Nederland en de mythe van de witte onschuld

Wat niet voldoet aan ons zelfbeeld, klopt niet

In Nederland bestaat geen racisme, want Nederlanders zijn nu eenmaal niet racistisch. Ondertussen is de Nederlandse identiteit steeds witter geworden.

Medium hh 53703173

Deze maand viert het Nationaal Historisch Museum dat er nooit kwam zijn tiende verjaardag. Het Museum was het geesteskind van Jan Marijnissen, destijds fractieleider van de Socialistische Partij. Tien jaar geleden werd in een debat in de Tweede Kamer tot de oprichting ervan besloten; uiteindelijk kwam het er niet door een combinatie van onwil en onkunde, en misschien ook omdat niemand zich echt raad wist met de opdracht.

De discussie over het museum voltrok zich in de context van een ook toen al verwarde natie. De verontrustende sensatie dat er iets vreselijk mis was met Nederland had zich in de collectieve psyche genesteld, en de geschiedenis werd aangeroepen in een poging die onrust te temmen. ‘De hedendaagse verwarring over onze morele, culturele en politieke identiteit vindt voor een deel haar verklaring in het ontbreken van historisch besef in brede lagen van de bevolking’, aldus Marijnissen. En: ‘Een land, een volk kan niet zonder houvast.’ En verder: ‘Daarom was het dom om lange tijd zo besmuikt te doen over onze eigen geschiedenis.’ Ten slotte: ‘Laten wij na alle negativisme en zelfrelativering van de laatste jaren van postmodernisme weer eens wat opbouwen!’

cda-fractievoorzitter en mede-initiatiefnemer Maxime Verhagen was nog wat stelliger over de bedoeling van het voorstel. Het mislukken van het integratiedebat gaf aanleiding, zei hij, om niet langer zo nonchalant te doen over de Nederlandse identiteit. Het museum moest zodoende ‘de geestelijke grondslagen van onze natie’ tot uitdrukking brengen. Daarbij hoorden religieuze verscheidenheid, tolerantie, vrijheidszin, de gemeenschappelijke strijd tegen water en de ideële gedrevenheid van Nederland. Wat het museum kortom moest bijlichten, was ‘de grondtoon van ons volkskarakter’.

Hoewel een enkel Kamerlid kritischer was en niemand het eens leek te worden over de vraag of er een apart museum diende te komen of dat het kon worden ondergebracht bij reeds bestaande huizen en stichtingen, was de algemene teneur die van instemming. De samenleving was verstoord, verward, verweesd – en daarom was het cruciaal dat men zich collectief zou herinneren hoe Nederland was geworden wat het is. Dat wil zeggen: een land dat democratie, vrijheid, rechtsstatelijkheid, openheid, tolerantie, vredelievendheid en mensenrechten ten diepste heeft verinnerlijkt.

Net als het museum kwam ook het houvast waar Marijnissen op hoopte er niet. Niet omdat de zoektocht ernaar verstilde, of het debat – dat werd ieder jaar juist wanhopiger en schriller. In het recente verleden is er nooit eerder zo veel over de Nederlandse identiteit, cultuur en zijn erfgoed gesproken, en zijn er nooit zoveel beschuldigende vingers gepriemd naar hen die Nederland verraden zouden hebben. Ondanks de consensus onder zo goed als alle politici van toen dat de Nederlandse identiteit, gevormd door de geschiedenis, met museale zorg moest worden gekoesterd, is het enige voorlopige resultaat van de obsessie met identiteit dat het land verdeeld is geraakt over de vraag wat het dan precies betekent om een Nederlander te zijn.

Het kan ook niet anders – de Nederlandse volksaard waar zo verbeten naar wordt gezocht is een vorm van idealisme. Iedere keer bleek dan ook dat de gehunkerde eenheid van het Nederlandse volk een fantoom was. Ieder debat dat het afgelopen decennium raakte aan de identiteit baarde slechts meer verbittering, en net als alle soorten idealisme zorgde die verbittering uitsluitend voor meer verbetenheid en meer radicalisering.

