Wat te doen met een stoflap en een wekker

Erwin Mortier, Gestameld liedboek, € 17,90
Tom Lanoye, Sprakeloos, € 19,95
Tom Lanoye, Sprakeloos, € 15,95 (e-book)

Erwin Mortier bezondigt zich in zijn Gestameld liedboek aan ijdel mooischrijven en opzichtig huilebalken. Een dood boek. Over hetzelfde onderwerp schreef Tom Lanoye eerder een dwingend, onontkoombaar, levend ding.

In zijn nieuwe boek, Gestameld liedboek, beschrijft Erwin Mortier het geestelijke aftakelingsproces van zijn moeder. Ze is pas 66 maar lijdt aan een snel oprukkende variant van de ziekte van Alzheimer. Gruwelijk. Anders dan land- en generatiegenoot Tom Lanoye, die twee jaar geleden in Sprakeloos, zijn rouwboek over zijn moeder, verwoed aan het zoeken is naar toon en genre en zich afvraagt wat dit moet worden - ‘dit hier, deze roman die geen roman mag worden, geen bellettrie maar ook geen brol’ - zit Mortier vanaf bladzijde één hoog in het zadel. Hij heeft gekozen voor het dichterlijke, associatieve proza en dient dat broksgewijs op. Flarden zijn het, enkele regels vaak, overwegingen en scènes, die meestal nog geen bladzijde vullen. Soms is het ook zomaar een gedicht dat er staat, of althans, het lijkt er veel op:

'Het zitten,
dat zitten van haar,

naast me op de bank.

Dat zitten zonder iets,
en die stilte: een leeg
huis in de middag,

de kraan lekt.’

Een hoofdrol in dit boek is sowieso weggelegd voor de witregel.

Die ja. Een gevaarlijk instrument in verkeerde handen. Voor je het weet lees je geen proza meer, maar slechte gedichten, of reeksen van zogenaamde doordenkertjes, als:

'Het went niet, het leven, en van het leven de dood nog het minst.’

'De doden hebben het druk met er niet meer zijn.’

