‘Wat wás dit voor een jaar?’

Claudia de Breij, Oudejaarsconference 2022

De juf had een parcours uitgezet.

‘Kijk’, zei ze en wees achter zich. Er was weinig te zien, in feite niks. Het was niet alleen rond het vriespunt zo koud, maar ook voorwerelds donker. In deze buurt werd bespaard op de lantaarnpalen.

‘Daar loopt een pad omhoog. Ben je boven, dan ga je naar links, en ren je de brug over. Ietsje verder is een voetpad omlaag. Je rent het viaduct onderdoor, neemt de trap links, en rent de brug aan de andere kant dus weer over. Aan het eind neem je de trap omlaag, rent terug tot de eerste lantaarnpaal. Daar loop je rustig naar de volgende lantaarnpaal en weer terug en dan neem je weer dit pad omhoog.’

Het was even stil.

‘En dit doe je vier keer’, zei ze toen.

Het was best een heldere avond. Keek je lang naar de hemel, dan zag je her en der iets flonkeren. Maar ik keek niet naar de hemel, ik keek naar het donkere waar het pad omhoog moest zijn. Dat van die vier keer stelde me gerust. Ik zou dit iedere keer beter kunnen, sneller.

Je zou iets moeten gaan doen wat je ontspant, was tegen me gezegd.

Hier stond ik, met m’n taaie aspiraties. ‘Ik kan mijn geluk niet op’, had ik op 1 januari in mijn dagboek genoteerd. Ik was bezig de toon voor 2022 te zetten.

En daar ging ik, klauterend en tastend omhoog. Ik was blij weer vrij baan te hebben op de brug, m’n muts zakte tot over mijn ogen. Hoeveel groter zou mijn leven niet zijn als ik er zelf kleiner in zou kunnen worden. Ik rende over die brug en dacht aan de film die ik pas had gezien, van de Mexicaanse regisseur Alejandro Iñárittu, Bardo. Er zitten scènes in die ik niet kan memoreren zonder dat de tranen over mijn wangen rollen.

Ik hoorde m’n stappen echoën onder het viaduct, probeerde niet te gaan hijgen.

Bardo is een soort Deconstructing Harry, van Woody Allen. Een prijswinnend regisseur raakt op weg naar de uitreiking in toenemende mate verwikkeld in schimmengevechten met echte en fictieve figuren uit zijn leven en zijn werk. Schaamte en schuld kleuren zijn blik. Een van de hoogtepunten in de film is de ontmoeting in de toiletten van de feestzaal met zijn lang overleden vader. Op het moment dat hij beseft dat die man aan de andere kant bij de urinoirs zijn vader is, zie je hem krimpen tot kinderformaat. Alleen zijn hoofd blijft hetzelfde.

Alleen dat al. Dat je blijft wie je bent, maar toch ook het kind wordt, vastgepakt door je vader. Een vriend had me eerder deze week verteld af en toe te kijken naar een fotootje van zijn veertienjarige onbevlekte zelf. Dat hij hem zou willen adviseren een ander pad te nemen.

‘Wat zeiden ze dan tegen elkaar?’ vroeg hij toen ik vertelde over die vader en zoon bij de pissoirs.

‘Gewoon’, snikte ik, ‘wat je dan zoal zegt.’

Eerlijk gezegd wist ik het niet meer en was ik onmiddellijk geïrriteerd. Waarom iets precies willen weten als je ook kunt wegzinken in vaag verdriet? Ik vroeg hem toch ook niet welk pad hij dan nu niet meer zou inslaan?

Boven aan de trap links doemde een roerloze gestalte in het zwart op, m’n hart zonk. Het bleek m’n juf, om me aan te moedigen.

‘Gaat goed!’ riep ze. Ze is denk ik veertig jaar jonger dan ik, wat ik voor haar vind pleiten.

Al voor ik Bardo zag, had ik het interview met de regisseur uit de krant gescheurd. ‘Als je een land verlaat’, zei hij, ‘wordt dat land samengeperst, in jou, je wordt meer Mexicaan, juist doordat je níet in Mexico bent.’

Zoiets moet het zijn, dacht ik. Ik vond het verhelderend. Zelfs dacht ik dat het iets over mezelf verklaarde, ook al heb ik nooit letterlijk een land verlaten. Ik zag mezelf braaf weer dat donkere pad op klauteren, proberend niet te blijven haken achter de boomwortels, hopend dat de juf straks weer zou roepen dat het goed ging.