Heerlijke nieuwe wereld: Maxim Februari

Wat waren we ook weer aan het doen?

Maxim Februari gelooft niet echt in een nieuwe, betere wereld. Wel in een terugkeer naar de basis. Want als er meer energie gaat zitten in kantoormanagement dan in dingen dóen – huizen bouwen, kleren maken – wordt het nooit wat. ‘We zouden terug moeten naar minder regels.’

Medium maxim februari 01

‘Wat weet ik nu van de toekomst van de wereld?’ Maxim Februari staat niet onmiddellijk te springen om zijn licht op veranderende tijden te laten schijnen. Hij rekent zichzelf tot de chattering classes, oftewel de groep die nergens verstand van heeft maar wel overal zijn mening over wil laten horen. ‘Die zogenaamde toonaangevende denkers van dit moment zijn ongetwijfeld ingevoerd in de materie, maar ik weet weer eens van niets’, zegt hij met de hem kenmerkende mengeling van zelfspot en ernst.

Met dat nergens verstand van hebben, valt het natuurlijk wel mee. Maxim Februari is het pseudoniem van dr. mr. drs. Max Drenth, zoals op zijn site vermeld staat. Schrijver, rechtsfilosoof, ethicus. Hij is lid van het college dat adviseert over luchtvaart en veiligheid, en van de commissie die een gedragscode ontwerpt voor behoorlijk bestuur in de semi-publieke sector. In 2000 promoveerde hij op de verhouding tussen economie en ethiek; de dissertatie, Een pruik van paardenhaar Over het lezen van een boek, werd genomineerd voor De Gouden Uil. Onder de naam Februari publiceerde hij romans, waaronder het ook in het Engels vertaalde De literaire kring, en bundelingen van columns. Afgelopen voorjaar baarde zijn verslag van een transformatie, De maakbare man: Notities over transseksualiteit, veel opzien. De populaire column die Februari voor de Volkskrant schreef, waarin toen-nog-Marjolijn op geheel oorspronkelijke wijze grootste maatschappelijke thema’s lieerde aan meer dagelijkse beslommeringen, is sinds enige jaren voortgezet in NRC Handelsblad. Immer origineel, elegant en erudiet schrijft Februari hierin over zaken als rechtsprincipes, kunst, veiligheid en de vogelpopulatie in zijn achtertuin.

En gelukkig kan hij het chatteren niet laten, waardoor we ons op een snikhete middag treffen in een Utrechts etablissement. Er zit hem ook wel iets hoog, bij nader inzien. Als we dan toch denken in een volstrekt nieuw tijdperk te zijn aangekomen, moeten we vooral die dingen die van oudsher goed werken niet voortijdig het raam uit gooien. Altijd maar dat blinde gestaar op nieuw nieuw nieuw! Alsof we telkens weer van voren af aan moeten beginnen. Terwijl iedere keer als zich iets nieuws aandient je dat zou moeten inpassen in wat je al lang bedacht had dat goed werkt.

Ik begrijp eerlijk gezegd niet meteen waarop hij doelt. Tot het woord ‘internet’ valt, en Februari gezwind op stoom komt.

‘Er is niet eens een begín gemaakt met het denken over democratisering en de verrechtsstatelijking van het internet. Niemand die het erover heeft, en als je erover begint begrijpen mensen niet wat je bedoelt. Internet is een nieuw continent. Je bestormt met miljoenen, miljarden een continent waar nog niets geregeld is. Wat zijn de eerste dingen die je gaat doen? Je gaat aan staatsinrichting doen, wetten opstellen. Als ik het woord rechtsstaat laat vallen, denken mensen dat ik politietoezicht wil. Het tegenovergestelde is het geval. Ik wil geen staatstoezicht, ik wil rechten voor het individu, zeggenschap voor dat individu. Als je een nieuw land inricht zeg je toch ook niet: we gaan niet iets doen aan staatsinrichting, want dat ziet er zo wantrouwend uit.’

Dat hij zich opwindt is misschien wat veel gezegd. Ontstelde verbazing, dat is het meer. Misschien ook wel omdat ik eventjes denk dat hij bang is voor techniek. ‘Ik ben helemaal niet bang voor techniek. Ik ben alleen bang voor mensen die zich op hun kop laten zitten door techniek.’

Voor het geval ik het nog niet had begrepen: ‘Ik ben dól op techniek. Wij zijn alleen geneigd om steeds te denken dat die nieuwigheid ons louter iets oplevert, in plaats van dat het ook met ons op de loop kan gaan. Reclames voor laptops tonen iemand die ontspannen zit te werken aan de rand van een meer, terwijl werk ons in feite steeds meer stress oplevert. Als ik hierover schrijf zeggen mensen: ach, jij bent nog bang voor de stoomtrein. Maar ik vind techniek ontzettend handig. Ik gebruik ’t heel veel, leef voor een groot deel online. Als je op een nieuw continent komt, ben je er immers niet bang voor. Dan denk je: ha spannend. Dat heb ik ook met internet. Ik vind internet geweldig.’

Minder geweldig, zelfs gevaarlijk, vindt Februari het feit dat de oude ideeën over democratie en rechtsstaat opeens niet meer van toepassing zouden zijn als het op internet aankomt.

‘Het probleem van digitale techniek is niet privacy, het probleem is zeggenschap. Zorg dat je invloed hebt, dat is het oude ideaal van democratisering. Hebben wij zeggenschap over wat er gebeurt met onze data, over de koppeling van bestanden? Aan de andere kant wil je dat het individu rechten heeft ten opzichte van de grote bedrijven. Dat is de oude rechtsstatelijkheid: de machten moeten worden gebonden aan het recht.’

Ziet u voor u hoe dat zou kunnen?

‘Bij ontwerp van software moet je goeie juristen betrekken. Technologie is ondergeschikt aan wat je zou willen met de maatschappij, niet aan wat je zou kunnen. Leken zijn altijd onder de indruk van techniek en denken dat ze er niet over kunnen meepraten. Dat kan best: ze kunnen verlanglijstjes indienen. Zeggen: als het kennelijk mogelijk is, willen we graag dat dit en dat gebeurt. En niet dat er dát en dat gebeurt. Ze kunnen besluiten geen dingen te doen waarvan je op je klompen kunt aanvoelen dat het onverstandig is. Bijvoorbeeld persoonlijke data zomaar de ether in slingeren. Niet alleen vanwege privacy, maar vanwege het hebben van zeggenschap over je eigen leven. Regels zijn nodig om te voorkomen dat de verkeerde mensen hun voordeel doen met de nieuwe mogelijkheden. Iedereen is argwanend ten opzichte van overheden, ik denk dat we veel argwanender moeten zijn ten opzichte van het bedrijfsleven. Je doet je kind niet op school zonder dat je weet dat er medezeggenschap is geregeld. Maar je zet wel je privé-leven op Facebook zonder invloed te hebben op wat er gebeurt met je gegevens.’

Kalmpjes ontvouwt Februari een aantal horrorscenario’s, die gemeen hebben dat de burger van alles ontzegd kan worden omdat er meer van hem bekend is dan hij zich bewust is. Bijvoorbeeld over zijn levensstijl, waardoor hem de toegang tot de zorg ontzegd kan worden. Of over zijn rijgedrag: u heeft dit jaar al vijfduizend kilometer gereden, waarmee u aan uw taks zit. Of er gaan allerlei bestanden aan elkaar gekoppeld worden. U heeft op zich nog wel voldoende kilometers, maar u kunt beter thuisblijven want uw kinderen doen het niet goed op school, dus u moet toezicht houden op hun huiswerk.

U zou een toekomstroman moeten schrijven, Huxley achterna.

‘Ja maar dit is zozeer Brave New World dat iedereen er wat giechelig van wordt en het niet serieus neemt. Terwijl ik echt denk dat dit niet ver weg is. Heel veel zaken zullen voor de burger besloten worden door de koppeling van databestanden.’

Denkt u dat dit ook nog eens in de hand gewerkt zou kunnen worden door een mentaliteitsverandering, een verminderde onderlinge solidariteit? Er is minder van alles, en dus gaan mensen elkaar ook scherper in de gaten houden misschien. Of ze worden a-socialer, gaan ook pakken wat ze pakken kunnen.

Afgemeten: ‘Ik houd niet zo van mentaliteitskritiek. En van de gedachte dat nieuwe generaties minder aardig zouden zijn dan die van vroeger. Ik geloof ook niet dat mensen zo snel veranderen.’

Na enig nadenken: ‘Nee. Ik geloof nu juist in toenemende vriendelijkheid. Dat heeft met de economische situatie te maken. Als het slecht gaat, worden mensen vriendelijker.’

Ik zou juist denken dat het andersom is.

‘Neeneenee. In de jaren negentig wilde iedereen zijn geld tonen. Dat zie je ook in landen die snel erg rijk worden, Rusland bijvoorbeeld. Via geld willen mensen laten zien hoe geweldig ze zijn. Als mensen veel geld hebben, en dat verdienen door geld te verkopen – wat ik toch een heel raar beroep vind eigenlijk – zijn ze bovendien jaloers op mensen die iets kunnen. Daar komt ook het verzet tegen cultuur vandaan. Want iets kunnen, kun je niet kopen. Als er geen geld is, zoals nu, moet je je weer inhoudelijk verdienstelijk maken. Langzamerhand dringt het besef door dat we terug moeten naar de kern van de zaak.’

Misschien komen we hier ook wel aan bij de kern van wat Februari bezighoudt: de toenemende discrepantie tussen regelgeving, organisaties, systemen en datgene waartoe die ooit in het leven waren geroepen. De vraag kortom naar waar het ooit allemaal om is begonnen. Als dat niet meer duidelijk is, als menselijk handelen zozeer losgezongen raakt van de werkelijkheid, dan gaat het na verloop van tijd mis. Financiële constructies die niemand meer begrijpt, modellen die niet veel meer zijn dan modellen… De gebakken peren worden nu al enige tijd geserveerd.

‘Ik vind altijd de beste schrijftip: opstaan van je werktafel en je afvragen wat je ook weer aan het doen was. Wat wilde ik ook weer zeggen. Leg het hardop aan jezelf uit, meestal trekt het dan wel weer vlot. Wat waren we ook weer in het onderwijs aan het doen? In de zorg? Naarmate je langer met iets bezig bent, er meer mensen bij betrokken worden en organisaties groter worden, raak je compleet weggedreven van de basisvraag. Het gevaar is dat je vooral bezig bent met het organiseren van de interne verhoudingen. Het geldt voor de politiek, voor het bedrijfsleven. Je was een autobedrijf, maak dan in godsnaam auto’s. Ga niet proberen geld te verdienen op de geldmarkt, dat was je niet aan het doen. En als we het dan over een nieuwe wereld willen hebben: internationaal gezien zijn heel veel economieën aan het beginnen. Dat is een mooie fase. In het Westen is de vermoeidheid ingetreden. Er gaat meer energie zitten in kantoormanagement dan in dingen dóen: huizen bouwen, kleren maken.’

Dat we steeds meer losgezongen raken van het concrete dóen, heeft volgens Februari alles te maken met het steeds hogere gemiddelde opleidingsniveau. Als je mensen opleidt om commentaar te leveren, is dat ook wat ze gaan doen. Hij vindt dat ook het probleem van zijn eigen werk: altijd maar commentaar leveren vanaf de zijlijn.

