Wat ons tijdelijk bijeenhoudt

Anneke Brassinga verzamelt haar doden om zich heen. Dat dierbaren ineens van de aardbodem verdwijnen en zich in de meeste gevallen niet meer melden, is absurd en onverdraaglijk. Hoe het gesprek voort te zetten?

Tegen hen praten is geen probleem, maar hoe zorg je ervoor dat ze ook antwoord geven? Misschien zijn dichters in het voordeel ten opzichte van andere stervelingen. Poëzie belichaamt immers van oudsher een poging onheil te bezweren, uiting te geven aan woede en verdriet om alles wat niet klopt en, wat het belangrijkste is, aanwezig te maken wat er niet is. Als het mogelijk is de geliefde op te roepen, de goden van eigenschappen te voorzien en visioenen van schoonheid en rechtvaardigheid te schilderen, waarom zouden dan ook de doden niet tot leven kunnen worden gewekt? Maar voor wat hoort wat: dan moeten ze ook iets terug doen. Zo werkt wederkerigheid.

Brassinga (1948), die binnenkort de P.C. Hooftprijs voor haar poëzie krijgt, debuteerde betrekkelijk laat als dichter. Naast poëzie schrijft ze indringende prozaboeken waarin essayistiek, autobiografie en fictie naadloos in elkaar overgaan. Maar wat ze ook schrijft, over ieder woord, over iedere klank is nagedacht. Dat iemand met zo’n scherp oog voor het kleinste detail ook weidse vergezichten kan schetsen en bovendien, naast soms uit de bocht vliegend taalspel, een enorme emotionele geladenheid weet te bewerkstelligen, is zonder meer een wonder.

In Het wederkerige is het weer raak. De bundel bestaat uit twee afdelingen, waarvan de eerste omineus ‘Romantisch’ heet. Het openingsgedicht deinst er niet voor terug de wereld van Caspar David Friedrich en William Wordsworth in ere te herstellen, zij het dat er enige ironie in doorklinkt:

Achter de waterval, over ruisende velden gaand,
gehurkt boven flesjesmos, springend van klippen

bij springtij; je zag ze vroeger overal,
in ieder gedicht pittoreske passanten die oreerden,

converseerden, desnoods schreeuwden.

Ook al is de literatuur later in een wat vrolijker fase terechtgekomen, ‘nog altijd wachten schanddaad en vertwijfeling// ons zwijgend op achter de bomen’. De romantici waren aanstellers en zelfgenoegzame dwepers, maar in hun inktzwarte levensvisie hadden ze wel degelijk gelijk. Direct daarna citeert Brassinga met instemming de dichter en denker Novalis, die in 1797 vaststelde dat de taal op eigen kracht kan glanzen en reiken naar het hoogste, juist wanneer mensen maar wat zitten te leuteren. De woorden hebben ons niet nodig om betekenisvol te zijn.

Tussen die twee polen beweegt zich het werk van Brassinga: een besef van wanhoop en vertwijfeling tegenover het vertrouwen dat de taal haar eigen boontjes wel kan doppen. In deze poëzie wordt expressie van individuele en collectieve emoties in de hand gehouden, of liever: op de spits gedreven, door de autonomie van vreemde woorden en zinnen. Ook dat is een vorm van wederkerigheid. Niet alleen de taal, ook levenskracht baant zich een weg die niet valt te sturen, en zelfs onkenbaar is:

Al dat zinnentuig, en dan nog geen sjoege
van wat brandt in de pit waar zich verduren moet
het schroeiend neteligs en de zweepslag

Haar regels zijn zeldzame, kleurige zwammen op de stronken van gevelde woudreuzen

van angst alsof ooit iets stilvallen zou; terwijl
op dode stronken mos gedijt, in tierende varens
uitbreekt begraven gebeente!

Als dood hout mos kan voeden, als lijken varens doen woekeren, moet het samengaan van ‘mijn de weg kwijt-// rakende voortstrompeling’ en ‘jouw als sneeuw voor de zon ronddwarrelende/ afwezigheid’ toch ook vuur kunnen opleveren? Het is een kwestie van de juiste woorden.

Erudiet als ze is, maakt Brassinga toespelingen op werk van Adriaan Roland Holst (‘Zeedorps vorst’), H.H. ter Balkt (‘De balk tussen schorsvelden vonkt van woorden’) en Gerrit Kouwenaar (‘De ene hand en de andere, zomaar ongezien/ komen ze elkaar tegen op één buik’), wijdt ze gedichten aan Walt Whitman, T.S. Eliot en Stéphane Mallarmé en verwijst ze naar Freud, Heine, Erasmus en Huizinga. De tweede afdeling van de bundel bestaat zelfs uit vertalingen van gedichten van Deborah Digges, die in 2009 een einde aan haar leven maakte. Brassinga’s poëzie wordt er des te persoonlijker van: haar regels zijn zeldzame, kleurige zwammen op de stronken van gevelde woudreuzen.

Een van de dierbaarste doden in Het wederkerige is dichter, romancier en essayist Erik Menkveld, die vorig jaar overleed. De aan hem opgedragen reeks leest bijna als een liefdesverklaring. Zo stelt Brassinga zich voor dat zij misschien ooit een dorre linde was, opgestookt tijdens een ijskoude vijftiende-eeuwse winter, en hij een lieflijke lijster die onbekommerd door de polyfone motetten van Guillaume Dufay heen kweelde. Dat is een troostrijke gedachte, want linden en lijsters zullen voorlopig jaar na jaar, eeuw na eeuw, blijven doen wat ze altijd hebben gedaan: bloeien en zingen. ‘Lijsters en/ linden altijd, als toen we er nog niet waren als wij,/ als nu, nu jij er niet meer bent als jij’. Dit is een vorm van verticaal, mythisch denken. Het individu verdwijnt, de constellatie blijft intact.

Alles valt uiteen, alleen atomen en leegte zijn onsterfelijk, zegt Lucretius. Wat ons tijdelijk bijeenhoudt, is ‘vluchtig te zijn en elkaar te beminnen’ en aldus meer te voelen voor ons ‘gedeelde sterfelijke weten/ van elkaars sterfelijk wezen’, dan voor die ‘verdomde atomen’. Leven is oersterk, want bestaat in de ‘kortstondige kracht van het zwakke’. Lucretius vergeleek atomen met letters. Gedichten mogen vluchtig zijn, de toevallige samenkomst van hun atomen is, heel even, sterker dan de dood.


Aan zee

De wind weegt de woorden
bevindt ze te licht
de wind huilt, veegt de woorden
van tafel, uit het zicht

het stormvogeltje dat ze opslikt
zal stijgen tot de hoogten van de reuzenalbatros
of alleen nog willen krijsen
zoals ik, bestoven aap op stok.


Medium omslag brassinga

Anneke Brassinga, Het wederkerige_, De Bezige Bij, 72 blz., € 18,50_


Beeld: