© Ed Alcock / Guardian / eyevine / ANP

Na de Grote Oorlog. Normandië begon langzaam geïndustrialiseerd te worden. Jongens en meisjes die tussen de koeien op het platteland opgroeiden trokken naar de fabrieken toe, voor net iets meer kans op een beter inkomen.

Annie Ernaux’ vader greep die kans – bij een touwfabriek, waar kinderen vanaf hun dertiende konden werken. Pas als de sirene klonk in de fabriekshal, als teken dat de werkdag er op zat, rook hij eindelijk niet meer naar de melk en koeien van thuis. Verder weg, in Rouen en Le Havre, waren nog betere banen, maar hij durfde zijn familie niet achter te laten.

Hij was respectabel – wat betekende dat hij niet dronk en niet lui was. Hij ging naar de film, spaarde voor een fiets. ‘Mijn echtgenoot zag er nooit uit als iemand uit de arbeidersklasse’, zei Ernaux’ moeder fier.

Annie Ernaux

Al decennia is Annie Ernaux de Grande Dame van de Franse letteren, maar pas deze laatste jaren breekt ze door naar een internationaler publiek. Niet met romans, niet met essays, en zelfs niet echt met wat je zomaar particuliere memoires zou noemen – haar boeken, of ze nu over abortus gaan, over ontmaagding, over de culturele omslag van de naoorlogse welvaartsspurt – zijn niet particulier, maar collectief. Ernaux wil geen politieke omwentelingen vastleggen, maar hoe ‘gewone mensen’ praten, lachen, elkaar de maat nemen, wat we voelen, hoe we denken, wat er op tafel komt en wat onze woonkamers vult.

Ze leerden elkaar kennen bij die touwfabriek, zij had eerder in een margarinefabriek gewerkt. Zij was het die hem overtuigde een winkel te beginnen. Op de fiets trok hij er in zijn schaarse vrije tijd op uit, op zoek naar een goed pand. Hij vond een winkeltje in een industriestadje om over te nemen: een donkere ruimte, waar ook overdag de lichten moesten branden. Je kon het plafond met je hand aanraken.

Eerst dacht het stel: wat is het makkelijk geld te verdienen. Ze vulden de planken met eten en drinken, pakken biscuitjes, blikjes paté. Al snel kwamen er vaste klanten die aan de kassa stilletjes vroegen: ‘Mag ik volgende week betalen, als mijn salaris er is?’

Ze kregen een dochtertje, hij ging een nachtdienst erbij draaien op de lokale olieraffinaderij. Op een dag kwam het dochtertje ziek terug van school – een zere keel, koorts. Hij was op die raffinaderij toen hij het bericht kreeg dat zijn kind was gestorven. Toen hij zich naar huis spoedde, konden ze hem van het einde van de straat horen aankomen, zo hard huilde hij.

Ik wil steeds vertellen hoe hij echt was, schrijft Annie Ernaux in La place (vertaald als De plek), de memoir over haar vader waarmee ze in 1984 doorbrak; hoe hij liep, en lachte, en me meenam naar de kermis. Maar ik wil juist over zijn sociale klasse schrijven, schrijft ze, en dus druk ik mijn subjectieve perspectief weg.

Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in september 1939, gebeurde er niets in West-Europa. Iedereen wachtte af. De Engelsen noemden het de ‘phoney war’ of de ‘bore war’, de Fransen de ‘drôle de guerre’. Maar dan in mei 1940 vielen de Duitsers aan en stonden de Fransen perplex. De oorlog was voorbij voordat hij goed begonnen was.

In zeven weken tijd stroomden de Duitse legers door Luxemburg, door de Ardennen, bezetten Parijs en paradeerden over de Champs-Élysées. In die weken stierven 124.000 Franse soldaten, raakten er nog eens tweehonderdduizend gewond, tegenover bescheiden Duitse verliezen. Op een dag, van 16 op 17 mei, maakte generaal Erwin Rommel tienduizend Fransen krijgsgevangen, ten koste van de levens van één Duitse officier en veertig soldaten.

De Fransen waren militair sterk, met een groot, technologisch geavanceerd leger. Maar de generaals misten de ruggengraat, de politici waren verdeeld. In Parijs, terwijl de nazi’s nog amper de Franse grens waren overgestoken, begonnen ministers al papieren te verbranden. De miljoenen Fransen die op de vlucht sloegen, schreef Tony Judt, vluchtten niet alleen voor de legers van het Derde Rijk, ‘maar voor de herinnerde en navertelde daden van de Kaiser bij Verdun, van generaal Moltke bij Sedan in 1870, en maarschalk Blücher bij Waterloo’. Angst regeerde.

Ernaux’ vader was toen al te oud om nog opgeroepen te worden. De raffinaderij waar hij inmiddels voorman was werd kapotgebombardeerd, hij werd in zijn gezicht geraakt door rondvliegende scherven. Hij liet huis en haard achter zich en trof zijn zwangere vrouw op de trappen van de basiliek van Lisieux, waar talloze vluchtelingen samendromden in de veronderstelling dat ze daar veilig waren. De Duitsers kwamen de stad binnen en lieten hem met rust.

Toen vader en moeder terugkeerden naar hun winkeltje ontdekten ze dat dat van plafond tot kelder geplunderd was. Niet door de Duitsers, maar door de dorpelingen. Alle voorraden waren weg. Op 1 september 1940 werd hun tweede dochter geboren, Annie.

In Les années (2008, De jaren, waarmee Ernaux de shortlist van de Internationale Man Booker Prize haalde, haar internationale doorbraak) schrijft Ernaux over die naoorlogse jaren:

‘Frankrijk was onmetelijk groot en bestond uit bevolkingsgroepen die zich onderscheidden door wat ze aten en hoe ze spraken, het werd in juli door de renners van de Tour doorkruist, je volgde de etappes op de Michelinkaart die aan de keukenmuur hing. De meeste levens speelden zich af binnen een straal van een vijftigtal kilometers. Als in de kerk het triomfantelijke gegalm opsteeg van het kerklied Chez nous soyez reine, wist je dat chez nous, ‘bij ons’, verwees naar de plek waar je woonde, de stad, hooguit het departement. Het exotische begon in de dichtstbijzijnde grote stad. De rest van de wereld was onwerkelijk.’

Alles was nog vooroorlogs. De steelpannen, het email van teiltjes, de kleding, de gordijnen. Jongens en meisjes werden overal gescheiden, als twee aparte diersoorten behandeld. Er veranderde niets aan de gang der dagen: op vaste tijdstippen hadden mensen dezelfde pleziertjes, waren dezelfde communiefeesten of kermissen. Het geloof was nog het officiële kader van het leven, de vastenperiodes stonden voorgedrukt op de kalenders.

Die late jaren veertig en de vroege jaren vijftig waren jaren van wachten. Tieners bleven tijdens familie-etentjes aan tafel zitten, luisterden naar gesprekken zonder eraan deel te nemen, glimlachten beleefd bij grapjes waar ze niet om konden lachen. ‘Je verveelde je een beetje, maar niet zo erg dat je liever al de volgende dag in de wiskundeles zat.’

Na het toetje discussieerde men over het al dan niet bestaan van vliegende schotels, over de Spoetnik, of de Russen of de Amerikanen het eerst op de maan zouden landen, zegt Ernaux. Over Algerije kon er maar één ding worden opgemerkt: Algerije met zijn drie departementen was Frankrijk. Uiteindelijk kwam altijd weer de oorlog ter sprake, de uittocht, de bombardementen, de rantsoeneringen. Je voelde de nostalgie – ‘Maar in de toon van de stemmen zat verwijdering. Met het overlijden van de grootouders die de twee oorlogen hadden meegemaakt, met het opgroeien van de kinderen, met de voltooide wederopbouw van de steden, de vooruitgang en de meubels op afbetaling was er iets teloorgegaan.’ Niemand sprak over de concentratiekampen, of hooguit terloops. ‘Het was een privé-verschrikking geworden.’

De oudere familieleden aan tafel waren gewend geraakt om cheques uit te schrijven, hadden ‘termijnbetaling’ en ‘aankoop op krediet’ ontdekt: ‘Ze voelden zich op hun gemak met wat nieuw was, waren er trots op dat ze een stofzuiger en een elektrische haardroger gebruikten. Nieuwsgierigheid won van de argwaan. Ze ontdekten het rauwe en het geflambeerde, de steak tartaar, de pepersteak, kruiden en ketchup, gepaneerde vis en aardappelpuree in vlokken, diepvriesdoperwten, palmhart, aftershave, Obao-badolie en Canigou-hondenvoer.’ Ze kochten ‘een Hellem-koffiezetapparaat, Eau Sauvage van Dior, een FM-radio met stereo-ontvangst, een hifi-installatie, luxaflex en juteweefsels op de muren, een teakhouten bankstel, een Dunlopillo-matras, een secretaire of een scriban, meubels waarvan ze de naam alleen in romans hadden gelezen’.

Door het steeds snellere opkomen van dit soort nieuwe dingen verloor het verleden terrein, schrijft Ernaux.

Annie, 8 of 9 jaar oud, met haar vader en haar hond © privéarchief Annie Ernaux

In zijn beroemde Age of Extremes schrijft de historicus Eric Hobsbawm dat de meeste mensen opereren als historici: ze herkennen de betekenis van hun ervaringen pas wanneer ze terugblikken.

Hoewel de Britse premier MacMillan in 1959 de kiezer aansprak met dat ‘You’ve never had it so good’ hadden weinig burgers in Europa echt in de gaten hoe rijk ze waren geworden. Bruto binnenlandse producten groeiden in recordtempo’s, koopkracht nam hand over hand toe, een supermarkt in 1970 moet er als een buitenaards landschap hebben uitgezien vergeleken met de supermarkt van 1950. De Britten en Amerikanen spraken over ‘the Golden Years’, de Fransen over ‘les Trente Glorieuses’, de dertig jaar van overvloed en economische groei vanaf halverwege de jaren veertig tot halverwege de jaren zeventig.

Waarom waren die Trente Glorieuses, zoals de Franse historicus Jean Fourastié het noemde, ‘een onzichtbare revolutie’? Omdat men nog met de oorlog bezig was, de wederopbouw, omdat er nog redelijk hoge werkloosheidscijfers waren, omdat er politieke onrust was tussen conservatieven en socialisten en communisten (zeker in Frankrijk), omdat je je zorgen kon maken over de Koude Oorlog, over koloniale conflicten.

Het was ook omdat de ruimte en vrijheid die de voorspoed met zich meebracht zich nog niet vertaalden naar grotere sociale ruimte en vrijheid. Als tiener aan tafel, met de steak tartaar en de nieuwe gerechten uit de nieuwe supermarkt, deed je nog niet mee. Je mocht bij zulke etentjes aanzitten, mocht meedrinken van de wijn, maar je bleef in het keurslijf. Over seks werd hooguit een plagerig grapje gemaakt aan tafel, maar besproken werd het zeer zeker niet. Anticonceptie ook niet. Abortus was een onuitsprekelijk woord.

Misschien is dát de reden waarom ze schrijft, denkt Ernaux: om te ontdekken of andere mensen op dezelfde manier dingen voelen

In 1958 sprong Annie uit de band. Het moest. Niet te houden.

Het was de zomer, schrijft ze in Memoire de fille (2016, vertaald als Meisjesherinneringen), van de terugkeer van De Gaulle naar het presidentschap, de nieuwe franc en de nieuwe republiek, van Pelé, de voetbalwereldkampioen, van Charly Gaul, de winnaar van de Tour de France en van Dalida’s Histoire d’un amour.

Annie was achttien jaar oud en vastbesloten haar maagdelijkheid te verliezen. Ze ging naar een zomerkamp waar ze haar identiteit als provinciale winkeldochter, letterlijk, voorgoed achter zich wilde laten en leverde zich over aan een 22-jarige gymleraar. Hij was al getrouwd, deze H, en op de meest liefdeloze manier vergreep hij zich aan haar. Annie kreeg veel meer dan waar ze om vroeg, en was een paar jaar van slag van wat haar was overkomen.

De jaren die volgden werden niet makkelijker, niet vrijer. Seks bleef een gevaar. In het najaar van 1963 kreeg ze, ongebonden en dus ongetrouwd, het bericht dat ze zwanger was. De wereld hield zijn adem in, over de moord op John F. Kennedy. Haar interesseerde dat op dat moment niet meer. Ze keek naar de voorspelde bevallingsdatum die haar dokter had opgeschreven. 8 juli, 1964. Ze zag zomer voor zich, zonneschijn. Ze verscheurde het stuk papier.

In L’événement (2000; vertaald als Voorval) beschrijft ze de schaamte die als een koepel over haar heen valt en de zon verduistert. Alsof ze naar haar eigen executie ging, ging ze naar een illegale abortuspraktijk, van een oude verpleegster aan de Passage Cardinet in Parijs. Eerder had ze tevergeefs geprobeerd met een breinaald zichzelf te aborteren; de methode van de verpleegster was ook vreselijk, ze overleefde het nauwelijks, belandde op de eerste hulp, waar de artsen voorspelbaar naargeestig tegen haar waren.

Vijf jaar later zou al die schaamte weer voor niks zijn geweest. 1968: onder het plaveisel het strand. Ze schrijft in Les années: ‘1968 was het eerste jaar van de wereld.’

Mensen moesten anders praten, werken, leven, denken. ‘Alles waar je je gisteren voor schaamde, was niet meer van tel. Schuldgevoelens werden bespot, wij zijn allemaal idioot-christelijk, de seksuele ellende werd aangeklaagd, frustraat gold als de grootste belediging. Het tijdschrift Parents leerde frigide vrouwen wijdbeens voor een spiegel zichzelf manueel te stimuleren.’

In het feministisch discours leerden vrouwen als Ernaux zich als vrijgevochten te tonen. Als het moet, zullen ze er niet voor terugdeinzen man en kinderen te verlaten, riepen ze op de demonstraties. Maar als ze eenmaal thuis waren, bleven die overtuigingen zelden overeind. Seks, familie, kinderen – het was voor vrouwen iets anders dan voor mannen. ‘Je wende eraan geslachtsdelen op het scherm te zien, maar hield uit angst om je emotie te tonen je adem in toen Maria Schneider door Marlon Brando anaal werd gepenetreerd.’

Aan de ene kant werd de nieuwe manier van leven geformuleerd door filosofen, die met grote graagte in tv-programma’s aanschoven, vlotte mannen vooral, die overal een eloquente mening over hadden. Aan de andere kant bleven de treinen rijden, bleven de scholen open, ging ondanks het rumoer van ’68 de wereld verder en toonde reclame hoe je moest leven, wat er allemaal mogelijk was. Er was de revolutie van de politiek, en de revolutie van de koopkracht, die beide je leven vergrootten.

De groei van de economie was de groei van alles; de steden groeiden steeds verder het platteland op, de scheiding tussen stad en streek verviel. De alomtegenwoordigheid van de media legde een groter beslag op tijdsbeleving, schrijft Ernaux. ‘Mediatijd’ dwong iedereen steeds af te tellen, naar bepaalde wedstrijden, naar verkiezingen.

Als ze op een dag uit de grote stad terug is in de provinciestad van haar ouders wordt ze door een verdwaalde toerist aangesproken. Ernaux legt hem in het Engels uit waar hij moet zijn; haar vader staat perplex. Dat ze een andere taal spreekt… Zonder er ooit geweest te zijn… Alsof hij een ruimteschip ziet opstijgen.

Ernaux kon het niet helpen haar vaders manieren te verbeteren, hem op zijn onwetendheden aan te spreken. Ze hield van hem, maar merkte dat ze steeds minder met elkaar te bespreken hadden. Op haar trouwreceptie, ergens in Parijs met uitzicht op de Seine, zag ze hem vanuit haar ooghoek. Hij zat stil op een stoel en lachte beleefd, de neppe lach van iemand die zich niet op zijn gemak voelde maar dat niet wilde laten blijken. Hij stierf niet heel veel later.

© Konstantinos Papamichalopoulos

Twintig jaar na haar abortus keerde ze terug naar de Passage Cardinet. Zomaar. Een impuls. Ze rouwde om een vertrokken minnaar, een getrouwde Deen. Een jaar lang deed ze niets anders dan op hem wachten, schrijft ze in Passion simple (1991). Ze had geen toekomst die zich verder uitstrekte dan tot het volgende telefoontje waarin ze een afspraak maakten. Wanneer de telefoon ging, nam ze langzaam op – want zolang de telefoon rinkelde en ze nog niet had opgenomen, kon het hem zijn. Als het iemand anders was, wie dan ook, walgde ze van de stem aan de lijn.

Uiteindelijk zei hij: ‘Ik zal je bellen.’ Vanuit Denemarken. En daarna hoorde ze nooit meer iets van hem.

Dus keerde ze terug naar de Passage Cardinet, omdat ze dacht dat ze het verdriet om hem kon verdringen door terug te keren naar een ouder verdriet, een ouder trauma.

Ze moest een winkeleigenaar de weg vragen. De straten zagen er anders uit, schoner, gerestaureerd. De hoge inkomens hadden de wijk gekoloniseerd; een verpleegster, zoals de vrouw die haar aborteerde, zou er niet meer kunnen wonen. Ze vond het juiste adres, zag de naam niet meer staan bij de naambordjes. Ze was vast inmiddels overleden.

