Hugo Chávez en zijn denkers

Wat vond Hugo Chávez?

Volgens critici weet Hugo Chávez zelf niet wat het door hem gepredikte ‘socialisme van de 21ste eeuw’ inhoudt. De ideologen om hem heen, waaronder een heuse Bremer Schule, hebben daar wel ideeën over. En misschien denkt ook de president meer na dan hij doet voorkomen.

Medium hugo chavez in guatemala

‘Hij is erg stil, maar binnen in hem brandt een vuur’, merkte Hugo Chávez begin deze maand op over Sean Penn. De Hollywood-ster had zojuist urenlang met hem in een jeep over het Venezolaanse platteland getoerd. De president druk kletsend achter het stuur, Penn met donkere zonnebril op zwijgend achterin. Aan het einde van de dag konden er toch een paar woorden vanaf. ‘Ik kwam hier op zoek naar een geweldig land. Ik vond een geweldig land’, zei hij tegenover de toegestroomde menigte.

Met zijn scherpzinnige analyse zat Penn niet ver naast de waarheid. Venezuela is lekker bezig, althans op sociaal-economisch vlak. De massale alfabetisering en het opknappen van sloppenwijken zijn moeilijk te ontkennen prestaties van de regering-Chávez. Hetzelfde geldt voor het verbeteren en uitbreiden van het onderwijs en de gezondheidszorg. Die zijn nu ook toegankelijk voor de voorheen uitgesloten armen van Hugolandia, zoals de traditionele elite het Venezuela onder Chávez smalend noemt.

Op het eerste gezicht hebben die tegenstanders niet te klagen. Mede dankzij de hoge olieprijs is Venezuela uit de schulden, de economie groeit als kool en de regering heeft zelfs de inflatie weten te beteugelen. Michiel Baud, directeur van het Centrum voor Studie en Documentatie van Latijns-Amerika (cedla), wees er in de Volkskrant bovendien op dat de hoofdstad Caracas momenteel wordt volgeplempt met chique restaurants. De verkoop van whisky is onder Chávez zelfs met 55 procent gestegen. Voorwaar een serieus teken dat het de bourgeoisie voor de wind gaat.

De oppositie richt haar pijlen dan ook op de populistische stijl van Chávez. De president zet zijn aanhangers op cruciale posten, legt vijandige media aan banden en zal de komende tijd per decreet regeren – iets wat vele presidenten vóór Chávez overigens ook al deden. De critici zijn bovenal bang voor wat Chávez zou kúnnen gaan doen. Voor hen is het helder: Chávez is een communist die van Venezuela een tweede Cuba wil maken. Maar het ligt ingewikkelder. Niet alleen omdat Chávez democratisch gekozen is en zelfs veelvuldig referenda organiseert. Ook niet alleen omdat de oppositie zelf in 2002 met een putsch de macht probeerde te grijpen, gesteund door de commerciële media en het Witte Huis. De president is in ideologisch opzicht simpelweg niet eenvoudig te plaatsen.

‘Chávez gooit als volleerd magiër allerlei ideologische snippers in een hoge hoed en tovert er een nieuw systeem uit. Nationalisme en socialisme zijn overgoten met een saus van een autoritair, personalistisch bewind’, aldus Baud van het cedla. Volgens Chávez’ voormalige politieke mentor en oud-vice-president Luis Miquilena – vroeger communist, daarna rijk geworden in de handel met de Sovjet-Unie en Cuba en tegenwoordig fel tegenstander van de president – heeft diens ‘socialisme van de 21ste eeuw’ geen wortels in welke theorie of doctrine ook. ‘Niemand weet wat het is, het is zelfs Chávez niet duidelijk. Hij stopt alles wat hem te binnen schiet in zijn minestronesoep’, aldus de man die Chávez na zijn mislukte staatsgreep in 1992 ervan overtuigde de parlementaire weg te bewandelen en hem hielp bij de oprichting van zijn Beweging voor de Vijfde Republiek. Maar waar haalt Chávez, Bush’ worst nightmare, zijn ideeën dan vandaan?

