Het Franse model

Wat wil Chirac Le Grand?

Jacques Chirac, overlevingskunstenaar in de politiek, lijkt aan het slot van zijn carrière eindelijk boven de Parijse intriges te willen uitstijgen en een plaats in de geschiedenis te veroveren. Europa zou in zijn ogen tegenwicht moeten bieden aan de Amerikaanse suprematie, maar legt zich neer bij zijn eigen verdeeldheid en onmacht. Frankrijk niet. Chirac en zijn ministers hebben de wereld een ander model te bieden: het Franse model.

Veto of geen veto: c’est la question. Een ernstig conflict met de Verenigde Staten, of een weinig roemrijke aftocht — Jacques Chirac staat voor deze zware keuze en wil dus wachten. Laat de tijd het werk doen. Dat leidde afgelopen week tot een ironische rolwisseling. Een maand geleden eiste Chirac nog een tweede VN-resolutie voor een (legale) invasie tegen Irak. Het waren de Amerikanen die dat totaal onnodig vonden. Nu zetten de VS juist Frankrijk voor het blok met een nieuwe resolutie en is het Parijs dat in alle toonaarden laat weten dat er, voordat het volgende inspectierapport van Blix en El-Baradei begin maart op tafel ligt, geen enkele resolutie nodig is.

De Franse president wil geen oorlog. Maar hoewel alleen een veto consequent volgt uit de Franse opstelling tot nu toe, wil Chirac absoluut geen breuk met Washington. Vandaar dat de Fransen altijd de deur open hebben gehouden voor geweld tegen Irak, als Saddam Hoessein werkelijk niets anders wil. «Wij zijn vreedzaam, maar niet pacifistisch», is de Franse leuze. Voor Chirac is oorlog geen voortzetting van de politiek met andere middelen, het is de mislukking van de politiek. Laat de wapeninspecteurs daarom hun werk doen, versterk hun teams, breid de spionagevluchten uit, zegt Parijs. Kortom, plaats heel Irak onder curatele, en zolang dat nog iets oplevert, is oorlog nergens voor nodig.

Links Frankrijk stond intussen perplex. Misschien was Alain Lipietz hierover het duidelijkst. De voormalige maoïst, die de Franse Groenen nu achter de schermen leidt, verzuchtte tijdens de recente wereldwijde demonstratie tegen de oorlog in Irak: «Krankzinnig. Dat is nu al de tweede keer binnen een paar maanden dat ik voor Jacques Chirac demonstreer.» De eerste keer was op 5 mei vorig jaar, vlak voor de tweede ronde van de presidentsverkiezingen. Die won Chirac, dankzij al die linkse kiezers, met 82 procent van de stemmen verpletterend van Jean-Marie Le Pen. Natuurlijk had Lipietz niet echt gelijk en was de eerste demonstratie vooral tegen de ultrarechtse Le Pen en de tweede tegen Bush junior gericht. Maar toch.

Tegen wil en dank, lichtelijk in de war, kiest links Frankrijk president Chirac nu opnieuw als kampioen. Chirac ziet er zonder twijfel zelf ook de humor van in. «Ik weet dat ik een rechtse kop heb, maar je kunt jezelf niet overdoen», zei hij eens.

Dat rechts Frankrijk massaal achter de president zou staan in zijn verzet tegen een invasie in Irak was nog minder verwonderlijk. Weliswaar haalde Chirac in de eerste ronde van de presidentsverkiezingen vorig jaar slechts negentien procent van de stemmen, een ongekend lage score voor een zittende president, die kennelijk een bijzonder magere vaste aanhang heeft, maar een alternatief bleek niet voorhanden.

Chirac zit inmiddels stevig in het zadel van zijn tweede termijn. Hij is zelfs weer populair geworden, omdat hij er alles aan doet om zoveel mogelijk naar consensus te streven. De drie voornaamste problemen waarop hij zich in zijn tweede termijn wil richten, zijn: verkeersveiligheid, kankerbestrijding en de plaats van gehandicapten in de Franse samenleving. Alledrie belangrijke, lang veronachtzaamde onderwerpen, schrijnend en treurig, en zorgvuldig gekozen op hun volstrekt apolitieke karakter.