Gelauwerd schrijver Mortier kan wel een witregeltje hebben zou je denken.
Niet dus.
Nu is het schrijven over zieke of stervende ouders misschien een heikel genre. Met alle sociaal-realistisch getoonzette egodocumenten die zich afspelen in verzorgingstehuis dan wel rond het sterfbed kan de weg naar het subsidiërende Fonds voor de Letteren worden geplaveid. Aan de andere kant hebben genoeg 'echte’ schrijvers bewezen dat hun mooiste, want meest intense en pijnlijke boeken zich in de ouderlijke sfeer afspelen: in het buitenland Philip Roth met Patrimony, Blake Morrison met And When Did You Last See Your Father?, en hier te lande Theodor Holman met Familiefeest, A.F.Th. van der Heijden met Asbestemming. In de meer beschouwende sfeer verscheen eerder dit jaar het opmerkelijk wrange Mijn lieve ouders van Raymond van den Boogaard (Prometheus), en een paar jaar geleden het even tastende als intellectuele essay Waarom ik moet liegen tegen mijn demente moeder van Cyrille Offermans (Cossee, 2006). Een ware eyeopener, met onvergetelijke droefgeestige observaties als 'Of ik wist wat we met die vijf dingen aan moesten, vroeg mijn moeder.’
Sprakeloos van Tom Lanoye voegde zich fier vooraan in deze rij. Nog steeds onbegrijpelijk dat niet hij, maar Bernard Dewulf de Libris Literatuurprijs ontving, voor een bundeling huiselijke cursiefjes. Aan een kant trekt Sprakeloos een monument op voor de vrouw die Lanoye’s moeder was voor ze werd getroffen door een beroerte en haar spraakvermogen verloor, aan de andere kant is het een recapitulatie van een jeugd en het gekmakende verbond met 'het moederbeest’. Moeder noch zoon wordt daarbij gespaard door de schrijver, die zich 360 pagina’s lang een slag in de rondte schrijft en zichzelf voortdurend tot de orde roept. 'Stop met schminken en krullen trekken, stop met poseren.’
Het is een advies dat Mortier wel had kunnen gebruiken bij het schrijven van zijn 'stamelliederen’. Geen schmink, geen krullentrekkerij, geen geposeer asjeblieft. Al was er dan wel heel weinig overgebleven. Natuurlijk, het is een stijlkeuze zou je kunnen zeggen, zinnen als deze: 'Elke dag ontwaak ik op de rand van de perplexiteit, het ruwe erts waaruit het aangebroken etmaal plezier dan wel ontreddering zal puren - of een van de talloze legeringen die beide bevatten.’ Of vergelijkingen als deze, wanneer de schrijver ziet hoe broers en zus zijn moeder na een ongelukje naar de eerste hulp brengen: 'Eén duwt de rolstoel, de anderen nemen haar handen in de hunne. Piëta. De zonen dragen de moeder.’
De akelige gedachte dringt zich alleen op dat de schrijver met dit soort bijbelse mythomanie niet zozeer zijn moeder aan het herdenken is, als wel zijn eigen schrijverschap aan het vieren. Het is een vorm van zelfvergroting, ook de manier waarop hij bijvoorbeeld zijn vrienden eert: 'Later, als alles voorbij is, zou ik mijn vrienden moeten bedanken om de zachte Klaagmuren die ze rond me hebben opgetrokken, maar misschien moet ik ze ook om vergeving vragen voor alle ogenblikken dat ik met een bijna voyeuristisch genoegen hun lichamen in me heb opgezogen.’
Of hij nu zijn dromen navertelt - 'Ik word wakker en merk dat ik in die droom gehuild moet hebben’ -, de dood aanroept - 'Dood, laat haar gaan als een soort van vergetelheid, als een van haar talrijke verstrooidheden van weleer’ - of losbarst in een lamentatie - 'Ik herinner mij…’ en dit dan een keer of vijf in de herhaling -, het zwelgen in zichzelf is zonder enige rem en op den duur volkomen onverdraaglijk. En bovendien in zijn unisono huilerigheid ongelooflijk saai. We leren de moeder niet kennen, de vader al evenmin, en de schrijver blijft in zijn verdrietige-zoon-stand op veilige afstand. Mochten we het niet onmiddellijk begrijpen, de zoon huilt en komt al huilend op de diepste gedachten en de mooiste zinnen, die ook nog eens voortdurend bij zijn eigen bestaan uitkomen.
Hoe het allemaal is begonnen? Natuurlijk, staande voor zijn bibliotheek, zoekende naar het woord 'boek’. 'Of ik dat nog ’s ging doen, dat schrijven, hoe heet dat, zo'n ding.’ Het is te mooi om waar te zijn. Ziet hij zijn vader in de weer met doekjes en slipjes als zijn moeder zichzelf en het tapijt heeft bevuild, dan vraagt hij zich af: 'Heeft hij altijd extra slipjes bij zich?’ En dan, na een witregel: 'Heeft hij zich ook gebukt, veertig jaar geleden, toen haar water brak?’ Ziet hij in de auto onverwacht haar invalidenkaart op het dashboard, met een foto van haar in betere tijden, dan draait hij gauw die kaart om. 'Haar zien zoals ze was voor de ziekte toesloeg is onverdraaglijk. Even onverdraaglijk is haar aanblik vandaag.’ Kijkt hij naar haar mond, dan ziet hij de mond waar hij in de wieg 'wie weet hoe lang’ naar gestaard heeft. En alsof hij zichzelf als een bromtol vaart geeft, zwiepen de zinnen zich vervolgens aaneen: 'Dit is de mond wiens gymnastiek van liefkozing, slaaplied, gefluister me op het spekgladde oppervlak van de woorden overeind moet hebben getrokken. Dit is de mond die haar spraak nu ontbladert, de woorden klinker voor klinker uitkleedt in pufjes adem, tandengeknars, gesmak. Soms mompelt ze mondenvol pap naar buiten, ben ik het die luistert en met een zakdoek de woordmoes van haar kin veegt.’
Braak! Woordmoes appelmoes! Mondenvol mompelen!
Dit is eigenpijperij.
Dit zijn zelfverliefde zinnen.