‘De behoefte om iets te gaan doen, blijft bij mij altijd groot, zelfs al is dat doen dan nog steeds tamelijk abstract. Maar wel minder abstract dan alleen commentaar leveren. Die heen-en-weerbeweging vind ik belangrijk, tussen het doen en erover schrijven. Mijn grootste troef is dat ik geen belangen heb. Anderen komen altijd namens iets. Ik hoef alleen maar mijn eigen inkomen te verdienen. In je eentje kun je het evenwicht vervolgens alleen beïnvloeden door aan één kant van de boot te gaan zitten, en als daar te veel mensen zitten ga je aan de andere kant zitten. Dat is wat ik mijn hele leven doe, over die boot heen en weer lopen. Veel meer is het eigenlijk niet.’

De laatste jaren is hij door de deelname aan verschillende projecten geïnvolveerd geraakt met vraagstukken van veiligheid. Fysieke veiligheid. Luchtvaartveiligheid.

‘Veel technologische ontwikkelingen brengen allerlei nieuwe veiligheidsproblemen met zich mee. CO2-opslag in de grond, mensen vragen zich af of dat wel veilig is. Krijgen we geen gezondheidsproblemen door nanotechnologie? Dat weten we nog niet, en dan wordt dus de vraag: hoe ga je om met onbekende veiligheidsproblemen? Dat geldt voor internet ook, je weet heel veel dingen niet. De systemen die online financiële transacties uitvoeren, automatisch, daarvan weet je niet hoe verschrikkelijk die uit de hand kunnen lopen. Dat zijn economische veiligheidsproblemen. De dingen gaan zo snel en zijn zo onvoorspelbaar dat je ze niet compleet in de greep kunt houden. Je moet gaan nadenken over hoe wij, burgers, omgaan met dit soort dreigingen. Wat je daarvan vindt. Hoe we de schade over de samenleving verdelen. Welke risico’s je wel wilt lopen en welke niet. Mensen blijken veel meer bereid om risico’s aan te gaan dan de politiek ze toevertrouwt. Politici zijn bang voor burgers, daarom zijn ze zo geneigd hen tegemoet te komen. Terwijl burgers wel wat kunnen hebben, je mag best een beroep doen op hun weerbaarheid. Je kunt niet de complete speeltuin van rubber maken, niet alles voorkomen. Dat is de rommeligheid waarmee je moet leven.’

Ook maakte Februari deel uit van de commissie die zich boog over de Nederlandse canon, hetgeen in de samenleving gepaard ging met enorme discussies over identiteit en volksaard. Hij zag het als zijn taak de kwestie terug te krijgen naar de basisvraag: wat wil je dat een kind dat van school komt weet van de vaderlandse geschiedenis? Dat heeft niet zo veel met identiteit te maken, maar met goed onderwijs. De zaken makkelijker maken in plaats van moeilijker beschouwt Februari als zijn core business. Regels zouden weer instrumenten moeten zijn voor het eigen gedrag, niet om anderen achteraf mee om de oren te slaan.

‘Metersdik ligt het op dit land, al die procedures en regels. Ik ben niet tegen regels, ik vind alleen dat ze ten dienste zouden moeten staan. Vliegtuigen moeten in de lucht blijven, kinderen moeten iets leren. Ziekenhuizen moeten zorgen dat mensen beter worden. Niet alles hoeft overboord, maar we gaan het wel weer opbouwen vanuit de basistaak. We zouden terug moeten naar minder regels.’

Om onmiddellijk zelf te constateren dat voor een gesprek over de nieuwe wereld hij wel opmerkelijk vaak zegt dat we terug zouden moeten. Zo heeft hij ook zijn vraagtekens bij het streven dat vijftig procent van de Nederlandse bevolking hoogopgeleid zou moeten zijn.

‘Ik vind het onverstandig om zoveel mensen de kant van de abstractie op te sturen. Abstractie is mooi en handig, zolang je beweeglijk bent, en in staat bent regels toe te passen op gevallen. Regelgeving is als het goed is een dynamisch systeem: als de uitkomst je niet bevalt, pas je de regel aan. Nu worden mensen richting abstractie geduwd die niet de vereiste wendbaarheid hebben. Ik heb aan de universiteit zoveel mensen gezien van wie ik denk: leer liever een beroep. Die mensen halen nu een universitair diploma, en gaan vervolgens verstarren.’