Chirac, die niet voor iedereen een weldoener kan zijn, laat het dus aan zijn regering over om de echt delicate en netelige dossiers uit te werken, zoals de hier en daar ronduit repressieve versterking van orde en gezag of het terugdraaien van de sociale wetgeving die premier Jospin afgelopen jaren tijdens de cohabitation had laten aannemen.

De Franse president staat zoveel mogelijk prettig boven de partijen. De Franse grondwet biedt hem daartoe de mogelijkheid. Hij is bijvoorbeeld niet te vervolgen wegens corruptie zolang hij in functie blijft. Hoe langer dat duurt, hoe verder de financiële schandalen rond het Parijse gemeentehuis wegzakken in de herinnering. Het gaat weliswaar om misbruik van stedelijk belastinggeld voor de gaullistische partij RPR en Chirac moet ervan geweten hebben, als toenmalig burgemeester, maar het is nu al meer dan tien jaar geleden, en ook de andere grote partijen hebben ruimschoots van de illegale financiering geprofiteerd. Wie maalt er nog om, nu er een oorlog voor de deur staat?

Aldus worden de glazen geheven in het Elysée, wellicht bij een veel geciteerde toast van Chirac: «Op onze vrouwen, op onze paarden en op wie hen bestijgen.» Er wordt nu zelfs al gespeculeerd over een derde ambtstermijn. Ter bekroning van dit alles is de president ook nog (maar door wie?) genomineerd voor de Nobelprijs voor de Vrede.

Het is moeilijk Chirac serieus te nemen, omdat hij daar zelf maar half in slaagt en dat ook uitstraalt. Zijn rivalen hebben hem mede daarom altijd onderschat en gingen daar allen aan ten onder: Jacques Chaban Delmas, Valérie Giscard d’Estaing, Edouard Balladur en een hele reeks potentaatjes in de gaullistische hofhouding. Alleen zijn tegenstander François Mitterrand evenaarde Jacques Chirac als overlevingskunstenaar in de politiek. Het lijkt er nu op dat Chirac aan het slot van zijn carrière eindelijk boven de Parijse intriges wil uitstijgen en een plaats in de geschiedenis wil veroveren.

Dat werd hoog tijd. Chirac heeft zijn eerste ambtstermijn verknoeid, door in 1997 vroegtijdig verkiezingen uit te schrijven en vervolgens vijf jaar te moeten toekijken met een linkse premier onder zich. Dat verlamde het buitenlandse beleid. Nu, in zijn tweede termijn, heeft hij de kans een coherent beleid uit te stippelen voor Frankrijk. Met een baaierd aan adviseurs, van linkse intellectuelen als de angstwekkend briljante Alexandre Adler tot de minstens zo slimme Dominique de Villepin.

Tegenover Irak is de Franse houding inderdaad coherent te noemen. De wapeninspecties moeten volgens Chirac de tijd krijgen die de inspecteurs nodig achten. Voordat die er de brui aan geven, is oorlog voorbarig en dus ontoelaatbaar als middel om dit geschil te beslechten. Volgens hem vormt het allang stukgebombardeerde Irak al tien jaar voor geen enkel land een acute en levensgevaarlijke dreiging meer. Oorlog zou illegaal zijn, immoreel, en contraproductief. Chirac vreest, zoals hij in een interview met Time zei, een «proliferatie van kleine Bin Ladens».

Tot zijn eigen verbazing is de publieke opinie in de wereld in beweging gekomen en vertegenwoordigt Chirac met dat standpunt niet alleen de overgrote meerderheid van de Franse bevolking, maar zelfs van de wereld. Ondanks zichzelf, want met zijn houterigheid en zijn plechtige uitspraken is Chirac zo langzamerhand een karikatuur van zichzelf geworden. Hij is nog steeds chronisch verlegen voor de camera. «Ik ben vreselijk op tv. Hoe vaker ik in beeld ben, hoe impopulairder ik word», zei de president ooit.