De ‘normen en waarden’ van premier Balkenende werden ‘onze manier van leven’; het wat abstracte ‘identiteit’ werd het meer organische ‘eigenheid’. De ‘verweesde samenleving’ werd ‘oikofobie’; de kloof tussen burger en politiek werd het ‘nepparlement’; bezwaren tegen ‘kosmopolitisme’ veranderden in ‘landverraad’ – en de burger is niet langer ‘bezorgd’, maar verslikt zich nog net niet in zijn eigen ressentiment.

De steeds woestere danse macabre met identiteit die politici, schrijvers, columnisten, academici en andere figuren met een publieke mening al ruim een decennium volhouden is nog lang niet ten einde. Wat niet is veranderd is het karakter van het discours waarin men die identiteit probeert uit te drukken. Net als tien jaar geleden gaat het nog altijd om ‘onze manier van leven’, om de politieke en sociale rechten en vrijheden, de verworvenheden van de geschiedenis, democratie, rechtsstaat en grondrechten. Een soort burgerlijk patriottisme dat identificatie met de symbolen van de staat als uitgangspunt neemt. ‘Onze manier van leven’ is open, toegankelijk voor iedereen, mits men bereid is op een bescheiden manier trots te zijn op Nederland – dat wil zeggen: trots op de grondwet, op de symbolen van de nationale eenheid en de politieke instituties.

Het punt is dat zulke bezweringsformules al snel alle eigenschappen krijgen van een cliché, gevormd door een slechte lezing van de eigen geschiedenis. Het is de vraag of dat discours niet een werkelijkheid aan het zicht onttrekt die veel grimmiger is. De subtekst van de formulering ‘onze manier van leven’ is dat de verhevenheid die ermee wordt aangeroepen – de open samenleving – een Nederlandse verworvenheid betreft die niet zozeer werk in uitvoering is, maar een definitief bereikte staat van verlichting. Het werkzame cliché is dat die verworvenheid ook de collectief doorleefde werkelijkheid is, en dat ‘ons’ in het geval van kritiek geen blaam kan treffen.

‘Onze manier van leven’ is open, toegankelijk voor iedereen, mits men bereid is trots te zijn op Nederland

Maar wat als die open samenleving functioneert als cliché? Het zicht op de werkelijkheid verdwijnt, en misstanden blijven overeind: etnisch profileren, politiediscriminatie, ongelijkheid, racisme bestaan – maar het gesprek erover wordt bij voorbaat in de kiem gesmoord, omdat het zelfbeeld van Nederland te verheven is. Ondertussen blijft de frustratie, en groeit de opvatting onder ‘zwarte Nederlanders’ – van moslims met een Noord-Afrikaanse achtergrond tot Nederlanders uit de overzeese gemeentes – dat ‘onze manier van leven’, of ‘vrijheid’ en ‘openheid’, in werkelijkheid een aansporing inhouden voor vernederende boutades door politici of columnisten, terwijl het debat over hun eigen ervaring met die ‘manier van leven’ met een beroep daarop gesmoord wordt.

Ieder debat dat de afgelopen tien jaar is gevoerd over identiteit en geschiedenis produceerde zijn eigen defensieve mantra. Kritiek op de islam is geen discriminatie; zorgen over migratie of de komst van arbeidskrachten uit Oost-Europa geen xenofobie; bezwaar tegen de groeiende macht van de Europese Unie geen goedkoop nationalisme. Allemaal waar, wellicht, maar over de minder verheven kanten van dat gesundes Volksempfinden is lang de sluier van begrip en respectabiliteit gelegd.

De historicus Zihni Özdil merkte in zijn boek Nederland mijn vaderland op dat er in Nederland een hardnekkige neiging bestaat om de eigen nationale geschiedenis te pasteuriseren. Wat niet voldoet aan het zelfbeeld van een open, vrij en verheven land wordt in het meest gunstige geval toegelaten tot de periferie van de collectieve herinnering – maar als uitzondering. De bijdrage van minister Maria van der Hoeven aan het debat over het Nationaal Historisch Museum in de Tweede Kamer was illustratief. De zwarte bladzijden van de geschiedenis, betoogde zij, moesten ook aandacht krijgen. De formulering is veelzeggend. Impliciet zit daarin het idee dat de Nederlandse geschiedenis in wezen een betrekkelijk smetvrije aangelegenheid is; ‘ook’ maakt dat de zwarte bladzijde op zijn best wordt beschouwd als uitzondering op de regel.

