Interview: Kay Redfield Jamison

«Wat ons opwindt kan riskant zijn»

Veel grote schrijvers, dichters, schilders en componisten waren manisch-depressief, zegt de Amerikaanse hoogleraar psychiatrie Kay Redfield Jamison, onlangs op tournee in Nederland. Haar nieuwste boek gaat over hartstocht en bevlogenheid.
«Op elke honderd wetenschappelijke artikelen over verdriet of depressie is er slechts één dat over geluk gaat.»

Het is stralend weer in Amsterdam. Maar de bibliotheek bij het Van Gogh Museum waar het gesprek met de Amerikaanse psycholoog Kay Redfield Jamison plaatsvindt, voelt als een bunker. Alsof Jamison een Amerikaanse popster is, zo wordt ze beschermd door haar agent. Op uitnodiging van Eli Lilly Nederland en de Vereniging voor Manisch Depressieven en Betrokkenen (vmdb) is Jamison op tournee in Nederland. Jamison is behalve hoogleraar psychiatrie zelf psychiatrisch patiënt. Ze lijdt sinds haar zeventiende aan manisch-depressiviteit, tegenwoordig aangeduid als bipolaire stoornis. De vmdb bestaat sinds 1987, hetzelfde jaar waarin Jamison hoogleraar werd aan de Johns Hopkins University School of Medicine in Baltimore. Ze spreekt op het symposium over creativiteit en manisch-depressieve ziekte, naar aanleiding van het werk en de brieven van de schilder Vincent van Gogh.
Jamison werd op 22 juni 1946 in Florida geboren in een welvarend Amerikaans milieu. Haar vader was afkomstig uit Edinburgh. Omdat haar vader bij de luchtmacht werkte, verhuisde ze als kind diverse malen, onder meer naar Puerto Rico, Californië, Tokio en Washington. Na haar eerste manische episode op haar zeventiende ging ze psychologie studeren aan de University of California Los Angeles (ucla). Op haar twintigste nam ze de wijk naar het Schotse St. Andrews, aangetrokken door de muziek en poëzie waar haar vader zo gek op was. In Schotland deed ze onderzoek naar stemmingsveranderende middelen, zoals lsd, marihuana, cocaïne, opiaten, barbituraten en amfetaminen. In 1974 werd ze assistent-hoogleraar aan de Affective Disorders Clinic van de ucla. In datzelfde jaar had ze opnieuw een manische episode. Ze begon lithium – wat zijzelf beschouwt als het beste medicament voor manisch-depressieve ziekte – te slikken, aanvankelijk met tussenpozen, maar nu al jaren permanent.

Behalve Manic-Depressive Illness (1990), het standaardwerk dat ze samen met de psychiater Frederick Goodwin schreef en waarvan begin 2007 de tweede druk wordt verwacht, schreef Jamison een viertal autobiografisch getinte boeken. In Touched with Fire (1993) toonde ze met vele voorbeelden aan dat manisch-depressieve ziekte vaak samengaat met kunstenaarschap. In het boek staan hele lijsten met kunstenaars – zoals William en diens broer Henry James – die leden aan de ziekte. Op grond van literatuurstudie vond Jamison dat bij Britse dichters in vergelijking met de rest van de bevolking dertig keer vaker manisch-depressieve ziekte, twintig keer vaker een opname in een gesticht en vijf keer vaker suïcide voorkomt. Het boek betekende haar doorbraak. In An Unquiet Mind: A Memoir of Moods and Madness (1995), erg populair bij manisch-depressieve patiënten, schreef ze onbekommerd dat ze zelf aan deze aandoening lijdt. Dat getuigde al van moed, maar in haar zelfmoordstudie Night Falls Fast (1999) beschreef ze hoe ze door haar ziekte met het zelfmoordmonster werd geconfronteerd. In haar meest recente en literaire Exuberance: The Passion for Life (2004) gingen alle remmen los. Ineens leken alle somberheid en ellende verleden tijd – hoewel Jamison eind 2002 haar echtgenoot verloor: Richard Wyatt, een gerenommeerd psychiater op het gebied van schizofrenie.