Hugo Rafael Chávez Frias kreeg zijn eerste politieke lessen toen hij een jaar of dertien was van de communistische vader van twee vriendjes, toepasselijk Vládimir en Federico genaamd. Hij vertelde de jongens over Rousseau, Machiavelli, Marx, Engels en Lenin. Chávez verslond vanaf dat moment ook historische romans en boeken over Simón Bolívar, zo is te lezen in een verdienstelijke, eerder dit jaar bij Edition Nautilus verschenen biografie door de Duitse journalist Christoph Twickel.

Toen Chávez naar de militaire academie ging, bleef hij zich verdiepen in de geschiedenis van de Latijns-Amerikaanse bevrijdingsoorlogen. Aanvankelijk was het zijn plan om na een jaar in het leger aan de slag te gaan als honkballer. In plaats daarvan bleef hij militair. In die hoedanigheid studeerde hij enige tijd politieke wetenschappen.

Vanaf eind jaren zeventig kreeg Chávez steeds meer contacten met revolutionairen binnen en buiten het leger. De laatste verzweeg hij tegenover de meeste jonge officieren met wie hij een staatsgreep voorbereidde. Marx was zo kort na de beëindiging van de strijd tegen de linkse guerrilla ook onder idealistische militairen niet al te populair. De nationale held Bolívar – volgens diezelfde Marx een bevrijder met despotische neigingen – was (en is) dat wel. Ook diens leermeester, de filosoof en vrijheidsstrijder Simón Rodríguez, diende als voorbeeld, evenals generaal Ezequiel Zamora. Hij streed in de burgeroorlog van 1859 tot1863 aan de zijde van de liberalen voor sociale gerechtigheid.

Het op deze drie mannen gebaseerde nationalistische concept van de ‘boom met drie wortels’ verdient geen ideologische schoonheidsprijs, maar bleek wel effectief om de bevolking en bovenal militairen te mobiliseren. Venezuela heeft zijn eigen denkers, hield Chávez zijn collega-samenzweerders voor. Marx of Mao kopiëren was niet nodig.

Dit jongleren met marxistische opvattingen enerzijds en nationalistische terminologie anderzijds is ook na zijn mislukte staatsgreep kenmerkend gebleven voor Chávez’ denken. Terugkijkend op die periode toonde hij zich in een interview een postmodernist: ‘We moeten uit het marxisme putten, maar ook uit liberale ideeën, het structuralisme en tal van andere bronnen. We moeten gebruik maken van het christendom en van de antieke denkers.’ In het Venezuela van de jaren tachtig had die ideologische flexibiliteit nog een extra voordeel. Zo kon Chávez zich verre houden van netelige discussies over lijn en strategie tussen stalinisten, guevaristen, trotskisten en maoïsten.

In een toespraak voor het Wereld Sociaal Forum in 2005 liet Chávez zien geen haar veranderd te zijn. Als zijn voorbeelden noemde hij behalve Jezus – ‘een van de grootste revolutionairen in de geschiedenis van de wereld’ – Bolívar, Ché Guevara en Fidel Castro. In dezelfde toespraak haalde hij ook nog eens Trotski aan.

Aan dat toch al bonte ideologische mozaïek voegt de president voortdurend nieuwe stukjes toe. Hij wekt de indruk een man te zijn die zich graag laat beïnvloeden door nieuwe ideeën. Iedere zondag maakt hij zijn bevolking deelgenoot van die ontwikkeling via zijn eigen politieke talkshow. De miljoenen kijkers van Aló Presidente zien Chávez urenlang uitweiden over politiek, beleid en nieuwe wetten. Soms praat de president over honkbal of een boek dat hij gelezen heeft, dan weer toont hij een leuke video, tapt een mop, zingt een liedje of draagt een gedicht voor. Op 7 april 2002 ontsloeg hij voor de camera’s de leidinggevenden van het staatsolieconcern. Onder luide bijval van het publiek en blazend op een fluitje beet hij hen toe naar huis te gaan. Achteraf sprak hij in een interview van ‘een van de grootste fouten die ik ooit begaan heb’. Vrolijk lachend: ‘En dan ook nog met een fluitje!’

Soms treedt de president op als gastheer. Zo ontving hij binnen en buiten de show meermalen vertegenwoordigers van de campagne Hands off Venezuela, een initiatief van een trotskistische splintergroepering luisterend naar de naam International Marxist Tendency. Chávez zei de boeken van leider Alan Woods op zijn nachtkastje te hebben liggen en er iedere avond in te lezen. Het Venezolaanse volk kreeg ze warm aanbevolen door de president – en ontving en passant ook de groeten van een Spaanse studente namens ‘de revolutionaire jeugd van Spanje, vertegenwoordigd door de marxistische beweging El Militante, en de Spaanse Studentenbond, die ik hier vertegenwoordig’.