Dat klopt. Maar ditmaal is de inzet — oorlog of vrede — te hoog om de uitkomst van de discussie door een persoonlijk imago te laten bepalen. De voor Frankrijk essentiële kwestie is de vraag wie er over de wereld beslist sinds er nog maar één hypermacht over is. Kan Washington in de 21ste eeuw aan de hele wereld zijn wil opleggen? Leven we dus in een nieuwe variant van de absolute monarchie, waarin de Amerikaanse president bepaalt welke wet voor wie en wanneer van toepassing is? Het is de vraag of het dan nog zin heeft om van een «internationale gemeenschap» te spreken — met als belangrijkste, enigszins functionerende institutie de Verenigde Naties — op het moment dat Bush jr. ongehinderd, in weerwil van het VN-handvest, een oorlog kan beginnen.

Europa zou in Franse ogen tegenwicht moeten bieden aan misbruik van de Amerikaanse suprematie, maar het legt zich gemakzuchtig neer bij zijn eigen verdeeldheid en onmacht. Alleen Frankrijk niet. Dat verzet zich tegen de hegemonie van de Republikeinen in Washington.

Een logische positie. Vanaf Charles De Gaulle heeft elke Franse politicus ervan gedroomd Europa te kunnen aanvoeren. Het was de reden waarom De Gaulle in de jaren zestig van de vorige eeuw weigerde Groot-Brittannië toe te laten tot de EEG.

Een vooruitziende blik, blijkt nu. Chirac stuit met name bij Tony Blair op de grenzen van zijn ambities zo’n politieke aanvoerder van Europa te zijn. De irritatie daarover klonk door in zijn uitval vorige week tegen de nieuwe EU-lidstaten in het Oosten, die met hun steun aan Bush «een kans hadden gemist hun mond te houden».

Maar Frankrijk moet ook constateren dat Europa als politieke macht verder weg is dan ooit. De uitbreiding van de EU draait elke politieke eenheid voor lange jaren de nek om. Met de nieuwe lidstaten als liberale vijfde colonne van de VS dreigt de EU tot een vrijhandelszone te verworden. Chirac kon slechts twee dingen doen: zich daarbij neerleggen of hardop uitspreken dat de EU toch echt méér moet zijn dan een kassa waar de nieuwe lidstaten hun hand kunnen komen ophouden zonder te zoeken naar politieke eenheid of op z’n minst overleg en compromis. Chirac deed het laatste, met verve. Al werd dat in het openbaar afgekeurd, in Brussel zorgde het in de meest onverwachte kringen niettemin voor een zucht van opluchting. Bij Joost Lagendijk van GroenLinks bijvoorbeeld. Eindelijk zei iemand het eens hardop. Franse arrogantie? Nee, het was eerder een welhaast Hollandse directheid. Chirac verzet zich daarnaast tegen de Amerikaanse oorlogsplannen omdat men in Parijs oprecht meent dat een unipolaire wereld levensgevaarlijk is voor evenwicht en stabiliteit.

Het is bovendien een ontoelaatbaar kwetsbare positie voor de VS zelf, want hoewel niemand de Amerikaanse macht de eerstkomende decennia zal kunnen evenaren, kan een scheermesje grote schade aanrichten. Als de VS alleen de macht hebben, groeien het wantrouwen en het anti-Amerikanisme.

Naast de VS moet volgens Parijs daarom een sterk Europa komen te staan, een Europa dat zijn eigen verantwoordelijkheid neemt voor de rest van de wereld, dat dezelfde fundamentele waarden, zij het niet altijd dezelfde belangen, verdedigt. De Franse frustratie is echter dat Frankrijk altijd — ook nu weer — te klein en te geïsoleerd is geweest om zijn visie door heel Europa te laten dragen. De Frans-Duitse as tegen Bush en Blair wordt geremd door de binnenlandse politieke spanningen in Duitsland. Chirac staat daardoor, ondanks de massieve steun van de publieke opinie, nogal alleen tussen de andere Europese staatsleiders.

Het lijkt erop dat Chirac dit isolement probeert te doorbreken door zich in de Veiligheidsraad op te werpen als de spreekbuis van de Derde Wereld (Afrika) en van de Arabische landen. Het is een oude Franse tactiek om de eigen invloed binnen de VN te vergroten. Maar daarmee is het Europese probleem niet opgelost. Europa blijft verdeeld in de schaduw van de VS.

