Wat te ­­doen met Mao?

Li Kunwu, P. Ôtié, China. De tijd van de vader, Vertaald door Ernst van den Hemel, € 19,90
Li Kunwu, P. Ôtié, China 2. De tijd van de partij, Vertaald door Ernst van den Hemel, € 24,90

Als het drieluik China van de Chinese cartoonist/tekenaar Li Kunwu en de Franse scenarist P. Ôtié één ding duidelijk maakt, dan is het wel dat de vrijheid van de pers nooit kan worden overschat. De serie is een oog­getuigenverslag van de laatste zestig jaar in China en begint met de machtsovername van de communisten onder leiding van Mao Zedong, de ‘Grote Roerganger’. De indoctrinatie en desinformatie die daarop volgen, waardoor miljoenen Chinezen een hongersdood sterven, zou met onafhankelijk nieuws en de bijna oncontroleerbare nieuwe media niet meer mogelijk zijn. Toch hebben afgrijselijke missers als de ‘Grote Sprong Voorwaarts’ en de ‘Culturele Revolutie’ echt plaatsgevonden en waren er ook zelfs hier enthousiaste aanhangers van Mao. Kunwu maakte zelf deel uit van het Rode Leger, werkte jarenlang als cartoonist in de Chinese propagandamachine en brengt nu onverbloemd verslag uit van zijn communistische verleden.

Het epos begint met De tijd van mijn vader. De kleine Xiao Li wordt in 1955 geboren als kind van partijsecretarus Li, een ambitieuze man die er alles voor over heeft om hogerop te komen. Als zijn zoontje van zes maanden niet ‘Moge onze voorzitter Mao tienduizend jaar oud worden’ kan opdreunen, zoals een kindje van de buren wél kan, springt hij uit zijn vel. Vanaf dat moment worden we ondergedompeld in een totalitaire wereld waarin iedereen moet oppassen met wat hij zegt. Je weet maar nooit of iemand je heeft gehoord. Xiao’s vader moet helemaal uitkijken, want al heeft hij een hoge positie in de partij, zijn ouders waren grootgrondbezitters en die smet zal de familie nooit meer kwijtraken.

Het eerste boek begint met Mao Zedongs machtsovername en eindigt met zijn dood in 1976. De ‘Bildungsroman’ over Xiao Li, die we lezen tegen deze historische achtergrond, is soms verbijsterend. Het land wordt al snel in de afgrond gestort door de plannen die de partij heeft gesmeed voor de Grote Sprong Voorwaarts. Niemand is nog verantwoordelijk voor zijn eigen stukje land. Iedereen werkt tegelijk en samen in een volkscommune. Al het metaal moet worden ingeleverd zodat het kan worden gesmolten in de ovens, die het land in een grote fabriek veranderen. Om die te laten branden moeten alle kolen worden ingeleverd. Als dat op is, worden de bossen gekapt. En je raadt het al, de grond erodeert en wordt onvruchtbaar, waarna er niets meer te eten is.

Wanhopig wendt de bevolking zich naar afdelingshoofd Li, die het ook allemaal niet meer weet. Als hij hier vragen over stelt aan de secretaris krijgt hij te horen dat hij niet zo veel moet nadenken. Op het platteland denkt men dat het in de steden beter is en andersom. Niemand weet meer wat te doen en hoe aan eten te komen. Wel krijgen ze te horen dat de ‘sovjetbroeders al een satelliet hebben gelanceerd’ en binnenkort op de maan zullen lopen. Zo gaat de ellende maar door.

Het volgende project is de ‘Vier pesten campagne’ waarin het hele volk wordt ingezet tegen ongedierte. Xiao Li, die net naar de basisschool gaat, krijgt op school een beloning als hij een rattenstaart meeneemt, maar hij is bang voor ratten. Het vertalen van megalomane plannen naar het microniveau van een basisschool en wat dit betekent voor een klein jongetje maken de harde en vreemde Chinese geschiedenis universeel. Datzelfde gebeurt ook met de Culturele Revolutie in 1966. De kinderen maken er een spelletje van. Ze trekken van de ene naar de andere winkel om wijsneuzerig de eigenaar erop te wijzen hoe reactionair die wel niet bezig is. Zo krijgt de kapper een vel met afbeeldingen van ‘ongecompliceerde kapsels’ die door Xiao Li zijn getekend. Iets anders mag niet meer worden geknipt, want dat zou decadent zijn.

