Wat weet ik eigenlijk?

Hoe moet ik weten welke cijfers over Schiphol deugen? Hoe moet ik weten welke politicus ik daarover kan vertrouwen? Hoe moet ik weten welke krant mij de juiste informatie verstrekt? Hoe moet ik weten wat er precies in Srebrenica is gebeurd?

Wat kan ik zelf controleren? Wie controleert mij?
Democratie wordt steeds moeilijker, ingewikkelder en ondoorzichtiger naarmate je meer informatie krijgt. Hoe schift ik de informatie die mij via Internet wordt toegespeeld? Hoe betrouwbaar is een bron? Welke ethische maatstaven moet ik aanleggen?
Als journalist gebeurt het mij steeds vaker dat ik, om een klein beetje ethisch te zijn, juist zeer onethisch moet wezen om aan informatie te komen.
Iemand komt bij me langs en zegt: ‘Ik heb de schriftelijke bewijzen dat die-en-die corruptie heeft gepleegd - dat kost u tienduizend gulden.’
'Ik betaal nooit voor journalistieke informatie’, zou ik vroeger hebben gezegd. Maar als ik nu hoofdredacteur zou zijn, zou ik mijn journalisten bijna verplichten die informatie te kopen.
Het stelen van belangrijke informatie zou ik niet erg vinden, zeker niet wanneer ik daarmee diefstal van de gemeente of het rijk aan de kaak zou kunnen stellen. Wat wordt de burger ondertussen wijzer? Hoe weet hij hoe hij wijzer moet worden? Welke informatie heeft hij daarvoor nodig en wie geeft hem die?
Ik weet het niet.
Ik word beroerd als ik de mensen in het café hoor praten over de politiek: ze praten er namelijk niet over, want ze zijn allemaal twintig jaar jonger dan ik, en wat er in de wereld gebeurt interesseert ze werkelijk helemaal geen klap.
Er is hier een groot gebrek aan lijden. We hebben het volmaakte walhalla geschapen voor gevluchte Bosniërs en maffiose Russen; onze vermeende tolerantie komt voort uit onwetendheid over wat er gaande is.
Ik zie hoe de kranten en weekbladen worden gelezen. 'Zeg, McDonald’s komt met een eetbare doos’, hoor ik iemand zeggen die De Telegraaf aan het lezen is.
Typerender kan mijn weerzin niet worden geïllustreerd: McDonald’s + eetbare doos = nieuws.
Het stuk over die jongen die door de politie in z'n nek is geschoten, slaan we maar over. Het stuk over die Schipholinformatie wordt niet eens opgemerkt.
Wie heeft er nog gezag? En wie controleert het gezag?
Het zijn altijd betrekkelijk intelligente mensen geweest en studenten die als eerste een totalitair regime hebben omhelsd.
Ik kocht laatst in het antiquariaat een boek van Albert Kuyle - een Nederlandse Hemingway van voor de Tweede Wereldoorlog. Katholiek, maar zwarthemd geworden. Geen domme man. Een beetje tweederangs. Enigszins miskend. Somber. Met een ideaal, ook wel. Van Céline begrijp ik zijn antisemitisme ook nooit goed: melancholicus, intelligent, sociaal bewogen, enigszins miskend, moeilijk in zijn sociale leven. Mengelberg de dirigent: een grote geest - ooit de meest geliefde Nederlander. Melancholicus, hij voelde zichzelf eigenlijk miskend, wat hij, toen hij succes had, compenseerde door te geloven 'in eigen praal’, zoals Matthijs Vermeulen schreef.
Wat weet… ik… eigenlijk? Wat wil ik eigenlijk?
Ik wil dat er een groot lijden komt, maar ik mag dat niet willen. Ikzelf - enigszins miskend, melancholicus, tweederangs - verlang naar een totalitair regime. Niet omdat het dan beter zou gaan (die les heb ik wel geleerd), maar omdat ik zo graag pijn op de gezichten wil zien, nood, verlangen, hartstocht, wil tot weten - en geen gezichtsverminkende piercings die gebrek aan daadwerkelijk lijden, aan echte slavernij moeten verbergen.
Ik wil, als ik ’s(nachts door de straten loop, een onheilspellend gehuil horen, in plaats van het gelukzalige gezoem van de desinteresse.