Wie zijn er verder van invloed op Chávez? Naast Fidel Castro in ieder geval de diverse vice-presidenten die hij de afgelopen jaren had, denkt Javier Corrales, een Venezuela-expert verbonden aan Amherst College. ‘Maar het is niet duidelijk in welke richting die invloed loopt: van deze mannen naar Chávez of omgekeerd.’

Onder zijn informele adviseurs bevinden zich ook diverse buitenlandse theoretici. Zo zou andersglobalist Ignacio Ramonet, hoofdredacteur van Le Monde Diplomatique en oprichter van de omvangrijke beweging attac, via vertrouwelingen in de presidentiële staf aanzienlijke invloed hebben op Chávez’ denken. En dan is er de in Venezuela woonachtige Amerikaanse econoom Michael A. Lebowitz. In zijn recentste boek, Build it Now, pleit hij voor een nieuw, democratisch socialisme, dat niet tot doel heeft het kapitalisme ‘in te halen’, maar een geheel nieuwe ontwikkelingsweg creëert.

Iemand die ook nadenkt over zo’n eigen weg voor Venezuela is Bernard Mommer. De zoon van de voormalige spd-parlementariër Karl Mommer, tegenwoordig Venezolaans staatsburger, is de intellectueel achter het ‘petro-socialisme’. Hij was als olie-expert onder meer verbonden aan Oxford. Tussen 1991 en 1995 was hij als adviseur werkzaam voor staatsoliemaatschappij pdvsa. Tegenwoordig bekleedt hij een topfunctie op het ministerie van Energie en Olie.

Mommer was vroeger lid van de fameuze Sozialistische Deutsche Studentenbund (sds), motor achter de studentenopstand van ’68 in Duitsland. Daar houdt de continuïteit met die generatie niet op. Sterker, waren toen marxisten van de Frankfurter Schule als Marcuse, Habermas en Fromm de ideologische inspiratiebron voor de jonge revolutionairen, nu waart het spook van een heuse Bremer Schule door Latijns-Amerika.

Spilfiguur is oud-sds’er Heinz Dieterich. De in 1943 geboren Duitse sociale wetenschapper werkt al meer dan drie decennia voor de Universidad Autónoma Metropolitana in Mexico-Stad. Hij geldt als een van de belangrijkste informele raadgevers van Chávez. Zelf houdt Dieterich het liever op ‘een mooie vriendschap, waaruit Chávez neemt wat hem nuttig lijkt’. Hij is naar eigen zeggen ook bevriend met diverse hoge Venezolaanse militairen.

In 2001 zou hij Chávez een analyse hebben toegestuurd waarin hij een militaire coup voorspelde. ‘Helaas heeft hij die niet op waarde weten te schatten’, aldus het commentaar van Dieterich in een interview met het Duitse communistische dagblad Junge Welt eind 2005. Dieterich produceert vaker ‘enige voorstellen en theoretische concepten’ voor Chávez. Voorbeelden zijn het idee van een ‘Latijns-Amerikaans machtblok’ en het begrip ‘socialisme van de 21ste eeuw’, dat hij naar eigen zeggen al in 1996 muntte. Het is ook de titel van een standaardwerk van zijn hand, waarin hij op vrij bombastische toon het nieuwe wetenschappelijke socialistische alternatief uiteenzet.

Volgens Dieterich kan in Venezuela op dit moment niets anders gedaan worden dan wat Lenin deed met zijn Nieuwe Economische Politiek (nep). Voor een verdergaand proces richting socialisme is op dit moment geen machtsbasis. ‘De burgerlijke staat is niet vernietigd, hij heeft enkel een nieuwe regering gekregen. De kerk heeft niet aan invloed verloren. Tachtig procent van de massamedia is in handen van grote concerns die vijandig staan tegenover de regering.’ Parallel aan die chavistische nep moeten volgens Dieterich de structuren voor een ‘equivalentie-economie’ geschapen worden. ‘Dat is het beslissende onderscheid. Er wordt niet eerst de democratische en dan ergens op een later tijdstip de socialistische revolutie gemaakt, maar beide processen lopen parallel. Het is én overleven tegenover de Monroe-doctrine én een begin van socialistische ontwikkeling.’ Die equivalentie-economie is niet zijn eigen idee. Het komt voort uit de Bremer Schule, in de woorden van Dieterich een kring wetenschappers om de ‘Bremer Polyhistoriker’ Arno Peters heen. Tot hen behoren diverse Duitse en Latijns-Amerikaanse bètawetenschappers en filosofen.