Het effect van die neiging is, schrijft Özdil, dat Nederlanders nauwelijks bereid zijn de gedachte te overwegen dat zij wellicht niet zo verheven zijn als hun gepasteuriseerde geschiedenis ze vertelt. En onderwijl worden de pijnlijke vragen over de Nederlandse identiteit, of die niet lijdt aan alledaags racisme of subtiele vormen van uitsluiting, weggedrukt, terwijl de post-fortuynistische obsessie met identiteit ertoe heeft geleid dat er steeds minder ruimte is om af te wijken van de norm. De opvatting over het Nederlanderschap – van oudsher toch al vrij wit – is recent alleen maar witter geworden.

Özdil merkt terecht op dat de natie niet bestaat zonder volk, dat de uitdrukking van dat nationale volk neerkomt op een performance – en dat de norm van die vertoning steeds witter wordt: ‘Er is een toenemende performance van “de Nederlander” in de populaire cultuur, waarin “de Nederlander” steeds nauwer wordt gedefinieerd, en alles wat daar buiten valt als “on-Nederlands” of ‘bedreigend” wordt gepresenteerd.’

De ongemakkelijkheid van Nederland is dat de empirie niet lijkt overeen te komen met het zelfbeeld. Te veel studies wijzen op een werkelijkheid die weinig verheven of open is. Recent nog plaatste de Volkskrant een ingezonden brief van vijf sociologen die op basis van langdurig onderzoek stelden dat Nederlanders sinds de jaren tachtig een steeds grotere instemming verleenden aan ‘grove negatieve uitspraken over etnische minderheden’. In 1985 was dat minder dan een kwart, in 2012 was het ruim de helft. Het gaat om uitspraken die iedereen ‘wel eens in de kroeg heeft gehoord’, en de toename ervan (niet beperkt tot het internet) loopt parallel aan de radicalisering van de discussie over de Nederlandse identiteit.

Het is de combinatie van permanent onbevredigd nationalistisch idealisme en dat verheven zelfbeeld die maakt dat het zo veel pijn lijkt te doen dat uitgerekend de Nederlandse geschiedenis in stelling wordt gebracht tegen de taboes van de tegenwoordige tijd. De merkwaardige paradox is dat de ontreddering over het gebrekkige historisch besef van Nederland rond de millenniumwisseling vooral ruimte heeft gegeven aan de institutionalisering van dat gebrekkige historische besef. De omgang met de geschiedenis in Nederland is volstrekt dubbel. Zij mag dienst doen als cliché, worden ingezet als medicijn tegen de verdwijnende sociale samenhang, maar ze mag niet kritisch worden ondervraagd. Emeritus-hoogleraar en sociaal en cultureel antropoloog Gloria Wekker schrijft in haar recente studie White Innocence over de grote blokkade die een open debat over racisme en discriminatie tegenhoudt – het is het Nederlandse zelfbeeld dat schuldig is. Dat zelfbeeld is er een van ‘witte onschuld’, een houding die de ‘dominante wijze vangt waarop Nederlanders over zichzelf nadenken, als kleine maar rechtvaardige, ethische natie; kleurenblind en dus verschoond van racisme; als inherent op de morele en ethische hoogvlakte, en dus als lichtend voorbeeld voor andere volken en naties’.

White Innocence is een studie naar het zelfbeeld van de witte Nederlander en zijn psyche op momenten dat hij gevraagd wordt rekenschap te geven van zijn, mogelijk, racistische neigingen. Dat zelfbeeld maakt dat daadwerkelijk racisme kan worden vergoelijkt door het te typeren als een uiting van iets anders – als een vorm van oer-Hollandse pragmatiek of zelfs als een soort openheid bijvoorbeeld, niet onvergelijkbaar met de Hollandse ‘directheid’ die altijd verward wordt met deugd. Etnisch profileren is geen racisme, maar empirie. Mensen selecteren op basis van huidskleur kan geen racisme zijn als de statistiek dat dicteert – hadden de zwarte Nederlanders maar niet zwart moeten zijn.

