Joods én progressief: een terugblik op Blanes

‘Wat thuis niet mocht, kon bij Blanes wel’

In de jaren tachtig richtten progressieve joden de vereniging Blanes op. Felle discussies leidden tot publieke debatten en culturele avonden maar gaven ook inzicht in het eigen joods-zijn.

Van links naar rechts, boven: Loes Gompes, Judith Bruinsma, Anita Frankonder: Jenny Ebel, Evelien Gans en Ellen Santen. Eind jaren tachtig

Op de eerste vrijdagavond van juni 1986, een maand nadat Ruud Lubbers de verkiezingen had gewonnen en de cpn na 67 jaar uit de Tweede Kamer verdween, verzamelde zich voor debatcentrum De Balie in Amsterdam een lange rij belangstellenden om het debat ‘Joods zijn in een links milieu’ bij te wonen. Het evenement was georganiseerd door Blanes, een groep naoorlogse niet-religieuze progressieve joden die hun stem wilden laten horen. Kritische geluiden over de politiek van Israël werden uit joodse hoek nog maar mondjesmaat gehoord en daar zag de harde kern van Blanes een taak voor zichzelf.

Officieel was Blanes het resultaat van een driedaagse conferentie in 1983 over de naoorlogse generatie, waar de vermaarde pedadoge Lea Dasberg het joods bewustzijn van haar gehoor had aangesproken met de oproep: ‘Besef dat jullie geen tweede generatie zijn, jullie zijn de honderdste generatie, en het is de hoogste tijd om je te verdiepen in die prachtige joodse geschiedenis.’

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Stephan Sanders journalist Margalith Kleijwegt over hoe verschillende generaties terugkijken op de progressieve joodse vereniging Blanes. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

En dat deden de Blanes-aanhangers, maar behalve avonden over cultuur, zoals de uitvoering van Het Jeruzalem-syndroom, een theaterstuk van Yehoshua Sobol, een seideravond in het Joods Historisch Museum en aandacht voor geschiedenis, organiseerde de blog (Blanes Organisatiegroep) ook politieke avonden, waar grote behoefte aan was.

Een inspiratiebron was het eerder verschenen boek Israël een blanco cheque? waarin twintig auteurs van joodsen en/of linksen huize hun dilemma’s over het Israëlisch-Palestijns conflict beschreven. Het boek stelde de starre houding ter discussie van dat deel van de joodse gemeenschap dat nauwelijks kritiek op Israël kon verdragen, maar nam ook de eenzijdige visie van links op het Midden-Oosten op de korrel.

Blanes-lid Loes Gompes las het boek. ‘Ik dacht, dit zijn mijn mensen, daar hoor ik bij. Israël werd in linkse kring enorm aangevallen en in het defensief gedrongen. Deze loslopende joden wilden dat niet over hun kant laten gaan, ze probeerden een genuanceerd antwoord te formuleren.’

Hoe kijken leden van Blanes op die periode terug? Zij droegen de oorlogslast van hun ouders met zich mee, hoe gingen ze daarmee om en wat gaven zij op hun beurt weer door aan hun kinderen? Hoe kijken die naar het engagement van hun ouders destijds?

Loes Gompes, 64, vond het debat in De Balie een memorabele gebeurtenis. Ze herkende de lijn in de levens van veel aanwezigen. ‘Politiek waren ze links, maar ze waren tegelijk joods voelend, geïnteresseerd in de geschiedenis en cultuur.’ Zielsverwanten dus.

Ellen Santen, 80, de aan het begin van de oorlog geboren dochter van schrijver Sal Santen, kwam uit een socialistisch trotskistisch milieu; haar vader streed zijn hele leven voor rechtvaardigheid. Er werd wel over de oorlog gesproken maar de sfeer eromheen was zwaar en verdrietig. ‘De situatie thuis gaf me weinig ruimte, het ging altijd over het lijden van anderen, waardoor ik niet wist wie ik zelf was.’ Die avond in De Balie voelde ze zich meteen als een vis in het water. ‘Ineens werd dat joods-zijn lichter. Het voelde als thuiskomen, ik ontmoette daar gelijkgestemden die later vrienden zouden worden. Die avond voelde als een bevrijding.’