Chávez plukt dankbaar de vruchten van dit denkwerk van Dieterich, Mommer en al die andere theoretici. Daarbij zit hij in een vanouds geliefde positie. Hij speelt een cruciale rol in de Latijns-Amerikaanse discussies over het socialisme van de 21ste eeuw. Tegelijkertijd houdt hij als ‘toehoorder’ voldoende ruimte om te manoeuvreren. Tussen een revolutionair socialisme en sociaal-democratie bijvoorbeeld, of tussen een plebiscitaire, radicale vorm van democratie en dictatoriaal caudillismo.

De door hem gewaardeerde theorieën komen hem daarbij van pas. Neem het petro-socialisme. De olierijkdom stelt Chávez in staat een welvaartsstaat op te zetten zónder meteen te hoeven kiezen voor een socialistische omwenteling. Die luxe hebben collega’s als Morales in Bolivia niet. Ook het begrip van de equivalentie-economie is flexibel te hanteren. Dieterich schrijft zelf al dat het nieuwe socialisme in werkelijkheid een soort protectionistisch staatskapitalisme zal zijn.

Hugo Chávez excelleert ondertussen in zijn rol van eenvoudige man van het volk: wars van ideologie maar met boerenverstand. Op die manier ontwijkt hij handig ieder debat over de grote vragen en fundamentele keuzes waar Venezuela voor staat. Zo zette hij vorig jaar in een uitzending van Aló Presidente nog maar eens zijn bescheiden idee van socialisme uiteen: ‘Ik houd er niet van me op theorieën en grootse ideeën te beroepen die vreselijk ingewikkeld zijn en die maar weinig mensen begrijpen. Ik voer liever concrete voorbeelden op. Dat is socialisme: mensen land geven, water, stroom, kredieten.’ Wie kan daartegen zijn?

……………………………………………………………………………………………………………………..
Rechtse maoïsten, revolutionaire middenklasse

De urenlange televisie-uitzendingen en toeristische uitstapjes met beroemdheden als Sean Penn suggereren het tegenovergestelde, maar Hugo Chávez begint naar eigen zeggen haast te krijgen. Het door zijn aanhangers gedomineerde parlement zette onlangs zichzelf buitenspel. Achttien maanden lang krijgt de president op belangrijke terreinen de vrije hand. Doel is versneld socialistische hervormingen door te voeren en bovenal de volledige olieproductie te nationaliseren.

Ook zijn geduld met de linkse bondgenoten raakt op. Dat is een nogal gemêleerd gezelschap: van de Communistische Partij van Venezuela tot de Beweging voor Directe Democratie en de Revolutionaire Middenklasse. Eind 2006 riep Chávez in een toespraak op tot het opbouwen van een nieuwe Verenigde Socialistische Partij van Venezuela. Die moet volgens de president een einde maken aan de versplintering binnen links. ‘De partijen die willen voortbestaan mogen dat, in hun eentje, maar zij moeten vanzelfsprekend mijn regering verlaten. Ik wil maar met één partij samen regeren. Want iedere dag komen er meer partijen, een hele kudde van partijen. Laten we het volk niet verdelen. Laten we het juist meer verenigen.’

Een flink aantal groeperingen gaf al te kennen niets in de nieuwe eenheidspartij te zien. De versplintering van Venezolaans links blijft dus nog wel even. Zeker gezien de keur aan (voormalige) linkse partijen die sowieso tegen Chávez zijn. Het bontst maakt Bandera Roja het, een maoïstische club met een voorliefde voor de gewapende strijd. Die steunt het rechtse kamp uit onvrede over Chávez’ ‘neoliberale koers’.


Beeld: Agência Brasil, a public Brazilian news agency.
Creative Commons