publicisten, commentatoren en populistische partijen is aangezwengeld en dat dat het proces van securitisering zwaar heeft beïnvloed.

Terwijl politie, justitie en veiligheidsdiensten de afgelopen jaren steeds vaker wezen op de diversiteit aan dreigingen bleef de focus liggen op de dreiging van jihadistisch terrorisme. Europol, bijvoorbeeld, publiceert jaarlijks een gezaghebbend rapport, het Terrorism Situation and Trend Report (te-sat). Hierin komen alle vormen van terrorisme aan bod en wordt gewezen op het feit dat de meeste terroristische incidenten die gerapporteerd worden het werk zijn van andere groeperingen dan islamistische. Van de vijfhonderd aanslagen in Europa had slechts een handjevol een jihadistische achtergrond - waarbij wel moet worden aangetekend dat de Franse en Spaanse separatisten daar zwaar aantikken, terwijl die voor de rest van Europa niet of nauwelijks gevaarlijk zijn. Maar goed, de dreiging van niet-jihadistisch, etnisch of anti-islamgeweld is al vaker genoemd. Toen wij dit als experts in Nederland het afgelopen jaar benadrukten, en verwezen naar de laatste drie keer dat hier te lande slachtoffers vielen door aanslagen, stroomden de nare reacties binnen; we zouden het jihadisme op onverantwoordelijke wijze onderschatten.

De tijd zal nog leren hoeveel er van tevoren aan informatie en aanwijzingen rond Breivik beschikbaar was. Voor nu geldt als grootste uitdaging, ook en misschien wel juist in Nederland: wat moeten de diensten hiermee?

De eerste ronde van maatregelen is in gang gezet. De diensten zoeken ijverig naar mogelijke medestanders. Een groep van vijftig experts uit heel Europa kamt momenteel de databestanden van Europol door op zoek naar potentiële 'tempeliers’. En wie zijn precies de ontvangers van Breiviks manifest? Met wie had hij mailcontact? De antifascistische site Kafka heeft uitgezocht wie dat voor Nederland zijn (zie bijvoorbeeld http://kafka.antenna.nl/?p=3352). De Belgische, Duitse en Nederlandse diensten beweren dat ze nog geen daadwerkelijke medestanders hebben gevonden. De dreigingsniveaus zijn niet verhoogd. Een andere directe maatregel heeft betrekking op het schijnbare gemak waarmee Breivik zijn wapens en explosieven verzamelde en in elkaar zette. Alle 27 EU-staten zullen nu proberen de toegang tot de ingrediënten en chemische bestanddelen waarmee je bommen kunt bouwen aan banden te leggen. Ook heeft Breivik de discussie over lidmaatschap van een schietvereniging en het verkrijgen van een vergunning nieuw leven ingeblazen. Moet de lokale diender daar niet scherper op toezien?

Dit zijn zeer belangrijke en logische maatregelen, waar politie, justitie en de veiligheidsdiensten nu alle ruimte voor moeten krijgen en nemen. Maar afgezien van die tamelijk concrete maatregelen zit het echte probleem ’m natuurlijk in de vraag naar de zoektocht naar ideologische en gewelddadige geestverwanten op het internet.

Want wie moet je in de gaten houden: iedereen die een extreem-rechtse website bezoekt of die het manifest van Breivik heeft gedownload? In Nederland werden naar aanleiding van de aanslagen in Noorwegen ettelijke - al dan niet verkapte - adhesiebetuigingen gepost en getweet. Zijn dat indicaties voor terroristisch potentieel? Misschien wel. Maar er zijn zo veel van zulke uitlatingen. Europees opinieonderzoek wees uit dat Nederland reeds ongekend hoog scoort op het aantal 'straattaaldreigers’ en radicale, reaguurderige uitlatingen op internet. Die vind je niet alleen op heel rechtse sites, maar ook gewoon op de fora van landelijke media terug. Moeten de diensten al die uitlatingen bij gaan houden? Wanneer uitingen als 'roei het rode rattennest maar uit’ door een terloopse jihadist zou zijn gedaan, had die er rekening mee moeten houden dat zijn IP-adres werd achterhaald, mail gekraakt en in het uiterste geval zijn telefoon zelfs werd afgeluisterd. Maar het ligt wel erg gevoelig wanneer de diensten een onderzoek zouden starten naar ideologische geestverwanten van een partij uit de Tweede Kamer. Daar moet een minister toestemming voor geven. En welke minister durft dat aan? Ook het Stelsel Bewaken & Beveiligen heeft zijn grenzen. Want dat stelsel gaat uit van een beperkte lijst van bedreigde individuen en nationale evenementen. Moeten daar nu alle sociaal-democratische bijeenkomsten of alle progressieve politici bij worden gezet?

En verder nog: Nederland loopt al op kop wat het aantal telefoontaps betreft. Moeten daar nu dan nog eens honderden bij komen? Dat zou niet alleen een hoop werk opleveren voor politie en aivd, maar ook een drastische inperking betekenen van onze privacy en vrijheid van meningsuiting. En het is nog maar de vraag of het afluisteren van honderden extra telefoonnummers meer veiligheid oplevert. Want intelligence failures uit het verleden en uit de buurlanden leren ook dat het uitwerken en analyseren van afluisterprotocollen een onmenselijk, buitengewoon kostbaar en vooral heel langdurig karwei is. Vaak blijkt dat er al wel indicaties waren, maar dat die niet tijdig genoeg verwerkt werden - denk aan het voorbeeld van de Hofstadgroep. Daar zat de dienst bovenop, er werd volop meegeluisterd, en toch werd Mohammed Bouyeri niet tijdig genoeg als gevaarlijke radicaal herkend. Dat is geen beschuldiging, maar een constatering.

Nee, de diensten kunnen, mogen en moeten het niet alleen doen en beslist niet alleen met zulke zware middelen die de open samenleving nog verder onder druk zetten. Er moeten ook andere, politiek-maatschappelijke wegen worden bewandeld. Want hoe je het ook wendt of keert, het lijkt erop dat Breivik niet gek was. Het hoofd van de Noorse geheime dienst beweerde dat hij nog nooit zo'n coherente en stabiele dader had gezien. Wanneer we 'gek’ definiëren als iemand die er een of meer dsm-iv-stoornissen op nahoudt (het handboek dat officieel alle psychiatrische aandoeningen rubriceert), is het nog maar de vraag of Breivik daaraan voldoet. Natuurlijk is hij 'waanzinnig’ of 'gestoord’ in de informele zin van het woord, maar hem afdoen als een simpele gek gaat voorbij aan het feit dat hij anderen, gelijkgezinden, kan inspireren tot soortgelijke daden.

Dus, wat moeten we ermee, en wat weten we inmiddels over het bestrijden van 'lone wolf’-terrorisme, zoals het door de diensten en in de terrorismewetenschap sinds de jaren negentig wordt genoemd? Terrorisme, zelfs indien uitgevoerd door 'lone wolves’, bevindt zich nooit in een vacuüm.

Onderzoekers gaan uit van grofweg drie verklaringsniveaus die een rol spelen in een radicaliseringsproces. Er is allereerst een individueel-psychologisch proces van vervreemding met bijbehorende triggermomenten uit iemands biografie, vaak in de relationele sfeer. Het is een feit dat terroristen meestal wel een 'biografische breuk’ in hun cv laten zien. Maar goed, dat weten we pas achteraf. Dat is geen voorspellend criterium.

Als tweede is er vrijwel altijd sprake van een groepssociologisch proces waarin mechanismen als 'group think’, normalisering van radicaal gedachtegoed en toenemende risicobereidheid optreden. Dit niveau is wel degelijk 'voorspellend’: want bij geijkte terroristische groepen wordt het voortbestaan van de groep gegarandeerd door het succes van rekruteurs die hun volgelingen vinden op sites van sympathisanten, in de kring van medestanders of verwante bewegingen. Ook Breivik zocht en vond een mentor, de Britse Paul Ray, die met Breivik correspondeerde en die hem wellicht toch ook heeft ontmoet. Hij distantieert zich nu overigens volledig van Breivik en zegt er niets mee te maken hebben gehad.

Tot slot bestaat er ook een macrosociologisch of politiek-cultureel proces waarin de terrorist - al dan niet lid van een groep - meent dat zijn ideeën gelegitimeerd worden door bestaande politieke ontwikkelingen. De terrorist kijkt om zich heen en ziet een 'Umfeld’ van gelijkgezinden (ook al bestaan die alleen in het hoofd van de terrorist). Een terrorist is volgens Harvard-onderzoekster Louise Richardson uit op wraak en roem, maar ook op erkenning en op steun of zelfs mobilisering van gelijkgezinden. Breivik bewoog zich op allerlei fora van gelijkgezinden, bestudeerde de politieke ontwikkelingen, en meende dat de tijd rijp was.