De harde kern, met naast Loes Gompes en Ellen Santen onder meer publiciste en historica Evelien Gans en journalist Rinke van den Brink, nam de culturele en politieke tak van Blanes voor haar rekening en begon een kwartaalblad. Dat had vierhonderd abonnees en nog een stuk of vijftig exemplaren in de losse verkoop. Het was, zeggen ze nu, ‘een heftige periode’. De felle discussies die ze onderling voerden, leidden niet alleen tot publieke debatten over Israël, fundamentalisme, racisme, zionisme, regelmatig onder leiding van Louise Fresco, maar langzaamaan kregen ze ook meer inzicht in hun eigen positie als jood.

Rinke van den Brink, in die tijd werkzaam bij Vrij Nederland, waar hij uit angst en als waarschuwing op het obsessieve af over de opkomst van extreem-rechts schreef, werd als redacteur en eindredacteur de spil van het Blanes-blad. Het lot van vluchtelingen was een terugkerend thema, net als het Midden-Oostenconflict. Er ontstonden na verloop van tijd zelfs contacten met vergelijkbare groepen in Engeland, Frankrijk, Oostenrijk en België.

Een groot deel van de Blanes-groep groeide op met getraumatiseerde ouders die uit angst of schaamte nauwelijks spraken over wat er met hen en hun familie was gebeurd, al voelden hun kinderen alle onderhuidse spanningen haarfijn aan. De meeste ouders waren links, maar het bestaan van Israël was onomstreden; een veilige haven, waar ze altijd naartoe konden. Hun kinderen hadden daar alle begrip voor, maar zij hadden ook grote behoefte om hun eigen weg te gaan, een eigen stem te hebben, en daar hoorde een kritische houding ten aanzien van Israël zeker bij.

‘Wij wilden ons niet door angst laten beheersen’, legt Loes Gompes uit. ‘Een deel van de joodse wereld bestempelde onze kritiek op Israël als “de vuile was buitenhangen”, maar wij vonden juist dat je achter Israël kon staan en je je tegelijkertijd kon uitspreken over de rechten van de Palestijnen.’

Judith Bruinsma, 61, ervoer het als een verlossing dat ze bij Blanes alles kon zeggen wat ze wilde en ook openlijk kritiek op Israël kon hebben. Thuis liep haar ongezouten commentaar meestal uit op een confrontatie. ‘We wilden strijdbaar zijn, van ons laten horen. Wat thuis niet mocht, kon bij Blanes wel.’

Van den Brink, 65, groeide op in Hilversum als zoon van een joodse moeder en een communistische niet-joodse vader die in het verzet zat en deel had uitgemaakt van de Internationale Brigades tijdens de Spaanse Burgeroorlog. In de oorlog doken zijn ouders onder in Den Dolder en om veiligheidsredenen woonde hun pasgeboren zoontje acht kilometer verder in Soest, waar zijn moeder elke dag zonder ster op naartoe fietste om hem te voeden. Ze overleefden alle drie. De broer van zijn moeder overleefde Auschwitz, maar hij werd nooit meer de oude. Doorleven kostte hem grote moeite.

Zijn ouders bleven, net als die van Ellen Santen, ook in de naoorlogse jaren politiek betrokken. Het linkse gedachtegoed was, dachten zij, de enige manier om van de wereld een rechtvaardiger en betrouwbaarder plek te maken. Ze bleven strijdbaar, tot het bittere eind.

Van den Brink sloot zich bij Blanes aan nadat hij in 1986 in café de Blinker Evelien Gans ontmoette. ‘Ik zat diep in gesprek met Constant Vecht toen er plotseling een dame op ons af kwam. Ze brak op een bijna onbeschaamde manier in en riep tegen Constant: “Zeg, ik kan vrijdag in De Balie toch wel op je rekenen?”’ Nadat Vecht ja had gezegd, verdween ze even snel als ze was verschenen. ‘Ik was verbluft door de ruwheid van haar interruptie, tegelijkertijd was ik onder de indruk van de voortvarendheid van deze flamboyante vrouw. Constant vertelde wie ze was en dat ze bij Blanes hoorde, “een linkse jodenclub”. Ik dacht meteen: daar wil ik naartoe, ik ben tenslotte ook joods en links.’

