Wat straks zichtbaar is

De onvrede broeide in de literatuur van de jaren vijftig onder de oppervlakte. Waar zijn de Angry Young Men en Women van nu? Verstopt in de nieuwe verzuiling die ‘filterbubbel’ heet?

Zijn de jaren vijftig terug? Je zou het bijna denken: ons landje is opnieuw verzuild – al heet dat tegenwoordig ‘tot op het bot verdeeld’ – en we kijken angstig naar dictatoriale maniakken die uit alle windstreken een vrieskou trompetteren met een gevoelstemperatuur van koude oorlog. Harry Mulisch’ terugblik op de jaren vijftig, in De toekomst van gisteren (1972), hoeft maar marginaal geactualiseerd te worden om profetisch te zijn: ‘Angst voor het communisme, angst voor de atoombom, angst voor de russen, angst voor de chinezen, angst voor de seksualiteit, angst voor de dood, angst voor de verandering, angst voor de jeugd, angst voor kanker, angst voor angst, angst voor niets: Josef K. en het existentialisme gingen erin als koek.’

Nou ja, als koek… Kijk je puur naar verkoopcijfers dan maakt Mulisch hier een boeiende vergissing. Want al de angstige en sombere boeken van toen jonge auteurs als Hermans en Reve verkochten nog niet veel. Erica van Boven wijst daarop in haar studie Bestsellers in Nederland, 1900-2015. ‘Literatuur liep niet in de jaren vijftig,’ citeert zij uitgever Van Oorschot. Van Reve’s De avonden werden zevenduizend exemplaren verkocht. Hermans’ De tranen der acacia’s verkocht in acht jaar tijd drieduizend exemplaren. Pas in de jaren zestig, mede door de komst van de literaire pockets, begon dit soort literatuur, met typisch naoorlogse gedesillusioneerde helden, duidelijk verwant aan het existentialisme, over de toonbank te gaan.

Medium gettyimages 515019666
Harry Mulisch: ‘Angst voor het communisme, angst voor de atoombom, angst voor de russen, angst voor de chinezen, angst voor de seksualiteit, angst voor de dood, angst voor de verandering, angst voor de jeugd…’ © Bettmann / Getty Images

Wat lazen mensen wel na de oorlog? Volgens Van Boven waren dat vooral de ‘omnibussen’, verzamelbanden met, bijvoorbeeld, vijf romans van Aar van de Werfhorst: honderdduizend exemplaren. Of Willy Corsari: het dubbele. De oudere generatie van degenen die de oorlog als volwassenen hadden meegemaakt kozen voor relatief probleemloze boeken van veelschrijvers. Hun leesgedrag weerspiegelt veel meer het beeld dat nostalgici van dit decennium hebben: optimisme, wederopbouw, schouders eronder, een wereld van Sunlight-zeep, Jip en Janneke, vader leest de krant en moeder giet de jus in het aardappelkuiltje. Iedereen had zijn plaats, in zijn gezin en in zijn zuiltje. De ontbinding van die bastions in de jaren zestig was nog niet begonnen.

Maar onder de oppervlakte broeide de onvrede. Anna Blamans Eenzaam avontuur (1948) was daar een voorbode van, of neem het virtuoze getier van Lodewijk Stegman in Ik heb altijd gelijk (1951) van Hermans. Onderbuikgevoelens, noemen we dat nu. ‘Een vlucht in het cynisme’, oordeelde Bordewijk destijds over Vestdijks roman De schandalen (1953). ‘Men mag zelfs zeggen dat hij voor de Amsterdamse jeugd de schrijver is.’ In de marge, onder de deklaag van fatsoen en optimisme, borrelden de krachten die pas vanaf eind jaren vijftig vrij spel kregen, met Ik Jan Cremer (1964) en Turks Fruit (1969) als climaxen.

Historische vergelijkingen hebben altijd iets onbevredigends, maar laten we even aannemen dat onze tijd wat ruwe trekken met de jaren vijftig deelt: verdeeldheid en angst binnen de dijken, onbestemde krachten van wereldleiders erbuiten, terwijl het economisch best goed gaat en de technologie zich rap ontwikkelt. Waar zijn dan in ons geval de literaire voorboden te vinden? Broeit er bij ons al iets in boeken wat pas over tien jaar alomtegenwoordig zal zijn? Waar zijn de Angry Young Men en Women van nu?

Onze literatuur blinkt niet uit in politieke vergezichten, laat staan met opvattingen die tegen de heersende moraal ingaan. Poubelle van Pieter Waterdrinker – dat het verwarde en populistische Europa van de laatste jaren probeert te vangen – was wat dat betreft een uitzondering. En afgelopen week verscheen een boeiend romandebuut: Bezorgde burgers van Steven de Jong (1981), over een medewerker van een communicatiebureau die zijn opstandigheid botviert in ingezonden krantenbrieven, die steevast geweigerd worden, waarna hij volledig ontspoort, een moeizaam re-integratietraject in gaat en als een misschien wel eigentijdse Lodewijk Stegman de samenleving beziet en vervloekt.