De woorden zwart en wit zijn complex. Wekker hanteert ze niet zozeer als raciale, biologische termen, maar als politieke en culturele concepten. Zwart is, in brede zin, alles wat niet binnen de vigerende opvattingen over wat ‘wit’ is valt, waarbij witheid een amalgaam is van etniciteit, afkomst, huidskleur, uiterlijke kenmerken, maar ook religieuze of politieke opvattingen. Moslims zijn in die zin even zwart als Nederlanders uit de overzeese gemeentes of voormalige kolonies. Wit en zwart vertegenwoordigen twee verschillende geleefde werkelijkheden: witheid en zwartheid zijn sociale ervaringen.

Toen Sylvana Simons besloot om van haar burgerrechten gebruik te maken, werd ze met wellustigheid uitgescholden

De mythe van de witte onschuld, stelt Wekker, is zodanig ingesleten in de Nederlandse samenleving dat die altijd kan worden ingezet om bij voorbaat verschoond te blijven van de taak tot zelfonderzoek. Racisme? Dat doen wij niet! Het zelfbeeld van veel Nederlanders is volstrekt afhankelijk van die mythe. Zelfs als erkend wordt dat er racisme voorkomt, dan nog zijn dat incidenten die niets veranderen aan de wezenlijke aard van Nederland of de Nederlander. Minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken hoorde de afgelopen weken tot de politici die zich in de felste bewoordingen hebben uitgesproken tegen het Hollands racisme, maar ook hij lijkt te geloven in de onschuld. In reactie op een rapport van de Raad van Europa sprak hij in 2013 de bekende bezweringsformule dat het politieke klimaat in Nederland ‘niet racistisch is’, en dat ‘terechte kritiek op migratie’ niet verward mag worden met vreemdelingenhaat.

Dat elementaire onderscheid – tussen racistische incidenten en de verder onschuldige normaliteit – is wellicht een uitvoering van wat Zihni Özdil het 21ste-eeuwse geloof in de nobele wilde noemt: diep van binnen deugen het volk en de vox populi, en daarom is het zo ondenkbaar dat er, buiten de incidenten, iets fundamenteel mis is met Nederland.

Alles keert terug bij de geschiedenis, en juist daar zit denkelijk ook het meest pijnlijke, meest fascinerende fenomeen van de ‘discussie’ die nu woedt over de mate van racisme in Nederland. Wie de laatste jaren luisterde naar politici en opiniemakers over het belang van identiteit en geschiedenis, heeft alle klassieke referenties gezien: de Gouden Eeuw, de opstand tegen Filips II, de patriottentijd en de Bataafse Revolutie – Pim Fortuyn spiegelde zich opzichtig aan patriottenleider Joan Derk van der Capellen tot den Pol, Geert Wilders liet zich fotograferen als Michiel de Ruyter.

Die geschiedenis wordt dikwijls met enige bombast aangeroepen als het bewijs dat de democratische, open samenleving in Nederland een lange, trotse voorgeschiedenis kent. Ook is er altijd de suggestie dat genoemde perioden zodanig belangrijk zijn voor de ontwikkeling van de politieke cultuur dat hun invloed reikt tot het heden – in de Opstand kreeg het Nederland van nu en zijn politieke cultuur voor het eerst zijn vorm. Het pijnlijke is dat de suggestie dat andere fenomenen uit de Nederlandse geschiedenis wellicht ook doorwerken in het heden, bagatelliserend van de hand worden gewezen. Toen Gloria Wekker bij Buitenhof betoogde dat het koloniale verleden van Nederland doorwerkt in het heden, stuitte ze op de ongelovige wedervraag hoe iets wat zo lang geleden is nu nog invloed kan hebben.

De positieve ontwikkeling van de laatste weken en maanden is dat de zwerende korst op het probleem van racisme en discriminatie in Nederland is afgerukt, en dat de witte onschuld zich in alle lelijkheid openbaart. Er is geen boek dat pregnanter en urgenter is dan Gloria Wekkers White Innocence.