Terwijl Rinke van den Brink uit een arbeidersgezin in Hilversum kwam, zat Loes Gompes op het meer elitaire Montessori Lyceum, waar ze zich omringd wist door kinderen van joodse ouders of ouders die een rol in het verzet hadden gespeeld. ‘Het was ervan doortrokken.’ Maar commentaar op Israël bleef ook bij haar thuis lastig. Ze had de woorden van Lea Dasberg ter harte genomen en verdiepte zich in de joodse geschiedenis; haar adagium was en is nog steeds: ‘Het is belangrijk te weten waar je staat in de lijn van de geschiedenis.’

Hoewel haar ouders door de oorlog waren getekend, weerhield hen dat er niet van een vreugdevol leven te leiden. Ze hadden niets met religie, maar waren desondanks lid van de Liberaal Joodse Gemeente, meer uit plichtsbesef dan uit overtuiging – ‘omdat ze vonden dat het verlichte joodse leven verder moest’. Bij hen bestond een groot gevoel van solidariteit met de joodse leefwereld die verloren was gegaan. En al waren ze niet godsdienstig, toch lag er op vrijdagavond als een prettig soort herinnering wel een mooi kleed op tafel.

Maar op oudejaarsavond heerste er een grafstemming omdat de mensen met wie ze de jaarwisseling vroeger hadden gevierd allemaal waren vermoord. Ze vierden thuis geen Kerstmis en geen Pasen, er werd alleen aan Sinterklaas gedaan. Gesprekken gingen thuis vooral over politiek; de ouders van Loes waren overtuigde sociaal-democraten en zijn altijd links blijven stemmen.

De ouders van Judith Bruinsma – ‘Ik kom uit een zwijggezin’ – raakten geïrriteerd als hun dochter de politiek van Israël ter discussie wilde stellen en haar oom Sal, die elke avond bij hen at, riep zodra ze haar mond opendeed: ‘Toen ik in Auschwitz zat…’, waarmee hij elke discussie smoorde. Haar moeder had overigens ook niet bepaald een vrolijk wereldbeeld, getuige haar standaarduitdrukking: ‘Alles waar je van houdt, gaat op de trein.’

Bruinsma groeide op in Eindhoven. Haar ouders waren lid van de orthodox joodse gemeente, zij was lid van Bne Akiwa, de religieus zionistische jeugdvereniging. ‘Ik kreeg door mijn opvoeding een religieus besef mee, ik was me ervan bewust dat dat ook een deel van mijn joodse identiteit was. Toen ik bij Blanes kwam, was ik al een zelfbewuste jodin en zag ik dat geworstel met het jodendom bij anderen, maar mijn oproep om ook wat met de religieuze kant van het jodendom te doen, was aan dovemansoren gericht.’ Met lichte ironie: ‘Ik wil mijn hele leven al het jodendom redden.’

De oude garde koestert de herinnering aan ­Blanes. Die intense jaren vol actie en reflectie hadden een heilzame werking

Voor sommige tweedegeneratiekinderen was het moeilijk om vertrouwelijk met hun ouders te zijn, kennelijk was er te veel gebeurd. Toch wilde die nieuwe generatie in een betere wereld geloven en daar het liefst ook een bijdrage aan leveren. ‘Op de barricades’, zegt Judith Bruinsma nog steeds vol vuur.

Er was grote verontwaardiging over het migratiebeleid, bijna in elke editie van de Blanes-krant werd daar een doorwrocht stuk over geschreven. Van asielzoekers en migranten bleef je af. ‘Het was niet toevallig’, legt Van den Brink uit. ‘De situatie van vluchtelingen deed denken aan de vervolging van joden. Het was een open zenuw.’ Jodendom betekende voor hem en de anderen: engagement, je inzetten voor de underdog.