Afgelopen zomer betreurde ik in dit blad het ontbreken van ‘what if’-romans en dystopieën in onze letteren. Ten onrechte liet ik daarbij Auke Hulst onvermeld, met zijn futuristische Slaap zacht, Johnny Idaho (2015), over een terminale bankier die op zoek gaat naar eeuwig leven op een zwaarbewaakte eilandstaat, vol Brave New World-achtige uitvindingen als ‘web-lenzen.’

Niet verwonderlijk dat onder redactie van deze Auke Hulst nu, vlak voor de verkiezingen, een bijzonder interessant experiment verschijnt, de verhalenbundel Als dit zo doorgaat. Hulst kon, eind januari, ‘slecht op zijn handen zitten’ toen ‘de stoel in de fik stond’. Donald Trump en de dreigende populistische triomfen van de Europese verkiezingen dwongen hem tot een ‘wild plan’: in twee weken wist hij aan 25 schrijvers een verhaal te ontlokken met dystopische kenmerken. ‘Literatuur heeft het vermogen de toekomst invoelbaar te maken én filosofisch te benaderen, door een verband te leggen tussen de menselijke maat en de grote ideeën en bewegingen die de geschiedenis animeren. Literatuur kan simultaan hyperactueel zijn en de tijd overstijgen,’ aldus Hulst in zijn inleiding.

De opbrengst is verrassender en beter dan je zou verwachten bij zo’n haastig gelegenheidsproject. Anne-Gine Goemans portretteert een gezin dat in Portugal op vakantie is vast komen zitten nadat Trumps kernbom Pussy I verkeerd terecht is gekomen. Jamal Ouariachi volgt in ‘De zaak 17/26’ het proces van een beklaagde die moeilijk te herkennen is doordat ‘zijn iconische peroxide kuif van zijn hoofd is geschoren’. Zelf bedacht Auke Hulst een ‘Normalisatiebureau’, een instituut dat burgers opvoedt in het ‘Normaal. Doen.’ En Walter van den Berg stuurt er een knokploegje op uit dat Turken en ‘deugmensen’ te grazen neemt. Akelig realistisch aandoende visioenen zijn het, die soms niet eens zo onwaarschijnlijk lijken, en de satirische insteek hier en daar geeft dit in potentie diep sombere boek de juiste hoeveelheid lucht. Anton Dautzenberg komt bijvoorbeeld met een niet ongeestige boeken-top-zestig uit 2027 waarin marktgerichte pulp en nationalisme de hoofdmoot vormen. (Oei, vijftig! van Halina Reijn; Kleinkinderen van Sylvia Witteman en Aaf Brandt Corstius: ‘Kleinkinderen is een werkwoord’).

‘De beste schrijvers zijn rechts: Hermans, Reve, Céline. Dostojevski was uiterst conservatief... Flaubert...’

Dat Auke Hulst in zo’n korte tijd zo’n diverse groep schrijvers (naast bovengenoemden vinden we ook namen als Nelleke Noordervliet, P.F. Thomése, Ivo Victoria, A.F.Th. van der Heijden, Gustaaf Peek, Karin Amatmoekrim, Frank Westerman) een duwtje heeft weten te geven in een richting die voor Nederland erg ongebruikelijk is, is knap. En het geeft aan dat er onder schrijvers wel degelijk de behoefte leeft zich over de wereld uit te spreken. Wat wel meteen in het oog springt: vrijwel alle bijdragen getuigen van een betrekkelijk veilige stellingname in het politieke spectrum. Engagement lijkt bij ons altijd links engagement te moeten zijn. Schrijvers die zich in en buiten hun boeken nadrukkelijk politiek uiten – denk ook aan Ilja Leonard Pfeijffer, Tommy Wieringa, Dimitri Verhulst – ontkomen niet aan een wat clichématige stellingname.

Je zou het tekenend voor onze nieuwe verzuiling kunnen noemen dat in zo’n bundel vol engagement-op-bestelling níet de namen staan van, ik noem er maar een paar, Hafid Bouazza, Leon de Winter, Nausicaa Marbe, Pieter Waterdrinker, Theodor Holman, Arthur van Amerongen, Herman Brusselmans. Thomas Rosenboom beweerde eens in een interview (in 2003 in het blad Vooys): ‘De beste schrijvers zijn rechts: Hermans, Reve, Céline. Dostojevski was uiterst conservatief, Flaubert was reactionair, allemaal rechts. En ik ook.’