Hoe verhoudt die afkeer van een al te starre regelgeving zich met uw eerder geuite behoefte aan juist een sterker gereguleerd gebruik van internet? Was de chaos op het internet niet in uw ogen de grootste eh… uitdaging voor de toekomst?

‘Zal ik eens een heel linkse uitspraak doen? Die grootste uitdaging zie ik eerder in het je teweerstellen tegen de macht van het grootkapitaal. Dat slaat op internet zijn slag, terwijl de overheden daar ver bij achterblijven. Wie zegt dat bedrijven geen politieke macht zouden ambiëren? Google is nu nog niet in de handen gekomen van een griezelige dictator geloof ik, maar dat is niet onmogelijk. Op het moment dat bedrijven meer macht krijgen, worden ze ook politiek potentieel gevaarlijker. En omdat het een wereldwijd fenomeen is, is dat nogal angstaanjagend. Facebook en Twitter verkopen je hele hebben en houden, en daar staat dan zo’n klein berichtje over in de krant.’

Met een lichte verzuchting: ‘Ik zal nooit een groot leider worden. Om miljoenen mensen achter je aan te krijgen, moet je ze echt een nieuwe wereld beloven.’

Zou u dat niet willen, het scenario voor een nieuwe wereld schetsen?

‘Ik geloof er niet in. Ik denk dat het vernachelarij is. Isaiah Berlin maakte het onderscheid tussen twee types denker, vossen en egels. Vossen zijn degenen die net als ik altijd zo’n beetje aan het scharrelen zijn. De journalistiek en andere media zijn dol op egels, die hebben één verhaal. Zet je daar nog andere egels bij, dan heb je páts, spektakel.’

De meeste filosofen redeneren vanuit één verklarend principe, één leidende gedachte.

‘Je kunt mensen nooit beschrijven vanuit één perspectief, er speelt altijd meer tegelijk. Eén dimensie vervormt de boel, dat is mijn leidende gedachte. Als je verstandig wil zijn, probeer je zo veel mogelijk overwegingen tegelijk in de gaten te houden. Om mensen te zien in hun rijkdom: ze zijn én burger, én consument, misschien hebben ze religieus ontzag, of artistieke behoefte. Zo gauw je mensen alleen maar gaat zien als burger schiet je de tunnel in. Het voorkomen van een tunnelvisie is een heilige opdracht, maar hij is helaas weinig spectaculair. De kunst is natuurlijk om bij al die openheid toch nog iets herkenbaars te zeggen. Het nadeel van de vos is dat zijn open nieuwsgierigheid soms verdacht veel lijkt op verwardheid. Zoals de Amerikanen zeggen: don’t be so open minded that your brains fall out. Dus is het weer een kwestie van voortdurend op een hoger niveau naar jezelf te kijken als je zo aan het scharrelen bent en te bedenken: zeg ik nou nog wel wat? Wat was ik ook weer aan het doen?’


Serie: Heerlijke nieuwe wereld?

De wereld bevindt zich op een snijvlak. De alomtegenwoordige crisis – niet alleen in de economie, maar ook in de politiek en het milieu – doet vermoeden dat er een tijdperk is afgesloten. ‘Niets wordt meer als vroeger’, betogen politici van links tot rechts. Maar hoe wordt het dan wel? Hoe moeten we de huidige crises begrijpen, wat kunnen we verwachten van de stormachtige technologische ontwikkelingen, wat betekent dit voor ons mensbeeld, en waar gloort er hoop?

In een serie interviews met De Groene Amsterdammer buigen de meest toonaangevende denkers van het moment, uit binnen- en buitenland, zich over deze vragen – en komen al tastend tot een antwoord: hoe ziet die heerlijke nieuwe wereld eruit?