Israël bleef een brandende kwestie. Eind januari 1988 trad Blanes naar buiten met een petitie die door tientallen joden was ondertekend, waaronder belangrijke namen als Ed van Thijn, Marga Minco en Hedy D’Ancona. De boodschap: wij staan achter Israël, maar wij veroordelen zijn opstelling ten opzichte van de Palestijnen. Uit de petitie: ‘De huidige situatie is het gevolg van een twintigjarige bezettingspolitiek.’ De ondertekenaars erkenden het recht van het Palestijnse volk op zelfbeschikking en steunden elk streven naar een beëindiging van de bezetting.

De gebiedende toon van de petitie werd binnen de joodse wereld niet door iedereen op prijs gesteld. In Het Parool werd het initiatief van Blanes weggezet als ‘nestbevuiling’. Rinke van den Brink vond dat een compliment – ‘Dat ze boos waren, betekende dat we iets goed deden’ – terwijl Loes Gompes zo’n ‘domme’ reactie als een belediging ervoer. ‘Ze zeiden dat we niet achter Israël stonden en dat was flauwekul. Wij stonden een rechtvaardige oplossing voor.’ Nog steeds zijn ze verbolgen dat destijds niet werd begrepen dat hun kritiek op Israël juist uit liefde voor het land was.

De petitie en het rumoer eromheen zette Blanes op de kaart. Door de petitie, het kritische tijdschrift en alle georganiseerde activiteiten, waaronder een discussie tussen de historicus en schrijver Amos Elon en de Palestijnse filosoof Sari Nusseibeh in hotel Krasnapolsky in Amsterdam, bleek Blanes een katalyserende rol te vervullen. Gompes: ‘Met Blanes hebben we de polemiek aangejaagd.’

Ruim een jaar na de petitie vertrok Loes Gompes met Evelien Gans, Ellen Santen en Jenny Ebel, ook lid van de blog-groep, met Kerstmis naar Israël om samen met activisten uit de hele wereld een keten te vormen om de oude stad van Jeruzalem – een gedenkwaardige onderneming. Er stonden duizenden militairen met het geweer in de aanslag. ‘Ik was een held op sokken’, herinnert Loes Gompes zich, ‘en Evelien zei dat ik niet zo bangig moest doen. Op het moment dat er een waterkanon op ons werd gezet en we voor ons leven moesten rennen, zag ik dat Evelien actiebloed had. Ze was zo onverschrokken.’

Vanzelfsprekend waren er ook onderlinge ruzies. ‘Het ontbreekt aan enigerlei orde, structuur en zelfbeheersing, op die manier gaan goede plannen de mist in’, staat in een nagelaten discussiestuk. Maar ze kwamen meestal weer snel uit dat soort crises. Blanes was een groepsproces, zeggen ze allemaal, een soort therapie.

Rinke van den Brink, net gescheiden van zijn eerste vrouw, bracht steeds vaker avonden met Evelien Gans in de kroeg door, tot diep in de nacht spraken ze over maatschappelijk onrecht en politiek. Ze werden verliefd en vonden steun bij elkaar, ook als het om hun persoonlijke geschiedenis ging. Over zijn moeder die bleef zwijgen en over haar vader die in de oorlog op zo veel onderduikadressen had gezeten dat hij na de oorlog gewoon doorging met verhuizen en zijn gezin daarin geen keuze liet. Van den Brink: ‘Evelien kon zich daardoor moeilijk hechten.’

De inbreng van Evelien Gans bij Blanes was van grote waarde. Ze was toen al een krachtige intellectueel, een vrouw met een scherpe polemische pen, die regelmatig voordrachten hield bij Blanes, ook om dingen uit te proberen, zoals haar lezing Gojse nijd en joods narcisme, over de verhouding tussen joden en niet-joden, die tot een veelbesproken boek leidde.

Hun relatie hield twee jaar stand. Hij had het gevoel dat hij tegen Evelien Gans moest opboksen. ‘Ze overvleugelde me, intellectueel was ze me volledig de baas.’ Toen bleek dat hij haar al enige tijd ontrouw was, spatte de zaak uit elkaar. Dat was niet alleen een drama voor de twee geliefden, maar ook voor Blanes; door deze relatieperikelen werd er een gat geslagen in het hechte groepje en het duurde even voordat de wonden waren gelikt.

