Essay De schaduwzijde van het natuuridealisme

Wat weerloos is, is niet per se van waarde

Het denken over natuur en milieu moet worden bevrijd van de loodzware ideologische molensteen van het romantisch natuurpurisme. Zelfs als we van de hele aarde één kolossaal park maken, zou dat geen verlies zijn.

EEN PAAR JAAR geleden zag ik in de bioscoop Into the Wild, Sean Penns verfilming van het gelijknamige boek van Jon Krakauer. Iets in die film zat me niet lekker, maar ik wist niet precies wat. Toen ik hem onlangs opnieuw zag, begon het me te dagen. Boek en film volgen de laatste twee levensjaren van Christopher McCandless. Nadat hij veelbelovend is afgestudeerd, drijft zijn weerzin tegen de moderne, technologische consumptiemaatschappij hem weg van huis. Hij hunkert ernaar zich te verliezen in de ongerepte natuur. Het kost de kijker weinig moeite sympathie op te brengen voor zijn vlucht uit een verziekte, moderne wereld. De film is voor een groot deel een ode aan de natuur die ruikt naar het optimisme van de jaren zestig. Dat is ook de verdienste van de muziek, met songs die rechtstreeks afkomstig lijken uit die tijd.
Op driekwart van de film begint het verhaal een tragische wending te nemen. Na zijn omzwervingen door grootse Amerikaanse landschappen groeit bij Chris het verlangen zich nog radicaler los te maken van de moderne wereld. Hij zet koers naar het ongerepte Alaska en vestigt zich in een tochtige oude bus, die als een stuk schroot in ‘de wildernis’ is achtergelaten. Hier gaat de jonge, onverschrokken Amerikaan binnen een paar maanden in alle eenzaamheid en op een bijna onnozele manier ten onder. Chris weet te weinig van de wildernis en moet dat met de dood bekopen, een hartverscheurend einde. Na afloop van de film ervaart de kijker een mix van emoties. Aan de ene kant is er deernis voor de idealistische, sympathieke en moedige jongen. Aan de andere kant dringt zich een ongemakkelijk schuldgevoel op. Met al onze consumptiedwang, onze auto’s, onze huishoudelijke apparaten en onze verwoestende moderne technologie lijken we onrustbarend veel op de ouders van Chris - het type mens dat hij verantwoordelijk acht voor de cultuur die hij wil ontvluchten.
Into the Wild is niet de enige lofzang op wat je de 'ontzagwekkende natuur’ zou kunnen noemen. Chris laat zich mede inspireren door Walden, or Life in the Woods (1854), waarin de Amerikaanse schrijver Henry David Thoreau zijn verblijf beschrijft in een eigenhandig gebouwde hut aan de oevers van het Walden-meer in Concord, Massachusetts. Het boek ontleent zijn reputatie vooral aan Thoreau’s enthousiasmerende pogingen om de betekenis van zijn ervaringen in de wildernis te doorgronden. Thoreau was de eerste die, na het begin van de industriële revolutie, in staat bleek die terugkeer naar de natuur overtuigend voor te stellen als een nieuw ideaal. Frederik van Eeden (1860-1932) las Walden en ook hij raakte geobsedeerd door het idee van een leven in een onbedorven natuurstaat. In 1898 vestigde hij zelf een kolonie op de heide tussen Bussum en Hilversum, die hij als eerbewijs aan Thoreau 'Walden’ noemde.
Hoewel deze en vele vergelijkbare ondernemingen steevast op een mislukking uitliepen, bleek het idee van een heilzame natuur tegenover een zieke en slechte cultuur ook in de twintigste eeuw buitengewoon hardnekkig. De natuur ging steeds meer gelden als ons belangrijkste toevluchtsoord, het beste geneesmiddel voor het ziekmakende, moderne bestaan. Ondanks besmetting door de Blut und Boden-ideologie van het nationaal-socialisme kwam het ideaal in de jaren zestig opnieuw tot grote bloei. Maar al snel bleek de tegencultuur van die jaren een naïeve adolescentendroom. Ze kwam niet verder dan een terugval in de negentiende-eeuwse ideeën van Thoreau, Kropotkin, Van Eeden en andere utopisch-socialistische intellectuelen.