Toen ze terugliep naar de metro had ze het gevoel dat de oude vrouw met haar meeliep. Ooit liep ik hier, dacht ze.

Ben ik de enige vrouw die terugkeert naar de plek van een abortus? vraagt Ernaux zich af in Passion simple. Misschien is dat wel de enige reden waarom ze haar boeken schrijft, denkt ze: om te ontdekken of andere mensen dezelfde dingen doen, op dezelfde manier dingen voelen.

Vlak voor Kerst overleed Joan Didion, zonder twijfel de meest invloedrijke Amerikaanse essayiste van de vorige en deze eeuw. Ze was 87; een vogelachtige, kleine vrouw met een grote zonnebril. Het terugkerende cliché dat over haar werd geponeerd, in talloze in memoriams, was dat ze de grote ‘persoonlijke’ essayiste was.

Want Didion was nauwelijks persoonlijk. Ze schreef over haar ouders, haar jeugd, haar mentale ineenstortingen, het overlijden van haar man en van haar dochter. Maar ze schreef dat klinisch, van een afstandje. Alsof ze haar emoties niet meemaakte, maar ze observeerde. Ze vertelde niet over haar leven, maar deelde enkele feiten mee. Met andere woorden: Didion toonde niet zichzelf, warts and all, maar toonde een persona. Je kon al haar essays lezen en toch geen idee hebben hoe het zou zijn om met haar een gesprek te hebben.

Annie Ernaux bewandelt een andere route. In al haar memoires of memoires of hoe je haar genre-verbuigende boeken ook wil noemen, is ze op de vlucht voor het ‘ik’: in La place gaat ze actief haar persoonlijke herinneringen aan haar vader uit de weg, om zich tot zijn sociaal-economische positie te beperken. In Les années gaat ze, zoals een adelaar vliegt, over de twintigste eeuw heen, ze noemt de grote geboekstaafde gebeurtenissen – maar dan alleen hoe ze overkwamen op tv, en hoeveel de nieuwe tv kostte en hoe trots gezinnen als het hare waren om zo’n tv-toestel te kunnen kopen. Het is geen persoonlijke autobiografie, maar een collectieve biografie, en gek genoeg voelt dat boek intiemer dan bijna alles wat Didion heeft geschreven.

Het eten, de supermarkten, de reclameliedjes, de grapjes op de radio, de beroemdheden op de voorpagina’s, de apparaten die keukens vulden, wat er op tafel kwam, de eerst schuchtere en daarna steeds weldadigere vakanties, de moraliteit over geloof en seks – het zijn niet de grote politieke en culturele gebeurtenissen die Ernaux boekstaaft, en ook niet de persoonlijke, maar de kleine, dag-dagelijkse dingen die je leven vullen. Op de 230 bladzijdes van Les années voel je een hele generatie leven opbloeien en wegstromen. Of misschien moet je niet Les années apart nemen, maar het samen met L’événement, La place, Passion simple en Memoire de fille als één groot werk zien, waarbij de kleine anekdotes uit het ene boek de grote verhalen uit het volgende zijn. Ernaux’ oeuvre haakt alles, net als in het leven, in elkaar.

En passant merkt Ernaux op wat ze wil herinneren. Niet de specifieke mensen, niet de gebeurtenissen, of de grote verhalen, maar:

‘Los van de verhalen werd er ook een ander geheugen doorgegeven, hoe mensen liepen, zaten, praatten en lachten, hoe ze op straat iemand aanriepen, hoe ze aten en voorwerpen vastpakten, een geheugen dat uit het diepst van het Franse en Europese platteland van lichaam op lichaam was overgegaan. Die erfenis was op foto’s niet zichtbaar, maar vormde ongeacht alle uiteenlopende individualistische eigenschappen, ongeacht het onderscheid tussen de goedheid van sommigen en de gemenigheid van anderen, de gemeenschappelijke noemer van familieleden, buurtgenoten, alle mensen van wie werd gezegd dat zijn mensen zoals wij.’

Het idiote, ongepaste, ietwat gênante gevoel is dat wanneer je Ernaux leest, ook al kom je uit een ander land en stam je van andere generaties, ze zo gedetailleerd, menselijk en liefdevol schrijft, dat je zolang je haar boeken leest oprecht denkt dat jij daar een van bent, van de mensen zoals zij. Dat het Chez nous ook voor jou klinkt.