Toch is enige afstand tot Washington niet ongezond en enig Europees zelfbewustzijn niet ongepast. Zeker tegenover de semi-fundamentalistische haviken in het Witte Huis, die al biddend het liefst alle internationale verdragen op de brandstapel gooien bij de uitvoering van hun bijbelse opdracht de wereld de liberale vrijheid te doen geworden. De neutrale republiek Frankrijk daarentegen staat sinds twee eeuwen uiterst wantrouwig tegenover zo’n opzichtige vermenging van godsdienst en politiek. Zozeer zelfs dat (pijnlijk voorbeeld) tijdens de sovjetbezetting van Afghanistan de embryonale Taliban-groepen vanaf 1982 wel door de VS maar niet door de Franse geheime dienst werden gesteund, ondanks aandringen van Pakistan.

Chirac en de ministers om hem heen zijn ervan overtuigd dat zij de wereld een ander model te bieden hebben: het Franse model, dat volgens hen ook het Europese model is: een sterke, sociale, democratische staat met respect voor iedere burger. Dat model komt rechtstreeks voort uit de idealen van de Verlichting, uit de moderniteit, ofwel uit dat onweerstaanbare, meest succesvolle immateriële exportproduct van Europa van de laatste vier eeuwen. Met oorlogen worden die idealen niet efficiënt uitgedragen. Robespierre — als radicale revolutionair toch geen lieverdje — schreef het al: «Met kanonnen kun je geen democratie opleggen.» Alleen respect voor de internationale rechtsorde en voor het recht in de breedste zin des woords kan redding brengen aan de mensheid, zegt Parijs. Bij links is die opvatting het scherpst zichtbaar, maar rechts Frankrijk gelooft hier net zo hartgrondig in. Het perspectief van een revolutie, een omwenteling van de maatschappij, is sinds de val van de Muur vervangen door het droombeeld dat het kapitalisme via de wet tot sociale en duurzame rechtvaardigheid gedwongen wordt.

Chiracs ministers mogen in hun opvattingen over het gezin en het gezag misschien conservatief zijn, ze blijken in hun visie op de toekomst van de wereld verbazingwekkend veel van de antiglobalisten te hebben overgenomen. Frankrijk verdedigt in de onderhandelingen binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) de belangen van Afrikaanse aidspatiënten. Frankrijk verzet zich eveneens tegen de almacht van de farmaceutische industrie over genetisch onderzoek. Frankrijk zal, zo kondigde Chirac vorige week verrassend aan, zich sterk maken voor een moratorium op de exportsteun voor de Europese landbouw richting Afrika. De Afrikaanse boeren worden dan eindelijk niet meer stuk geconcurreerd door Europese dumpprijzen voor granen en melkproducten. Dat is een belangrijke ommezwaai voor Parijs, dat zijn eigen boeren tot nu toe altijd de hand boven het hoofd hield. Wat ervan komen zal, is afwachten, maar er zit een lijn in.

Frankrijk zoekt zo stapje voor stapje naar wegen om de wereld socialer te maken. Democratischer heeft minder haast, getuige de dictators in Afrika die door Parijs in het zadel worden gehouden. Al is het te vroeg om van een samenhangend programma te spreken, Chirac heeft niettemin geen trigger-happy ultraliberaal project in zijn hoofd.

Dat moet wel leiden tot ergernis en diepe conflicten met Washington — twee landen met een zo verwante, maar eigensoortige opdracht voor het universum. Er wordt in Parijs alleen iets minder zwaarwichtig over gesproken, omdat Gods zegen er niet op geclaimd wordt. Bovendien heeft Frankrijk begrepen dat het vooral een medebewoner van Europa is en helaas geen supermacht genoemd kan worden.

Het zij zo. Een vazalstaat is het andere uiterste. En omdat het niet om invoerheffingen gaat maar om oorlog kan Chirac een harde resolutie tegen Irak «nu niet steunen». Wat dat betekent, zal bij de stemming in de Veiligheidsraad duidelijk worden. Een veto is waarschijnlijk niet eens nodig, omdat de VS geen meerderheid achter zich vinden. Als de Amerikaanse diplomatie daarentegen met klinkende argumenten arme landen als Kameroen alsnog weet te overtuigen, dan komt dat Franse veto. Dat past bij de oude gaullistische traditie om op het juiste moment nee te kunnen zeggen.