TOCH KEERDE HET IDEAAL van leven in een onbedorven natuur opnieuw terug. In 2002 zong ook cultuurfilosoof Ton Lemaire in het vuistdikke Met open zinnen het inmiddels bekende lied van plundering en vernietiging van de aarde. Hij pleitte voor een gemeenschapsleven van kleinschalige landbouw en jacht, in harmonie met een heilzame natuur. En toch was er iets veranderd. Het boek van Lemaire werd wel gewaardeerd, maar maakte niets meer los. Met de teloorgang van het socialistische ideaal leek ook het utopische natuuridealisme te hebben afgedaan. Het steeds manifester worden van een ecologische crisis in de jaren zeventig en tachtig maakte dit gedachtegoed feitelijk irrelevant. We konden moeilijk blijven dromen van een pastoraal bestaan op een aarde waar de ene na de andere dier- en plantensoort bezig was uit te sterven.
Maar voor onze natuurliefde bleek die ontnuchtering niet fataal. Er was voor het radicale idealisme een aantrekkelijk alternatief: de gematigde cultuur van de tuin. Sinds de opkomst van de Engelse landschapstuin in de achttiende eeuw, sinds Rousseau ook, richt die tuincultuur zich op het creëren van vrijplaatsen voor de natuur binnen de moderne maatschappij zelf. Dat vergt van zo'n maatschappij weliswaar aandacht en zorg, maar weinig zelfbeperking, laat staan radicale zelfopheffing. Esthetische domesticatie van de natuur kreeg de voorkeur boven romantisch utopisme. In Nederland begon de triomftocht van dit pragmatisme na de rampzalige kap van het Beekbergerwoud (1871) bij Apeldoorn, ons laatste echte 'oerbos’. Nog voor Frederik van Eeden met zijn Walden de utopische kant op zou gaan, waren er natuurliefhebbers met heel wat minder radicale opvattingen opgestaan, zoals de onderwijzers Elie Heimans en Jac. P. Thijsse. Deze gematigde beweging waaierde van meet af aan wijd uit. Thijsse speelde een doorslaggevende rol bij de oprichting van de eerste organisaties voor natuurbescherming, zoals Vogelbescherming (1899) en de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten (1905).
Gaandeweg nam het besef toe dat zoiets als een volkomen ongerepte natuur in Nederland vrijwel nergens meer bestond en ook niet meer zou kunnen bestaan. Gedurende vijfhonderd jaar landbouwgeschiedenis was alles wat ooit moerassig, leeg en onherbergzaam land was al lang bedijkt, drooggemalen, ingepolderd, ontgonnen, aangeharkt, beplant, bebost en uiteindelijk nuttig en bewoonbaar gemaakt. Door zaaien en oogsten, planten en wieden, snoeien en plukken was eeuwenlang drastisch en op grote schaal in de natuur ingegrepen. Het leven van planten, bomen en dieren had zich aangepast aan een cultuur van houtopslag, knotwilgen, vermolmde schuurtjes, verlaten akkers en verruigde weilanden. Zo raakten natuur en landleven hecht vergroeid met cultuur en geschiedenis. Het onderscheid tussen Natuur en Cultuur kan eigenlijk niet meer worden gemaakt.
In de twintigste eeuw legde de modernisering een steeds ongebreidelder beslag op de schaarser wordende grond in Nederland. De politieke bemoeienis ermee nam toe. Na 1945 groeide de behoefte aan 'ruimtelijke ordening’, ook voor de inrichting, het onderhoud en de bescherming van gebieden bestemd voor 'ongerepte natuur’. Belangentegenstellingen konden aanvankelijk nog geneutraliseerd worden. Conflicten over de natuur in Nederland zijn inmiddels aan de orde van de dag. Vooral de belangen van de landbouwsector botsen met die van natuurbeschermers. Het lot van de zeggekorfslak of korenwolf kan de krant halen.
Door de brede waaier van gefragmenteerde wensen en visies ontstaat een natuur die hiervan een afspiegeling vormt: hybride compromisnatuur. De uiterste consequentie hiervan is een Nederland als een volkomen ten behoeve van mensen ingericht recreatiegebied, vol 'wilde’ planten en dieren. Het project stokt nu even, onder staatssecretaris Bleker, maar wanneer de 'robuuste verbindingen’ tussen natuurgebieden er alsnog komen en de voorgenomen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) wordt voltooid, zal in feite sprake zijn van een grootschalige vorm van tuinarchitectuur. 'Mooi Nederland’ zal zich verder moeten ontwikkelen binnen het raamwerk van een soort gigantische Engelse landschapstuin: een goed onderhouden park met veel groen, bevolkt door een keur aan gedomesticeerde, koesterbare dieren.