Zou het niet spannender zijn om die verschillende wereldbeelden met elkaar te confronteren in één bundel? Maar nee, die twee kampen blijven in het Nederland van nu gescheiden. Zomergasten op de vpro, Nazomergasten op GeenStijl. Elk kamp zijn eigen media, zijn eigen timeline. De nieuwe verzuiling heet ‘de filterbubbel’.

Vrij naar Mulisch kunnen we het verleden van morgen samenvatten: ‘Angst voor populisme, angst voor IS, angst voor Poetin, angst voor Erdogan, angst voor vluchtelingen, angst voor Trump, angst voor Europa, angst voor kanker, angst voor ouderdom, angst voor dood, angst voor seks, en angst voor de angst. Arnon Grunberg en Jozef K. gaan erin als koek.’

Dat Mulisch Kafka noemde, in één adem met het existentialisme, is ook veelzeggend. Het illustreert de stelling dat de romanschrijver maatschappelijke tendensen eerder opmerkt dan andere stervelingen. Milan Kundera stelt in Het doek (2006) dat toen Franse filosofen het Franse existentialisme uitvonden dit al twintig à dertig jaar eerder door romanschrijvers als Kafka was ontdekt. Verderop in diezelfde essaybundel heeft Kundera het over een onbekend boek uit de jaren dertig, waar hij toevallig op stuitte. Jaromír Johns Het ontploffingsmonster. Het verhaal speelt iets na de Eerste Wereldoorlog en de auteur beklaagt zich vooral over het lawaai van de straten, door al die automobielen en motorfietsen. Juist omdat het verschijnsel nieuw was, kon het worden waargenomen. Hoe juist dat is, is vast te stellen door alleen maar te denken aan hoe je tien, vijftien jaar terug iedereen hoorde klagen over de mobieltjes en het bellen in de trein.

Kundera stelt een formule op: ‘Het existentiële belang van een maatschappelijk verschijnsel is niet het duidelijkst waarneembaar als het wijdverbreid is, maar als het nog in de beginfase verkeert, onvergelijkbaar veel zwakker dan het later zal worden.’ En ook al was John literair gezien een van de mindere goden, Kundera roemt hem hierom als een ‘echte romancier’.

Speurend naar wat men in de jaren vijftig las, stuitte ik op een Nederlands equivalent van zo’n opmerkzame en literair als ‘mindere god’ beschouwde romancier. Max Dendermonde (1919-2004). Voor De Groene maakte hij onder meer reportages over de Watersnoodramp van 1953. Een jaar later verscheen zijn bekendste roman: De wereld gaat aan vlijt ten onder (1954). En ook hij signaleert allerlei maatschappelijke verschijnselen die nog in de beginfase verkeerden. De voornaamste: overwerkt zijn. De burn-out bestond nog niet, maar Dendermonde zag er de kiem van. Zijn held, de zwervende barkeeper Alec J. Weatherwood, strijdt tegen het maakbaarheids- en vooruitgangsideaal van de familie Pousekovsky die zwoegt in een wetenschappelijk onderzoekscentrum in Oaklake, Het Complex, terwijl hij zelf streeft naar ‘een zomaar zijn, niet een willen hebben’, en een ‘luiheidsbond’ opricht voor zijn tegentijdse ideaal van luieren en lanterfanten.

In Het Complex komen uitvindingen tot stand als een Coloradar, waarmee je alles en iedereen kunt zien (‘een luguber ding, je voelt je nooit meer vrij’), een liplezende vertaalmachine, een teleportatie-apparaat… Allemaal om afstanden te verkleinen en processen te versnellen, en ook Weatherwood glijdt die snelle nieuwe wereld in: ‘De secondewijzer van het nu had zijn heldere tik verloren en was overgegaan in een electrisch, automatisch verglijden. Het verveloze, geurloze moment was aan de grauwheid van de toekomst gelijk, was er één mee, geen dag was anders dan de vorige.’

Het was ‘of het er voor hem weinig toe deed waar hij zich bevond, in Pasadena, Nashville of zelfs Oaklake’. En dan volgt een schitterend zinnetje, de diagnose van de globalisering die zich pas een halve eeuw later zou manifesteren: ‘De wereld was overal even thuisloos.’

Als een uitgever nog een vergeten Nederlandse klassieker zoekt die weer helemaal actueel is: hier heb je er een. Al ben ik ook nieuwsgierig naar die visionairen die nu al voorvoelen wat straks pas overal zichtbaar is.

De bundel Als dit zo doorgaat is een mooie aanmoediging voor dat genre, en gezien de gretige en kwalitatief hoge respons mag je hopen dat het enkele schrijvers op een nieuw spoor heeft gezet. We mogen juist hopen dat dit zo doorgaat.