In het verleden werden golven terroristisch geweld pas onschadelijk gemaakt als potentiële nieuwe rekruten en terroristen ontdekten dat dat potentiële 'Umfeld’ niet bestond en dat ze door hun vermeende gelijkgezinden werden uitgespuugd. De samenleving zelf en in het bijzonder de groepen en personen die door Breivik zijn uitverkozen tot een Umfeld moeten nadenken over hoe ze om gaan met vijandbeelden en 'reaguurderige’ uitlatingen aan het adres van personen en bevolkingsgroepen. Politici en publicisten, internetredacteuren en webmasters zullen nog eens een keer goed moeten kijken naar wie en wat zij toelaten op hun podia.

Het is hier misschien wel goed om even te verwijzen naar Karl Jaspers, de Duitse filosoof. Die introduceerde in 1945 verschillende soorten 'schuld’, om het debat over de verantwoordelijkheid voor de holocaust in het onmiddellijke naoorlogse West-Duitsland van wat meer nuance te voorzien. Volgens hem bestond er een strikt juridische, een causale of empirische, maar ook een morele, ethische en metafysische schuld. Met betrekking tot de aanslagen in Noorwegen ligt er dus zeker geen direct causaal verband of juridische 'schuld’ bij de groepen en personen die Breivik roemt. Maar zij dragen wel een morele verantwoordelijkheid.

De groepen, bewegingen en organisaties bij wie Breivik in intellectuele of culturele zin te rade ging kunnen een belangrijke rol spelen bij het helpen onderkennen en voorkomen van nieuwe gewelddadige eenlingen. Vaak blijkt achteraf dat die (al dan niet vermeende) eenlingen zich al wel eens op internet of in het debat hadden gemengd. Of om steun of inspiratie hadden aangeklopt. De meeste terroristen, ook de lone wolves die tegen de lamp liepen, werden niet door databanken of monitorprogramma’s opgespoord, maar door kennissen, vrienden of familie uit hun netwerk aangegeven. Ted Kaczynski, de Unabomber, werd door zijn broer herkend. Afgelopen weekend nog liep in Texas een geradicaliseerde eenling tegen de lamp doordat een alerte wapenhandelaar de autoriteiten inlichtte. Dat soort omstanders, internetpassanten of kennissen kunnen dus een belangrijke rol spelen in het herkennen van 'radicale eenlingen’.

Dat biedt mogelijk aangrijpingspunten voor een bestrijdingsplan dat de kans op nieuwe terroristische lone wolf-aanslagen kan helpen verkleinen. En waar niet alleen de diensten hun verantwoordelijkheid nemen.

De vraag is natuurlijk wel of het politieke klimaat er zo geschikt voor is. De discussie over de dieperliggende verantwoordelijkheid voor de aanslagen schoot al meteen in allerlei gepolariseerde richtingen. En het laatste waar het debat over het voorkomen van een herhaling van het drama in Noorwegen nu behoefte aan heeft is verdere polarisatie. Daarnaast lijkt het niet verstandig om naar aanleiding van de actie van één persoon in Noorwegen nu in elke radicale of haatzaaiende uitlating een mogelijk terroristisch gevaar te zien en met een hernieuwde versie van de antiterrorismecampagne uit 2006, 'Nederland tegen terrorisme’ op de proppen te komen. De effectiviteit van zo'n alomvattende, ongerichte mobilisatie van waakzaamheid is nog nooit echt bewezen. Het heeft niet zo veel zin van de ene monocausale en simplistische dreigingsinschatting in de volgende te vervallen. Veel beter is het om groepen en personen zo gericht en concreet mogelijk aan te spreken. Of het allerbeste: daar niet op te wachten en als burger, politicus of vertegenwoordiger van de media zelf paal en perk aan uitlatingen en postings te stellen die een klimaat van geweld en uitsluiting bevorderen.

Edwin Bakker en Beatrice de Graaf zijn verbonden aan het Centrum voor Terrorisme en Contraterrorisme van de Universiteit Leiden, zie: www.campusdenhaag.nl/ctc.

Dit artikel is gebaseerd op:

Edwin Bakker en Beatrice de Graaf, Lone Wolves: How to Prevent This Phenomenon? ICCT-Research Paper (The Hague: International Centre for Counter-Terrorism, november 2010), p. 1-8; zie: http://www.icct.nl/userfiles/file/ICCT%20EM%20Lone%20Wolves%20Paper.pdf