De vraag is of dat erg is. Nee, integendeel. We zouden daar, in het licht van de ecologische crisis, blij mee moeten zijn. Wie wil er niet wonen in een land vol bomen en weilandjes, duinen en heuvels, beken en rivieren, planten en dieren? Wat doet het er dan nog toe dat het lege Nederland van tweehonderd jaar geleden volkomen verdwenen is? Met de kunstmatig gecomponeerde natuur van een heel land is in beginsel net zo weinig mis als met een fraai aangelegd park of een prachtige wilde tuin. Zelfs als we op de lange duur van de hele aarde één kolossaal park weten te maken, zou dat geen verlies zijn, maar eerder de grootste winst waarop we nog mogen hopen. De fraaiste middenweg tussen natuur, cultuur en milieu.
Een absoluut ijkpunt voor pure of oorspronkelijke natuur is er niet. Voor velen is dit moeilijk te verteren. De symbiose van natuur en cultuur tot hybride compromisnatuur is hun een doorn in het oog. De adepten van wat ik gemakshalve maar de mythe van het romantische natuurpurisme noem, beijveren zich onvermoeibaar voor het behoud van zo veel mogelijk 'oorspronkelijke natuur’. Dat lijkt een legitiem streven, maar ik denk dat het geloof in de heilzaamheid van een door de mens onaangeraakte wildernis uiteindelijk zelfs schadelijk is voor natuur en milieu. Om een aantal redenen, die ik hieronder zal noemen. Maar daarvoor moeten we eerst de mythe van het natuurpurisme nader bekijken.
Wat behelst die mythe in essentie? De aanhangers sluiten graag aan bij de door James Lovelock in 1969 geformuleerde Gaia Theorie, genoemd naar de Griekse godin van de aarde. Volgens Lovelock is de aarde een ontzagwekkend groot, dynamisch superorganisme, dat al veertig miljoen eeuwen lang zichzelf reguleert. Binnen de romantische receptie van deze theorie is de aarde synoniem met onze Moeder Natuur: de eeuwig onveranderlijke en zuivere drager van het leven. Zij heeft ons gemaakt tot wat we nu zijn. Daarom moeten wij haar respecteren. Als we dat nu maar doen, en haar haar eigen gang laten gaan, zullen de aarde en het leven altijd overwinnen. De Natuur is een godin, die we niet moeten tarten met onze eigen wensen en verlangens. Het natuurpurisme is hierop gestoeld. Ze maakt deel uit van een repeterende en schuldbewuste kritiek van de moderniteit op zichzelf. In de steeds terugkerende odes aan het 'natuurlijke’ bestaan worden we herinnerd aan de gespannen verhouding die sinds de industriële revolutie zou zijn ontstaan tussen moderne cultuur en eeuwige natuur, tussen het kunstmatige en het natuurlijke. De 'natuurlijke’ harmonie van dieren, planten en mensen, die in de schepping gegeven was, is door ons eigen toedoen verloren gegaan. De ecologische crisis is de consequentie van het geweld dat onze cultuur de natuur heeft aangedaan. De schuld ligt bij de moderne mens, die zichzelf met al zijn wetenschap en techniek van de natuur heeft vervreemd. Deze mens waant zich het grote opperhoofd van de aarde, een godheid die soeverein kan beschikken over leven en dood. Maar de oude Grieken beseften het al: de hybris, de illusie van de almacht, zal de mens in het verderf storten.
Deze door onder anderen Martin Heidegger grondig onderbouwde crypto-religieuze mythe wordt ons keer op keer en in talloze variaties opgediend, niet alleen in intellectuele non-fictie, maar ook in bioscoopfilms voor een groot publiek. Van John Boormans Deliverance en Andrei Tarkovsky’s Solaris tot Terrence Malicks The Tree of Life - er wordt voedsel gegeven aan het verhaal van een catastrofale clash tussen natuur en moderne technologie en daarmee aan wantrouwen en diepe weerzin ten opzichte van de laatste. Met als hypocriet toppunt een film als James Camerons blockbuster Avatar, die in de gestalte van hoogtechnologisch, kostbaar en commercieel 3D-amusement de morele superioriteit predikt van premoderne natuurvolkeren. Ook Into the Wild hoort in dit rijtje thuis. Chris McCandless is de onbegrepen held die het moderne consumptieve leven achter zich durft te laten. Liever geen auto, liever geen kompas, liever geen rationele voorbereiding. Op een zeker moment gooit hij zelfs zijn geld weg. Deze martelaar zag iets wat wij bijna niet meer kunnen zien: de majesteit van de wildernis.
Wat bevelen de orthodoxe adepten van de mythe ons aan? Dat, om te overleven, de natuur zo veel mogelijk bevrijd moet worden van onze bemoeienissen. Productie, consumptie en technologie zullen zo veel mogelijk teruggeschroefd moeten worden. We doen er het beste aan om ons zo veel mogelijk te richten op een aan de natuur aangepast 'groen’ leven. We moeten terug in het hok van de nederigheid en de soberheid. Er zijn immers geen drie extra aardes beschikbaar om elke aardbewoner het huidige consumptiepeil van de gemiddelde Europeaan of Amerikaan te gunnen. Het klinkt ons plausibel in de oren, waaruit blijkt dat de mythe zich nadrukkelijk in ons bewustzijn heeft genesteld. Wat ooit nog een charmante droom van intellectuelen en kunstenaars leek te zijn, is inmiddels diep verankerd in brede segmenten van de samenleving. We kunnen dat onder meer aflezen aan de manier waarop haar geloofsartikelen zijn doorgedrongen in de ideologie van het officiële natuurbeleid. Er wordt geen genoegen genomen met de hybride compromisnatuur waartoe Nederland al lang is veroordeeld. De bescherming van natuurgebieden wordt synoniem geacht aan het behouden van zo veel mogelijk 'natuurwaarde’. Hoe meer 'wilde natuur’, hoe beter.

NU IS DE 'NATUURWAARDE’ van beschermde enclaves zelden of nooit honderd procent. Overal is of wordt ingegrepen. Hoeveel natuurwaarde hebben de zandverstuivingen op de Veluwe? Zij werden ooit veroorzaakt door nietsontziende roofbouw, maar worden nu gekoesterd als fenomenen waar we zuinig op moeten zijn. Hoe groot is het aandeel 'natuur’ nog als de mens planten en dieren terugbrengt in de habitat waaruit ze ooit verdwenen zijn? Het uitzetten van dieren als otters of wisenten is een geliefde vorm van 'natuurontwikkeling’ geworden. Hoeveel natuurwaarde levert dat op? We weten ook helemaal niet wat we ons bij de 'oorspronkelijke’ toestand van een landschap voor moeten stellen. Want wat is oorspronkelijk? Wat er honderd jaar geleden was? Vijfduizend jaar geleden? De natuur zelf verandert voortdurend, ook zonder de mens.
Hoezeer de mythe van het natuurpurisme desondanks is opgerukt, leert ons het geval van de Oostvaardersplassen bij Almere. In eerste instantie was het gebied een onbedoeld bijproduct van de inpoldering annex verwaarlozing van zuidelijk Flevoland. Daarna werd het door Staatsbosbeheer opgepakt met de ambitie om hier ruimte te maken voor 'natuurlijke dynamiek’. Hier zouden we binnen een fors areaal complete ecosystemen zelfstandig kunnen laten functioneren. Voorstanders zien vol spanning uit naar een mogelijk 'spontane’ terugkeer van de wolf. Maar hoe blij moeten we daarmee zijn? We hebben in ieder geval de zekerheid dat de wolven zelf zullen veranderen, dat het ecosysteem zal veranderen en dat het landschap zal veranderen. Maar zullen het allemaal veranderingen ten goede zijn? Niet toevallig werd als ijkpunt voor de nagestreefde 'oorspronkelijke’ natuur de toestand in Nederland van duizenden jaren terug gekozen: 'pure natuur’, die nog niet door mensenhand was aangeraakt. Een bosrijk landschap, afgewisseld door open plekken die begraasd worden door oerrunderen. Dat Nederland er destijds zo bij lag is echter hoogst speculatief. Dat geldt ook voor de (her)introductie van grote grazers als de Heckrunderen, ten onrechte aangeduid als 'oerrunderen’. De oorspronkelijke oeros, waar al onze runderrassen van afstammen, is al in de zeventiende eeuw uitgestorven. Hier grazen de nakomelingen van een bijna honderd jaar geleden door de gebroeders Heck gefokt ras.
In feite betreden wij in de Oostvaardersplassen geen oernatuur maar een zeer gecontroleerd park. Conform die vaststelling zou het gebied beoordeeld moeten worden op zijn recreatieve, educatieve en esthetische betekenis. Helaas wordt de status van educatieve replica helemaal niet geambieerd. Dit moet een wildernis zijn, met echte natuur. De werkelijkheid is dat hier niet zozeer pure natuur in stand wordt gehouden als wel het idee van pure natuur. De Oostvaardersplassen schragen vooral de mythe van het romantische natuurpurisme.
Opnieuw de vraag waarom dit schadelijk zou zijn. Om een aantal redenen. In de eerste plaats vanwege het weerzinwekkende dierenleed, de talloze runderen die ’s winters nodeloos verhongeren, iets wat gelegitimeerd wordt als nu eenmaal horend bij een 'natuurlijke dynamiek’. In de tweede plaats vanwege de bijna totalitaire controle die het in stand houden van deze 'pure natuur’ vergt. We zijn plotseling heel ver verwijderd geraakt van de idee van een 'vrije natuur’. De toegangsmogelijkheden van de Oostvaardersplassen zijn immers zeer beperkt, de mens moet als de grote verzieker zo veel mogelijk worden buitengesloten. Koos van Zomeren heeft de Oostvaardersplassen ooit gekwalificeerd als 'een façade voor een stalinistische natuuropvatting’. Je kunt je inderdaad afvragen of zich hier niet de ware hybris openbaart. Zien we juist hier niet de contouren van de mens die zich werkelijk in staat acht het stokje van God over te nemen? Verder versterkt romantisch natuurpurisme de misvatting - en dat is misschien nog het meest schadelijk - dat het milieu vooral geholpen wordt door de aarde zo veel mogelijk in haar zuivere, door de moderniteit onaangeraakte staat terug te brengen. Omdat die gedachte breed wordt onderschreven, proberen velen van ons wat minder en ook 'natuurlijker’ te consumeren. Door het offer van een groene bijstelling van ons leef- en consumptiepatroon denken we de Apocalyps te kunnen vermijden. Maar gaan we het wel redden met dit natuurpurisme light? Of laten we ons erdoor in slaap sussen?
De meeste politieke posities worden gedicteerd door de axioma’s van het natuurpurisme, en dus blijven de noodzakelijke extra inspanningen achterwege. Op de meeste milieufronten hebben we te maken met zuiver wetenschappelijke en technische problemen. Dat we water kunnen zuiveren met bacterieën danken we aan de wetenschap. Bijna fabelachtige technologieën als synthetische biologie en geo-engineering worden echter onvoldoende ingezet. Hier spelen hoofdzakelijk irrationele weerstanden.
Daarom moet het denken over natuur en milieu worden bevrijd van de loodzware ideologische molensteen van het romantisch natuurpurisme. Het opgeven van de notie van een zuivere, onbevlekte natuur zal de weg helpen vrijmaken voor grootschalige, moderne interventies die nu al te lang achterwege blijven. Wetenschap, technologie en economie bieden samen de enige weg naar een oplossing van de grote milieuproblemen. Grootschalige modernisering vormt daarom geen tegenstelling tot natuurbehoud, maar is er juist de sleutel toe. Economische en technologische ontwikkelingen moeten dus niet worden teruggeschroefd, maar worden aangemoedigd. Niet minder moderniteit is nodig, maar meer. De duivel in het verhaal van het klassieke natuurpurisme zal onze verlosser moeten zijn.
Niemand hoeft te vrezen dat langs deze weg wat ons nu aan wilde natuur rest verloren zal gaan. Wildernissen met uiterst gevarieerde levensvormen, zoals bossen, regenwouden, moerassen, savannen en woestijnen zijn voor het leven op aarde van cruciaal belang. Die zullen daarom met alle mogelijke middelen maximaal beschermd moeten worden. En dus níet omdat deze landschappen puur of onaangeraakt of oorspronkelijk zijn, of mooi of ontspannend of leerzaam. Wat ze overigens allemaal ook zijn. Maar primair omdat het noodzakelijk is. Voor alle overige landschappen - een weilandje, een bosrand, een meertje - zullen de afwegingen veel minder streng moeten zijn. Daar zouden ook recreatieve of economische prioriteiten kunnen prevaleren. We moeten in ieder geval af van het idee dat elke vorm van schoonheid en ongereptheid in de natuur synoniem is met heiligheid. Alles van waarde mag weerloos zijn, maar niet alles wat weerloos is, is van evenveel waarde.
Het is een harde waarheid die onder ogen moet worden gezien: we zijn de pure natuur kwijt. Zoals we ook de middeleeuwse cultuur zijn kwijtgeraakt, met al haar ambachten, haar gemeenschapsvormen, haar geloofsovertuigingen. Ook dat verlies hebben we ooit moeten nemen. De overgebleven kathedralen renoveren we, om ze te behouden als erfgoed. Niemand wil nog een nieuwe kathedraal bouwen. De analogie met de Middeleeuwen geeft ook aan dat het verlies niet rampzalig is. We hebben er tenslotte een Renaissance voor teruggekregen en alles wat er daarna nog meer kwam; inclusief een duurzame liefde voor het middeleeuwse erfgoed. Zo zullen we voor het verlies van de oorspronkelijke natuur een schitterende hybride van natuur en cultuur terug kunnen krijgen.
Mits we onze liefde voor de natuur en voor moderne wetenschap en techniek in balans weten te houden. Voorbeeldig op dit punt is het werk van een van de grootste levende biologen, Edward O. Wilson. Een man van de wetenschap met tegelijkertijd een grote liefde voor de natuur. Wilson opent zijn boek The Future of Life met een brief aan Thoreau, geschreven aan de rand van de Walden-vijver waar de laatste ooit zijn hut bouwde. De brief laat zich lezen als een respectvol eerbewijs. Thoreau ontdekte volgens Wilson wat voor ons de essentie is van de natuur ('Your spirit craved an epiphany’). De natuur is ons eerste en laatste thuis dat we altijd moeten blijven onderzoeken, bewaren, beschermen, redden. Want, zoals Thoreau het uitdrukte: 'In wilderness is the preservation of the World.’

IK WEET NU OOK wat ik van Chris McCandless denk. Hij is een op de vlucht geslagen balling uit de moderne wereld, die zichzelf genadeloos de nacht van de illusie in heeft gejaagd. Chris sluit zichzelf op, niet alleen in een streng en winters landschap, maar ook in de mythe van een pure, door de moderniteit onbezoedelde natuurliefde. Niet door de overmacht van een wrede natuur gaat hij daarom ten onder, maar louter door eigen schuld, door ergerlijke onwetendheid en onkunde. Chris McCandless is uiteindelijk geen held, maar een deerniswekkende loser. Een eigenwijze romanticus, die voor moderne techniek en informatie niet de waardering op kon brengen die hij wel voor zijn 'wildernis’ reserveerde.
Waar Chris zich voor zijn tocht naar Alaska sterk liet inspireren door de romantische verhalen van Jack London, een fervent vijand van de kapitalistische maatschappij, daar had hij zich destijds beter kunnen wenden tot Arctic Dreams (1986) van Barry Lopez. Het boek is een lofzang op het poolgebied. Lopez combineert moeiteloos de euforie die een skyline in hem oproept (of trekvogels, of diepzeevissen) met grote wetenschappelijke kennis van zaken. Kennis van en liefde voor het mooie, machtige landschap blijken elkaar niet uit te sluiten. Integendeel. Hoe meer we ervan weten, des te groter ons ontzag. Lopez besluit zijn boek met de eenvoudige, indrukwekkende woorden: 'Ikwas vervuld van waardering voor alles wat ik had gezien.’


Dr. Patrick van der Kroef is cultuurfilosoof. Dit is een verkorte versie van een hoofdstuk uit zijn boek in wording over zeven idealen en hun toekomst