Het blad Blanes hield in 1999 na elf jaar op te bestaan, voornamelijk omdat Van den Brink het gevoel had dat alles al een keer was gezegd. De organisatie bloedde ook een beetje dood, er was een afnemende belangstelling voor hun politieke discussies. Een voorleesavond met joodse familieverhalen trok veel meer bezoekers dan een politieke bijeenkomst over joden in Polen.

Na een aantal jaren herstelde de band tussen Evelien Gans en Rinke van den Brink zich. Gans promoveerde in 1999 op haar proefschrift over joodse sociaal-democraten en socialistische zionisten in Nederland en in 2002 werd ze benoemd tot bijzonder hoogleraar hedendaags jodendom. Ze had een waakhondfunctie als het ging om antisemitisme, ze voelde zich heel verantwoordelijk om alles te volgen en deed dat nauwgezet. In 2018 maakte ze een eind aan haar leven; op de begrafenis droegen naast familieleden haar Blanes-vriendinnen de kist. Haar dramatische dood was een ongekende schok voor iedereen die haar kende en die wond is bij lange na nog niet geheeld. ‘Het is nog steeds zo leeg zonder haar’, schreef Loes Gompes me.

Na Blanes ging iedereen zijn eigen weg, al bleven de meesten met elkaar in contact. De verbondenheid met het jodendom en Israël bleef.

Esther van den Brink, 39, de dochter van Rinke, Aaron Bruinsma, 36, de zoon van Judith, en Tim Staal, 36, neef van Evelien Gans herinneren zich nog goed al die blaadjes die overal in huis rondslingerden, de drukke vergaderingen, de opwinding van hun ouders en tante als het over Blanes en de ophanden zijnde acties ging. Wat kregen zij weer mee van het jodendom en de indringende familiegeschiedenis?

Tim logeerde een keer per week bij zijn tante. ‘Als elke tiener was ik op zoek naar mijn identiteit en de gesprekken met Evelien waren altijd de moeite waard. Ze hield me voor dat ik mijn joodse achtergrond kon omarmen, maar liet me zien dat je dan wel degelijk kritisch op Israël kon blijven.’ Evelien was in zijn jeugd dé persoon bij wie hij terecht kon met zijn vragen over joodse zaken. ‘Dat dat nu niet meer kan, is naast het persoonlijke verlies een groot gemis.’

Tim promoveerde op internationaal milieurecht, geeft inmiddels les aan de UvA en is onderzoeksjournalist bij Investico. Evelien leerde hem scherp te denken, zegt hij zelf; elke redenering tegen het licht houden, kijken of het nog beter kan. In tegenstelling tot zijn tante verslapte zijn aandacht voor die Palestijnse kwestie na een tijdje, hij was minder gebakken aan Israël en het conflict was bovendien zo uitzichtloos. ‘Eerlijk gezegd verloor ik mijn belangstelling een beetje.’

Tim en Aaron zagen elkaar vroeger regelmatig, ze vierden bijvoorbeeld seideravond met hun beider moeders. ‘We voerden dan een dialoogje op dat maatschappelijk geëngageerd was’, herinnert Tim zich, ‘daar maakten we veel werk van.’

Aaron heeft terugkijkend het gevoel dat hij door het idealisme van zijn moeder voor een hoger ideaal werd opgeofferd. Zij stuurde hem bewust naar een zwarte basisschool, ze vond het belangrijk om meer diversiteit te creëren op een zwarte school, ongeacht of Aaron daar zin in had. ‘Ik voelde me daar niet op mijn gemak, ik was anders dan de rest. Mijn moeder was wat naïef en heel idealistisch, helemaal toen ze me opdroeg om een joods liedje te zingen in de klas, een beetje zoals wanneer je je parkiet op school laat zien. Toen kwam uit dat ik joods was. Daar werd door mijn klasgenootjes helaas niet positief op gereageerd. Iets later, toen ik een jaar of zeven was, werd ik op straat bij mij in de buurt door een stel jongens in een hoek gedrukt, ze vroegen of ik joods was. Ik zei “nee”, achteraf heb ik me daar zo voor geschaamd. Ik had mezelf verloochend.’

