TONEEL

Wat waar is

Stanislawski 1

De van oorsprong Roemeense maar zijn hele creatieve leven in Duitsland en met name in München werkzame dirigent Sergiu Celibidache (1912-1996) vond het grootste compliment dat hij ooit kreeg drie woorden van iemand uit zijn publiek, die na een concert tegen hem zei: ‘Es ist so.’ Geen woord over de esthetiek of de schoonheid van de muziek, al helemaal niet over het virtuoze van de uitvoering, maar pure erkenning van het waarheidsgehalte van zijn kunst, volgens Celibidache in de muziek niet eenvoudig definieerbaar, 'aber erlebbar’. Welke waarheid is beleefbaar in de kunst van het toneelspelen? De Rus Konstantin Alexejev, die zich bediende van het pseudoniem Stanislawski (1863-1938), is zijn hele leven met die vraag bezig geweest. Hij legde een aantal denkbare antwoorden vast in een 'systeem’ van voornamelijk misverstanden over het geloofwaardig spelen van karakters binnen een Russische, laatromantische realistische traditie. Waarin die zeventien magische stokstampen bij aanvang, op de vloer achter het voordoek, geleidelijk werden vervangen door gongslagen. Waarin links op het toneel nog cour was (zaal rechts) en rechts jardin (zaal links). En waarin het gaslicht geleidelijk werd verdrongen door de elektriciteit, wat alles anders leek te maken en de misverstanden groter. Met als grootste misverstand dat van de inleving, resulterend in de terreur van het net-echt-toneel, met het geluid van een rinkelende kassa als muzikale omlijsting.
De Celibidaches in ons toneellandschap, de toneelspelers van Discordia, hebben de erfenis van Stanislawski gekozen als stof voor een reeks actuele, want voor de zich nu ontwikkelende status-quo in het toneel uiterst verstorende toneelavonden ('wij kunnen niet instaan voor de gevolgen’), waarvan de eerste onlangs werd uitgebracht in Theater Frascati. De avond gaat over de voorbereidingen, derhalve onder meer over wanneer iets nog in de werkelijkheid is en wanneer toneel, waarover met een zekere regelmaat de verontrustende tekst 'dat is van later, we zijn nu nog in het daarvoor’ te horen is. Als het donker is zijn er altijd nog wat lichtjes aan, anders zie je immers niet wat duisternis precies is. En wanneer een toneelspeler probeert het echt helemaal donker te maken, dan lijkt dat levensgevaarlijk. Als in het donker de wind klinkt, dan is dat de windmachine uit een nog niet zo ver toneelverleden, dat van voor de soundscape. Een van de toneelspelers heeft immers de wind in zijn handen, of hij klimt er naartoe, waarbij zijn broek afzakt.
Stanislawski 1 gaat ook over de letterlijkheid van wat waar is op het toneel (een rol, een kale lijst), over hoe je angst speelt en wanneer je als speler van die angst 'echt bang’ bent. Dat waarheid op een speelvloer ingewikkeld is wanneer je de bedoelingen blijft zien. Maar hoe zie je bedoelingen? Hoe herken je die? De gesprekken en uitwisselingen tussen de toneelspelers, hun struikelpartijen, hun stamelen, hun irritaties en verbazingen - ze vormen één meanderende stroom van vragen over toneel die Stanislawski zich stelde. Over de antwoorden weten we alles, want die heeft hij zijn hele werkzame leven door opgeschreven in boeken vol met aantekeningen, waaruit in de voorstelling het schrikwekkende woord 'vakboek’ opwelt. En, o, nee, de voorstelling is geen lamento over de eenzaamheid van het toneelspelersvak, althans niet een die exclusief voor toneelspelers is gemaakt. De vragen waarmee wordt gejongleerd horen tot het circus van het leven, gespeeld door de kinderen van het paradijs, met altijd een broer die nooit kwam opdagen. En betaald met nepgeld. Liefst in grote coupures.

Stanislawski 1, nog t/m zaterdag in Frascati, Amsterdam, 21.00 uur, reserveren 020-6266866