Mark Boog, Maar zingend

Wat ons ontsnapt

GOUD

Je bent het licht dat over het maaiveld strijkt,

je maakt dat ik van goud ben, maakt

of breekt. Ik moet je zien want je bent naakt

onder alles altijd naakt, ik moet je zien

maar durf niet goed. Het hoofd boven het veld:

maai dan, oogst! Zo luidt de reden om uit te steken

boven het in de felle zon wild glanzende veld,

het gouden veld, het is zodat je me ziet,

neemt.


Mark Boog, Maar zingend, 18,90

De dichter is een profeet die ons haarfijn uitlegt op welke wijze de onvermijdelijk ophanden zijnde Apocalyps zich zal manifesteren. Of is hij de denker die vertelt hoe het er met de wereld voor staat? Of een dromer die verlokkende vergezichten oproept? Hoe dan ook heeft de dichter autoriteit:

De dichters, ze zijn met velen.

Op laarzen, top tot teen in zwart,

marcheren ze door de straten.

Ze willen u de schoonheid laten zien,

de waarheid en het onontkoombare

verlies dat schittert in uw eigen ogen.

Hoe bereikt deze foute knokploeg haar doelen? Het antwoord dat Mark Boog geeft is ontluisterend: ‘Ze dragen spiegels, onderdrukken/ soms de neiging om erin te kijken’. Het is blijkbaar de lezer die zichzelf in de poëzie herkent, waar de dichter zelf buiten schot hoopt te blijven. Het laatste gedicht van Maar zingend stelt: ‘Het dichterschap/ is een aan autisme verwante stoornis’. Voorzover er überhaupt communicatie mogelijk is, verloopt die moeizaam.

Boog (1970) is een paradoxaal dichter. Sinds hij in 2000 debuteerde heeft hij in een moordend tempo dichtbundels en romans de wereld in gejaagd, terwijl hij daarin van meet af aan het primaat van de zinloosheid predikte. God is dood, alle betekenis berust op een illusie, het leven is rot of grenzeloos vervelend, liefde is een zinsbegoocheling en poëzie slaat al helemaal nergens op. Daar we nu eenmaal in dit tranendal zijn neergepoot vergt het minder gedoe onze tijd uit te zitten dan eruit te stappen, maar leuk is het allemaal niet. Waarom dan nog schrijven?

Het omslag van Maar zingend, waarop enkele tientallen keren dezelfde krekel is afgebeeld, geeft een indicatie. Zingen is een genetisch verankerde methode om het leven door te komen:

De oudgeboren krekel zingt. Vol van ongeloof

maar ook van vuur, een vergeten vuur dat

willoos brandt, gegeven vuur. Klokslag vleugelslag nu.

De krekel is een autist, en dat is zijn redding.

De bundel is opgesplitst in zeven ­afdelingen, die elk vanuit een andere invalshoek de ­vruchteloosheid van het bestaan illustreren. Wat voegen ze toe aan dit tamelijk monomane oeuvre? Maar zingend biedt meer van ­hetzelfde en in veel gedichten maakt Boog zich er nogal ­gemakkelijk van af. Het gedicht ­Woestijn luidt als volgt: ‘Woestijn: cynisch labyrint. O,/ te leven’. Dat baart geen opzien. Vrij flauw zijn regels als deze: ‘Ik ben een X van deze tijd,/ of van een andere. Whatever.// Komt goed’. Nog flauwer: ‘Wat een wanhopig, wanhopig gedicht./ Het is maar goed dat het nooit geschreven is’.

Dat een deel van de gedichten de indruk wekt op de automatische piloot te zijn geschreven, laat onverlet dat Boog, mits hij zijn best doet, een krachtig dichter is die niet alleen grossiert in cynische, wanhopige of berustende oneliners, maar ook tegen de klippen op zin probeert te geven aan wat ons ontsnapt. Daarbij hanteert hij soms opmerkelijk ouderwets gereedschap. De encyclopedie van de grote woorden (2005) was een enigszins uit de hand gelopen poging de aloude allegorie nieuw leven in te blazen, hetgeen de dichter de VSB Poëzieprijs opleverde. Bijbelse taferelen en zinswendingen komen in al zijn boeken voor.

In Maar zingend duikt het moralistische sprookje op, en wel in een reeks die de ontwikkeling van een kind volgt van geboorte tot puberteit. ‘Naast iedere wieg een fee’, aldus het eerste gedicht. Terwijl de ouders zich hevige zorgen maken, zegt de fee:

Nou ja, we zien wel.

Ik wil mijn voorspelling

later graag preciezer formuleren.

In het volgende gedicht heeft de fee een beduimeld wetboek in haar hand. Vermoeid legt ze uit welke rechten het kind heeft: ‘Alles kan, en zal,// tegen je gebruikt worden. Zwijgen mag,/ maar helpt niet’. Feeën doen dit zeker niet voor hun plezier, want een gedicht verder klinkt gemor om de ondankbare taak die hun is toegewezen:

En dat een goede afloop, hoe zeldzaam ook,

altijd verzwegen moet worden, waarom?

Schadeclaims? Het zou het werk verlichten

af en toe góed nieuws te mogen brengen.

Dat het perspectief nu eens niet bij de mensen ligt maar bij de feeën is misschien verrassend, al kennen we het procédé uit, bijvoorbeeld, godenvergaderingen in het klassieke epos, de opening van het boek Job en de intermezzi in Mulisch’ De ontdekking van de hemel. Dat geeft niet, tradities zijn er om vrijelijk uit te putten. Jammer is dat Boog niet overal even scherp formuleert en steeds wel heel expliciet is. Dit is extreem toegankelijke poëzie, die de lezer weinig te doen geeft.

Als in eerdere bundels lijkt de dichter het best op dreef wanneer hij de pose van nihilist aflegt en liefdespoëzie gaat schrijven. Daar komt het drama van de zinloosheid immers onder spanning te staan door het contrast tussen liefde en ongeloof. Een van de beste gedichten in Maar zingend stelt de minnaar voor als het graan dat door toedoen van de geliefde, die als het licht verschijnt, zijn hoofd boven het maaiveld uitsteekt – met een onontkoombare oogst als gevolg. Mark Boog zou zich een dergelijke overgave vaker mogen veroorloven.


Mark Boog

Maar zingend

Cossee, 96 blz.,

€ 18,90