Hoe reageerde uw omgeving op uw openhartigheid over uw ziekte?

Kay Redfield Jamison: «Op Unquiet Mind waren de reacties lang niet altijd positief. Ik kreeg echt scheldbrieven van mensen die het wel best vonden dat ik geen kinderen had, want anders zouden er nog meer maniakken op de wereld komen. Ik was door de duivel bezeten, vonden ze. Mijn vader vond die openheid over mijn ziekte in het begin maar niks, maar later heeft hij me enorm gesteund. In onze familie werd nooit over de ziekte gepraat. Totdat een elfjarig nichtje een werkstuk voor school maakte over ‹mijn manisch-depressieve familie›, met een volledige stamboom. Ze heeft de nog levende ooms en tantes geïnterviewd. Pas toen gingen wij er binnen de familie over praten. Zelfs mijn vader ging eindelijk lithium slikken.»

Waarom schreef u ‹Exuberance›?

«Omdat er veel te weinig aandacht was in de psychologie voor het champagnegevoel onder de emoties. De psychiaters zien in uitbundigheid al gauw het gevaar van een beginnende manie. De aandacht van wetenschappers richt zich veeleer op de minkant van onze emoties – depressie, woede, angst – en vrijwel nooit op de meer vitale, positieve emoties. Op elke honderd wetenschappelijke artikelen over verdriet of depressie is er slechts één dat over geluk gaat. Ik schreef dit boek tijdens de ziekte en na het overlijden van Richard. Ik hield maar steeds in mijn gedachten dat hij me dringend had aangeraden dat ik vol moest houden. Door het schrijven zou ik wel weer van het leven gaan houden. En dat is mede dankzij Exuberance inderdaad gebeurd.»

Sommige lezers ergeren zich aan die eindeloze jubeltonen in ‹Exuberance›.

«O, maar er staan echt ook wel sombere tonen in. In mijn andere boeken ligt daar meer het accent op. Ik wilde nu dit vergeten gebied, verbonden met liefde en extase, in kaart brengen. Er zijn genoeg tobbende zielen op de wereld. Neem de filosofen. Die zijn vaak somber, breken hun hoofd over wat achter de schijnwereld van alledag schuilgaat. En dan de dichters. Die hebben het hoogste zelfmoordpercentage.»

Behalve in de psychiatrie bent u bijzonder hoogleraar in de Engelse letterkunde in St. Andrews. Wie zijn uw favoriete auteurs?

«Robert Louis Stevenson, Thomas Hardy en Robert Lowell, de Amerikaanse dichter die ook te boek staat als manisch-depressief. En sinds kort lees ik met plezier de Ierse schrijfster Elizabeth Bowen (1899-1973). Op mijn twintigste in Schotland raakte ik onder de indruk van de Amerikaanse psycholoog-filosoof Wiliam James. Hij schreef niet alleen over geloof, maar over de hele psychologie, over de heftigste emoties, over existentiële angsten. James kon het zo mooi verwoorden: ‹Al wat wij weten is dat er dode denkbeelden en koud geloof bestaan, en dat er vurige en levendige bestaan.› James schreef over hartstochtelijke liefde die degenen die erdoor werden meegesleept compleet veranderde; daardoor kreeg alles een andere klank.»

Hoe past Robert Louis Stevenson in uw boek over uitbundigheid?

«Als er iemand de menselijke aard en de dualiteit van stemmingen weet te verwoorden, dan is het de negentiende-eeuwse Schotse schrijver Robert Louis Stevenson. Hij maakt subliem duidelijk dat opgewekte stemmingen een donkere tegenhanger hebben en dat vrolijkheid zijn prijs heeft. Stevenson werd gefascineerd door de donkere kanten van de menselijke natuur – wanhoop, hypocrisie, het kwaad – maar was zich evenzeer bewust van de genoegens van vriendschap, avontuur en de mooie kanten van het leven. Zelf moet Stevenson een hoogst charmante en levendige man zijn geweest. Hij zweefde over de toppen van zijn leven.»