Misschien is het niet fair nu voortdurend met Lanoye’s Sprakeloos te gaan lopen wapperen, maar de thematiek is zo identiek, en het contrast zo groot. Lanoye, voortdurend aan de lezer vragend nog eens goed de foto van zijn moeder op de cover van het boek te bekijken, ja zo mooi was ze, creëerde een levend ding, perste met de moed der wanhoop 'dat ganse bittere repertoire van kots en kak’ binnen de mal van een boekwerk. Het kraakt en wringt, vloekt en zingt, en maakt je aan het lachen en huilen. Sprakeloos telt welgeteld één witregel, en die is zorgvuldig geplaatst. Nadat in extenso het pijnlijke gebrabbel van de moeder is beschreven, overdenkt de schrijver dat het misschien geen kwaad kan haar maar te laten gaan. Dan last hij een witregel in, en daarna staat er de zin: 'We hebben haar pas twee jaar later laten gaan.’

Op z'n zachtst zou je kunnen zeggen dat Mortier zozeer bezig is geweest zijn verdriet vorm te geven dat het verdriet er zelf bij inschoot. Maar eerlijk gezegd is dat te zacht gezegd. Mortier bezondigt zich in zijn Gestameld liedboek, dat bij nader inzien een pathetische titel is, aan ijdel mooischrijven en opzichtig huilebalken. Met terugwerkende kracht is het allereerste prozafragment, waarvan de lezer aanvankelijk kan denken dat het de opmaat vormt van een aangrijpend relaas, een voorbode van de gemaniëreerdheid waarmee Mortier te werk gaat. Op die eerste bladzijde schrijft Mortier dat zijn moeder hem die dag een stofbeurt heeft gegeven, omdat ze meende dat hij een meubel was. 'Ze ging met een helgeel doekje over de knopen in mijn hemd, naar mijn hals toe, wimpelde ermee rond mijn oren, stofte mijn kin af. Toen gaf ze een teken dat ik mijn mond moest openen - en propte daar de stoflap in en vergat ons.’
Misschien is het een scène die uit het leven gegrepen is, maar die laatste zin zet alles in een licht van onwaarachtigheid. De werkelijkheid was nog net niet absurd, niet schrijnend genoeg.
Het is ook een tafereel dat, wederom, Sprakeloos van Lanoye in herinnering roept. Na de nodige scènes, uitbarstingen en vechtpartijen hoopt Lanoye tegen beter weten in dat het weer wat beter gaat met zijn moeder. Vlak voor ze samen de deur uit gaan, maakt ze zich op en hij slaat met welgevallen gade hoe ze dat doet. Lippenstift, oogschaduw, de hele rataplan. Dan doet ze met oneindige precisie haar oorbellen in, brengt parfum aan, een druppeltje achter ieder oor. Zie je wel, denkt Lanoye, ze kan zich toch eigenlijk heel goed redden. Ze kán de oude worden. Ze zal de oude worden. Tot hij ziet hoe ze in een laatste geste, de finishing touch, haar Hema-wekker pakt, 'een rondbuikig aluminium geval op pootjes, met kloeke wijzers en duidelijke letters die in het donker oplichten’. Gewoon, zo'n wekker dus. Waarmee ze haar haren begint te kammen.
'Nog immer kijkend in haar spiegeltje - een bijna verliefde tachtigjarige in vol ornaat - begint ze luchtig met haar wekker over haar kapsel te strelen. (…) Haar permanent blijft intact. Mijn hoop op herstel gaat in vlammen op. Mijn moeder kamt zich met haar wekker.’
Zo groot als de schok is voor haar zoon, zo groot is de schok voor de lezer. Op geen enkel moment weet Mortier een dergelijk effect te bewerkstelligen. Die zogenaamde stoflap in die mond zegt in feite al alles. Hier is een schrijver bezig de werkelijkheid naar de kroon te steken, over de rug van zijn dementerende moeder. Het maakt dat al die schrijnende taferelen ten spijt, dit cerebrale liedboek een dood ding blijft.

Tom Lanoye, Sprakeloos, Prometheus (twintigste druk, oorspr. 2009), 360 blz., € 19,95

ERWIN MORTIER
GESTAMELD LIEDBOEK: MOEDERGETIJDEN
De Bezige Bij, 191 blz., € 17,90