Complex aan dit debat is dat ook de witheid niet strak langs lijnen van etniciteit loopt. Er zijn witte Nederlanders die het punt van Wekker zien, er zijn zwarte Nederlanders die stellen het overdreven te vinden. De presentator Jörgen Raymann zei in een uitzending van Nieuwsuur dat de gekken op sociale media nog niet betekenen dat Nederland in zijn geheel racistisch is. Het debat is, letterlijk, niet zwart-wit. Wanneer zwarte Nederlanders zeggen dat zij zich niet herkennen in de analyses van bijvoorbeeld Özdil en Wekker, betekent dat niet dat ze last hebben van vals bewustzijn. Hun ervaringen zullen anders zijn, of wellicht zijn ze optimistischer.

Misschien is het punt wel dat racisme in Nederland binnen marges, gedicteerd door de norm van de witte meerderheid, een betrekkelijk beperkte of onderdrukte rol speelt, maar dat zodra iemand die marges schendt het sluimerende racisme zich in alle hevigheid toont. Het pijnlijke besef van de laatste weken is dat als de burgerschapsrechten die volgens het debat zo kenmerkend zijn voor het open Nederland – vrijheid van meningsuiting, de democratie –, door zwarte Nederlanders worden aangesproken om de status-quo uit te dagen, er een afzichtelijk soort racisme naar boven komt. Toen Sylvana Simons besloot om van haar burgerrechten gebruik te maken werd ze met angstaanjagende wellustigheid uitgescholden. De kritiek dat zij zelf aan identiteitspolitiek zou doen is te kwader trouw. Het zijn niet de anti-racisme-activisten die het debat over identiteit de laatste jaren zo op scherp hebben gezet.

De Telegraaf schreef over de ‘racisme-kaart’ die blijkbaar wordt gespeeld, alsof het om een soort valsspelen gaat. Het is een kaart die witte Nederlanders niet hebben, en dus zal die wel oneigenlijk zijn. Ook de suggestie van overgevoeligheid is tamelijk pervers. Er is een bijzonder soort zelfgenoegzaamheid voor nodig om iemand voor te houden dat zijn ervaringen vermoedelijk wel overdreven zullen zijn, omdat jij je zelf niet kunt voorstellen dat je in staat bent tot racisme. Van verschillende kanten klinkt gepikeerd dat het aankaarten van racisme neerkomt op een misplaatst wentelen in slachtofferschap. De gedachte daarachter is altijd dat zulk slachtofferschap onterecht is, omdat een dader ontbreekt – daar is die onschuld.

Nog wat perverser is de suggestie van dankbaarheid die zwarte Nederlanders, met name moslims wier ouders migranten waren, min of meer verplicht zouden zijn te ervaren. ‘Als het je hier niet bevalt, dan ga je toch weg?’ En dan is er ten slotte een minderheid met een domweg gretige bereidwilligheid om zwarte Nederlanders te vernederen – ze verlekkerd ‘klaagneger’ te noemen en te zwelgen in de reacties die dat oproept. Waar het om gaat is dat de eigen voorgewende goedheid niet aangetast mag worden. In die gevallen is white innocence nog te beleefd. Het is white malice.

Misschien moet de conclusie, tien jaar na de discussie over het Nationaal Historisch Museum, zijn dat zelfs de ogenschijnlijk meest goedbedoelde poging om de nationale identiteit te definiëren of tot inzet te maken van de politiek, in het Nederland van nu nog de kiem van verderf bevat. Niet alles zal racisme zijn – maar de geringe bereidwilligheid van een overgrote meerderheid van de Nederlanders om ook maar te overwegen dat zij niet onschuldig zijn is een veeg teken. Het gaat er nog niet eens om een definitief antwoord te vinden op de vraag of Nederland racistisch is – het begint ermee dat de vraag gesteld durft te worden. Hoe groter de bereidheid te durven denken dat Nederland een racismeprobleem heeft, hoe beter, hoe kleiner die bereidheid hoe veelzeggender.


Beeld: Protestactie van de actiegroep Kick Out Zwarte Piet tijdens de traditionele intocht van Sint Piter en Swarte Pyt in het Friese dorp Grouw, 13 februari (Olaf Kraak / HH)