Aaron ging op een vechtsport. Hij wilde weerbaarder worden, en dat lukte. Hij vindt dat hij realistischer in het leven staat dan zijn moeder. ‘Het irriteert me dat linkse joden de lat laag leggen voor andere groepen zoals migranten, dat ze alles wat negatief is wegredeneren. Ze bedoelen het misschien goed, maar hun gedrag is te veel op emoties gebaseerd, ze gingen ervan uit dat minderheden zonder hulp niet in staat zijn te emanciperen. Een soort superioriteitsgevoel dus.’

Ondanks hun meningsverschillen – ‘we zijn het niet vaak eens en ik stem rechtser dan mijn moeder’ – hebben Aaron en Judith Bruinsma een hechte band. Ze runnen samen een bedrijf in sieraden, Ava Cadiz. Zij maakt ze en Aaron gaat over de website en de zakelijke kant.

Sam Klement, 23, de zoon uit de huidige relatie van Van den Brink, is veel idealistischer dan Aaron: ‘Ik zit in een linkse bubbel’, zegt Sam tevreden. Bij Sam draait het leven om gelijkwaardigheid en als hij daar een privilege voor moet opgeven, zal hij dat graag doen. Hij voelt zich verbonden met de joodse achtergrond van zijn vader, hij vindt het bijvoorbeeld enorm belangrijk om elk jaar te herdenken. ‘Dat is in onze familie echt een gedenkwaardig moment.’

Zijn zus Esther, die een stuk ouder is, heeft haar oma nog goed gekend en ook haar viel op hoe zwijgzaam ze was als het over de oorlog ging. ‘Pas toen ik een werkstuk voor school maakte, lichtte ze een tipje van de sluier op.’ Esther herinnert zich nog hoe bezeten haar vader vroeger bezig was met extreem-rechts. ‘Het was te intens, dat was niet prettig. Ik had vroeger ook nachtmerries, dan was ik bang dat we zouden worden opgehaald.’ Inmiddels is Rinke relaxter, zegt ze, hij heeft wat meer distantie. Ze is zelf ook geïnteresseerd in de joodse geschiedenis, ze volgde joodse vakken tijdens haar studie, ook die van Evelien Gans.

De oude garde koestert de herinnering aan Blanes, ze zijn trots op de discussies die ze in gang hebben gezet. Ze zijn nog steeds links, en de vraag hoe het verder met Israël moet gaan, stemt hen somber. Was het dan allemaal voor niets geweest? Al die vergaderingen, protesten, discussies en debatten? Nee, natuurlijk niet.

Vooral op persoonlijk niveau is de periode van Blanes voor allen van groot belang geweest. Het losmaken van de getraumatiseerde achtergrond, leren om moeilijke kwesties niet uit de weg gaan, die intense jaren vol actie en reflectie hebben op iedereen een heilzame werking gehad. ‘Bij Blanes leerde ik scherpe politieke analyses maken’, zegt Ellen Santen. ‘In vergaderingen ging het er altijd hard aan toe, maar ik genoot, want die discussies leverden altijd iets op. Die periode gaf me zo veel energie.’ Ze is zelfs lid geworden van een jiddisch koor. ‘Ook dat heeft Blanes me gebracht.’

‘Blanes heeft me veel gegeven’, vindt Loes Gompes, die in een ander jiddisch koor zingt en tegenwoordig boeken schrijft over de joodse geschiedenis. ‘Ik voelde me daarna meer geworteld en ik had meer zelfvertrouwen. Blanes leerde me vragen te stellen, niet alleen vanuit het hoofd, maar ook vanuit het hart en daar ben ik nooit mee opgehouden.’


Margalith Kleijwegt publiceerde onlangs bij Atlas Contact Verdriet en boterkoek: Hoe de oorlog is verdwenen, over haar familie en hoe drie generaties op hun eigen manier met de oorlog omgaan