Kun je op grond van ‹The Strange Case of Dr Jekyll and Mr Hyde› – over de contrasterende stemmingen binnen één persoon – zeggen dat Stevenson manisch-depressief was, zoals u suggereert in ‹Touched with Fire› en ‹Exuberance›?

Kay Redfield Jamison: «Met enige voorzichtigheid zeg ik dat je daar in het boek inderdaad aanwijzingen voor vindt, maar ook in wat bekend is over Stevensons levensloop. Hij werd het grootste deel van zijn leven geplaagd door zijn stemmingswisselingen en grillige temperament. Een ander punt is erfelijke belasting. Een groot aantal familieleden leed aan ernstige stemmingswisselingen en zenuwinzinkingen. Een oom van Stevenson aan vaderskant leed aan melancholie en zijn neef had ernstige depressies. Zijn vader leed eveneens aan depressies, maar maakte ook perioden van grote vitaliteit en uitbundigheid door. Hij kon zeer humoristisch en hartelijk zijn. Maar zijn diepste gedachten waren doortrokken van Keltische melancholie. Ik herken dat bij mijn vader. Die had diezelfde vurigheid, met sombere onvoorspelbare buien.»

Doen we ‹Jekyll and Hyde› niet te kort door het als vindplaats te zien van psychiatrische symptomen?

«Het is in de eerste plaats een meesterwerk. Door op die stemmingswisseling te letten ga je het boek nog beter begrijpen. Door inname van het roesmiddel verandert Jekylls stemming in die van Hyde, waardoor hij zich jonger, lichter en gelukkiger voelt. Als Hyde denkt hij sneller, beschikt hij over scherpere zintuigen en voelt een diepe minachting voor elk gevaar.»

Hoe ziet u het verschil tussen extase, de top, en de manische toestand?

«De manie duurt langer, extase is kort en heftig, religieus en visionair. Het verschil is flinterdun. Er is overlap. De grens tussen enthousiasme en fanatisme is dun, net als de grens tussen vreugde en hysterie. Uitbundigheid ligt gevaarlijk dicht tegen de manie aan. Wat ons opwindt, kan riskant zijn. Het leidt soms tot excessen, tot vernietiging.

Ik ben bezig met Luther, niet zozeer vanwege eventueel bestaande psychiatrische symptomen. We kennen Luther als bijbelvertaler, maar hij schreef ook over prille liefde. Die werkt heftig en benevelend, ze verblindt en verleidt ons. Bij Luther zie je twee kanten. Doffe ellende en jubeltonen. Neem de vierde van zijn 95 stellingen: ‹De boete duurt dan ook, zolang het zelfverwijt duurt (dat is de ware boetedoening), te weten op de drempel van het Koninkrijk der Hemelen.› Volgens mij bedoelt Luther hiermee dat je rouw en verdriet moet cultiveren. Dat klinkt toch behoorlijk somber. In zijn liederen is hij daarentegen uitbundig vrolijk. Maar of hij manisch-depressief was, weet ik niet.» 

In vertaling zijn de volgende boeken van Kay Redfield Jamison verkrijgbaar:

De onrustige geest: Een leven met manisch-depressiviteit. Vertaald door C. Benink, Luitingh Sijthoff, 240 blz., 16,50

De verzengende muze: Manisch-depressiviteit en het artistieke temperament. Vertaald door H. Vlaanderen, Candide, 338 blz.,19,50

De uitbundige mens: Leven en werken met hartstocht en bevlogenheid. Vertaald door K. Gommers & H. van Soest, Sijthoff, 352 blz., 22,50