Op het hoogtepunt van de Culturele Revolutie wordt bijna iedereen anoniem aangeklaagd; ook Xiao Li’s vader ontkomt er niet aan. Hij verdwijnt spoorloos en pas na anderhalf jaar zoeken ontdekken ze dat hij naar een ‘School van 7 mei’ is overgebracht. Ondertussen woedt er een burgeroorlog tussen Rode Garde en burger­milities en wordt de verwarring in het machtsvacuüm steeds groter. Als Xiao Li zeventien wordt, herinnert hij zich een favoriete leus van Mao: ‘Zonder het volksleger is het volk niets!’ Dus meldt hij zich aan bij het volksleger en verlaat hij zijn geboortedorp. Cliffhanger van het eerste deel was Mao’s dood in 1976. ‘Voorzitter Mao, leven zonder jou. Hoe moet dat?’ vraagt Xiao Li zich pathetisch af op de laatste pagina. En hij meende het waarschijnlijk ook nog.

In deel twee, De tijd van de partij, lezen we hoe dat moet, leven zonder Mao. Xiao Li verdoet zijn dagen in een kazerne en krijgt soms een brief van zijn vader uit diens heropvoedingskamp. De orders worden om de zoveel tijd gewijzigd, het ligt er maar net aan wie er aan de touwtjes trekt. Xiao Li ontwikkelt zijn tekentalent verder en maakt af en toe affiches. Zoals wanneer ‘De bende van vier’ wordt opgepakt en er een nieuwe leider opstaat uit het Centraal Comité. China lijkt midden jaren zeventig in rustiger vaarwater te komen. De gekke plannen uit het verleden zijn voorbij en iedereen slaakt een zucht van verlichting. Xiao Li’s vader wordt vrijgelaten en gerehabiliteerd en Xiao Li moet zich melden bij het Departement van Propaganda. Ze hebben tekeningen van hem gezien en willen dat hij zijn ervaringen als soldaat nu omzet in revolutionaire kunst. Xiao Li is verbaasd door de frivole houding van de kantoormeisjes, die een nieuwe generatie belichamen. Zij snappen niets van de leuzen scanderende, stoere soldaat (‘Gracieus, harmonieus? Maar jullie weten toch nog wel: “De revolutie is geen diner!”’). Uiteindelijk komt het allemaal wel goed en werkt Xiao voor een krant als cartoonist. Maar nog beter: hij wordt ook toegelaten tot de partij. Dat was hem ondanks jarenlang zwoegen en slijmen maar niet gelukt. Het tweede boek eindigt begin jaren tachtig, het volk is bezig met ‘de emancipatie van de geest’ en hoe ze allemaal een badkamer in huis zouden kunnen krijgen. Maar ook dit deel eindigt met een sterfbed. Xiao Li’s vader overlijdt, kort nadat hij zijn geboortedorp na dertig jaar weer had bezocht. Nu is het uitkijken naar het derde deel waarin de recente ontwikkeling van China zal worden verteld, al zal dat voor veel mensen minder exotisch zijn.

Het rauwe verhaal van Li Kunwu’s leven is dat wel, zo gek veel autobiografisch getinte romans over de Grote Sprong Voorwaarts en de Culturele Revolutie zijn er namelijk niet. Er zijn wel grauwe feiten en goede historische boeken, maar deze stripserie leest daarmee vergeleken makkelijk weg. Maar vergis je niet, het epos China is, hoewel expressief getekend en goed verteld, geen licht verteerbare kost. Tekenaar Li Kunwu was een enthousiaste communist, deed overal aan mee en heeft verscheidene mensen verraden en aangegeven. Tegelijk maakt dat zijn verhaal juist weer overtuigend. Iemand die van een afstand alles meemaakte en zijn handen schoon heeft gehouden, is waarschijnlijk nauwelijks te vinden in China. Li Kunwu vertelde zijn levensverhaal tegen scenarist Ôtié, die daar vervolgens een goed verhaal van maakte, wat Kunwu weer tekende. China is al in vele landen vertaald, maar tot op heden nog niet in het Chinees. Kunwu publiceerde wel veel andere boeken in zijn thuisland, maar blijkbaar is men er nog niet aan toe om de gigantische missers uit het verleden helemaal te ‘bewältigen’, zoals men dat in Duitsland wel heeft geprobeerd. China is dan wel modern en is trots op de eerste ruimte­wandeling en de Olympische Spelen in 2008, maar weet nog niet wat het precies met Mao Zedong aan moet. Zo is het officieel nog steeds verboden om De Grote Sprong Voorwaarts te bekritiseren.

Li Kunwu