Wat niet deert

Ik weet niet of het feminisme dood is. Het feminisme is blond, gaat gekleed in strak azuurblauw en houdt zich staande op naaldhakken van twaalf centimeter. Ik was erbij toen Eva Jinek op het podium werd gehesen op het Opzij-feestje rond de uitverkiezing van de machtigste vrouw van Nederland (wie dat was weet ik niet meer).

‘Niemand gaat over van wie ik hou’, sprak ze, en in haar verbeten stemgeluid klonk de onverzettelijkheid door van het eeuwenlang geknechte Tsjechische volk.
'Goed zo’, hoorde ik naast me brommen. Het bleek Wouke van Scherrenburg, wier schorheid eeuwenlang schreeuwen om aandacht verraadde.
Op de middelbare school had ik een vriendin die opeens verliefd werd op de filiaalchef van V&D, die ook nog eens VVD bleek te stemmen. 'Ach nou ja’, lachte ze scheefjes, 'je moet er doorheen kijken.’
Zelf viel ik voor degene die in het jaarlijkse toneelstuk de titelrol had in De rode Pimpernel. Hij speelde de held, dus werd hij mijn held. Ergens doorheen kijken is nooit helemaal mijn forte geworden.
In een recenter verleden verpandde ik mijn hart aan de jongen die bloemen verkocht in de stal schuin tegenover de Stadsschouwburg. Ik spreek in verleden tijd, want de jongen is niet meer, en waar ooit van oudsher de beste bloemen van Utrecht werden verkocht rest nu gapende leegte. Behalve dat het voor mij de perfecte plek was om op weg van het station naar huis nog even wat bloemen te kopen, vond ik het een leuke jongen, met wie ik over steeds meer te spreken kwam.
Ik moest aan hem denken toen ik de foto van Heriberto Lazcano in de krant zag, oftewel 'de Beul’. Die Mexicaanse drugsmaffioos van wie het lichaam uit het mortuarium werd gestolen. Van wie nu wordt betwijfeld of hij wel echt dood is. Mijn bloemenjongen legde er persoonlijk eer in de beste rozen te verkopen. Vaak had hij bloeddoorlopen ogen omdat hij niet geslapen had. Iedere ochtend wilde hij als een van de eersten zijn slag slaan op de bloemenveiling, het moest allemaal verser dan vers zijn. Maar als zijn vrienden hem belden, wilde hij niet de lulligste zijn. En dan ging hij dus ook uit, tot diep in de nacht, en gaf rondje na rondje, want ja, hij was de enige van zijn vrienden met geld.
'Ik vind het niet erg hoor’, sprak hij trouw hartig, met die ogen. 'Ik heb nu gewoon geld, dus trakteer ik mijn vrienden, zo ben ik.’
Zo vond hij het ook niet erg om op de meest ongelegen tijdstippen naar Schiphol heen en weer te rijden, om familieleden op te halen die een tijdje kwamen logeren. Ik was altijd bang dat hij werd uitgebuit. Soms was hij zo opgefokt en moe tegelijkertijd dat hij niet op kon houden met praten. Ik maande hem zijn gezondheid in de gaten te houden. 'Kijk je uit’, zei ik als ik wegfietste met mijn rozen. Toen hij problemen kreeg met een vergunning om kerstbomen te verkopen, was ik acuut solidair en had het liefst twéé kerstbomen bij hem gekocht. En toen was er op een dag dus zonder enige aankondiging of afmelding geen stal meer, niks. Weggevaagd. Een jongen aan wie ik mijn dochter zou meegeven. Maar die studeert nu in Uppsala.
Ooit woonden mijn ouders op Curaçao. Ik was bij hen aan het logeren toen ook een oude vriendin van mijn moeder op bezoek kwam. Toen we haar ophaalden van het vliegveld, terug reden door een haag van cacteeën, zand opstoof, zeewater schitterde, begon ze over de prijs van prei op de Ten Katemarkt. Zo voelde ik me toen ik een paar weken geleden mijn dochter in Zweden opzocht, en haar - vervuld van haar nieuwe leven, nieuwe vrienden - omstandig vertelde van het bloemenraadsel. Ondertussen had ik het allemaal wel geregistreerd hoor. De fiets zonder remmen, de te dunne jas, het donkere pad dat ze af moet om bij haar kamer te komen, de vreemde lucht, de sms'jes van 'een hele leuke Italiaanse jongen’, die pindakaas voor haar had gekocht toen ze heimwee had. 'Zo lief.’
Ik had een lamp voor haar meegenomen, in de vorm van een poes die met een bal speelt, net als onze kat thuis. In de winkel had ik gevraagd om het stevig in te pakken, want vliegreis, dochter, lange donkere winter, nog één woord en ik had mezelf in tranen gepraat.
Met stijgende verbazing hoorde mijn dochter me aan. 'Bedoel je die jongen van de bloemenstal bij de brug?’
Inderdaad, die bedoelde ik. Hij heeft bestaan, meer mensen hebben hem gezien.
'Mam’, sprak ze meewarig. 'Dat was de grootste drugsdealer van Utrecht.’
Vervolgens opende ze een luikje op een wereld die ik niet kende. Waarin de bloemen business een façade was, een dekmantel. Waarin scholieren enkele rozen kochten waarvan het uiteinde van de steel was omwikkeld met zilverpapier met inhoud. Ik keek om me heen, een bruinig café waar iedereen taart zat te eten. In Zweden doen ze niet aan high tea maar aan fika. Wat weet iedereen nog meer wat ik niet weet.