Bart Tromp, Het sociaal-democratisch programma

Wat wil de PvdA

De dissertatie ‹Het sociaal-democratisch programma›, waarin Bart Tromp de beginselprogramma’s behandelt van de PvdA en haar voorgangers, vormt naast geschiedschrijving ook een pleidooi voor duidelijkheid over de huidige koers der sociaal-democraten.

In de aanloop naar de tumultueuze verkiezingen van 15 mei publiceerde De Groene een driedelige serie over «De grote ideologieën» en hun rol in de Nederlandse politiek. Tijdens de voorbereidingen voor het stuk over de sociaal-democratie ontstond er tussen Peter Vermaas en mij een discussie over de vraag of de PvdA eigenlijk nog wel een beginselprogramma heeft. Volgens mij wordt er over het programma van 1977 al decennia gediscussieerd, maar is het nog nooit vervangen door een ander. Volgens Vermaas is dat programma officieel ongeldig verklaard en ligt er nu al een tijdje een conceptbeginselprogramma op tafel.

De eenvoudigste manier om helderheid te verschaffen lijkt een telefoontje naar de afdeling Voorlichting van de PvdA. Het resultaat blijkt tegen te vallen, aangezien verschillende voorlichters uiteenlopende visies hebben op de stand van zaken. Het conceptprogramma is inderdaad niet aangenomen, zoveel is wel duidelijk, maar hoe het nu verder gaat? Een van de partijfunctionarissen weet te melden dat er een «permanente commissie» is ingesteld die zich «voortdurend moet buigen over de beginselen», en deze dus blijkbaar steeds kan bijstellen. Een dynamisch beginselprogramma dus, als dat niet eigentijds is? Een andere voorlichter is echter nogal sceptisch en betwijfelt of die commissie ooit bij elkaar is gekomen.

Na enige tijd worden we teruggebeld. Het is nu helemaal duidelijk. Formeel heeft de partij inderdaad geen beginselprogramma, maar de commissie die het afgekeurde concept heeft gemaakt, heeft allerlei informele bijeenkomsten belegd om te kijken waar de als te vaag en te vrijblijvend beoordeelde tekst kan worden aangescherpt. Een definitieve beslissing zal echter «over de verkiezingen heen worden getild».

Helaas was Bart Tromp in maart, toen het Groene-artikel over de sociaal-democratie verscheen, nog niet gepromoveerd, want in zijn onlangs verschenen dissertatie Het sociaal-democratisch programma valt onder meer te lezen op welke wonderlijke wijze de PvdA sinds 1977 met haar beginselen is omgesprongen. Zo’n twintig jaar geleden was er al sprake van dat Tromp op dit onderwerp zou promoveren, en in 1994 verklaarde hij in een interview met De Groene dat het boek er binnen een jaar zou zijn. Onder politicologen deed de grap de ronde dat de «Zesde Wet van Daudt» luidde: «Bart Tromp zal nooit promoveren omdat hij het te druk heeft met andere zaken». En inderdaad, Tromp is naast zijn werk aan de universiteiten van Leiden en Amsterdam niet alleen actief als columnist voor Het Parool, de Gelderlander en Elsevier, ook heeft hij zich al die jaren geroerd binnen de PvdA. Als onvermoeibare luis in de pels leverde hij in de jaren zeventig en de vroege jaren tachtig kritiek op het modieuze radicalisme dat in de partij de boventoon voerde, daarna hekelde hij de kritiekloze voetval voor het neoliberalisme en het schaamteloze opportunisme van Paars.

Als het om de PvdA gaat is de socioloog Tromp allesbehalve een «objectief» observator. Zijn proefschrift is dan ook een voorbeeld van geëngageerde wetenschap, met alle voor- en nadelen van dien. De spanning tussen engagement en wetenschap is vooral zichtbaar aan het einde van het boek. Het onderwerp van deze studie zijn de beginselprogramma’s van de Nederlandse sociaal-democratie. Hij begint met het programma van de door Domela Nieuwenhuis gedomineerde Sociaal-Democratische Bond uit 1882 en eindigt met het PvdA-programma van 1977. Omdat dat laatste document nooit definitief is vervangen, was Tromp dus eigenlijk klaar. Maar Tromp is geen historicus die het verleden als een waarde op zichzelf bestudeert. Hij is een sociaal-democratische intellectueel die zich mateloos ergert aan de wijze waarop zijn partij haar beginselen heeft verkwanseld. In de Epiloog, die alleen in de handelseditie is opgenomen, behandelt hij dan ook de ontwikkelingen sinds 1977. Hier is niet de wetenschapper maar de partijganger aan het woord, die in niet mis te verstane woorden de vloer aanveegt met tegenstanders als Felix Rottenberg, Ruud Vreeman, Wim Kok, Bram Peper, Ad Melkert, Marjet van Zuilen en vele anderen. Hoezeer Tromp ook gelijk heeft in zijn kritiek op het partijestablishment dat zich om electorale redenen nergens op wil vastleggen, het is terecht dat de promotiecommissie dit hoofdstuk, dat nog leesbaarder is dan de rest van het boek, heeft geweigerd.

Volgens Bram Peper is het ijveren van sommige PvdA-intellectuelen voor een nieuw beginselprogramma «even begrijpelijk als aandoenlijk». Het is begrijpelijk omdat intellectuelen hun prominente plaats in de politiek verloren hebben, en op deze wijze trachten weer invloed te verkrijgen. Het is aandoenlijk, «omdat zij als geen ander behoren te weten dat beginselprogramma’s, anders dan voor een héél kleine kring, weinig of geen betekenis hebben gehad voor het politieke handelen van alledag».

Nu beweert niemand, en zeker Tromp niet, dat politici bij elk probleem dat zich voordoet het beginselprogramma uit de kast moeten trekken, omdat daarin precies zou staan hoe zij dienen te handelen. Maar voor een partij die meer wil zijn dan een opportunistische of zelfs populistische belangen vereniging is een beginselprogramma onontbeerlijk. Als het goed is combineert zo’n programma immers een heldere uiteenzetting van de idealen die men nastreeft met een analyse van de maatschappelijke verhoudingen en praktische voorstellen voor politieke hervormingen. Met zo’n programma kan een partij zich dus duidelijk onderscheiden van andere partijen.

Dat de PvdA op dit moment in de ogen van velen nauwelijks meer een eigen gezicht heeft, is uiteraard niet uitsluitend het gevolg van het ontbreken van een beginselprogramma. Maar het feit dat de partijtop alle pogingen om tot zo’n programma te komen heeft gesaboteerd, terwijl iemand als Wouter Bos roept dat het van hem ook helemaal niet hoeft, maakt het voor de in verwarring zijnde partij wel heel moeilijk om duidelijk te maken waar de sociaal-democratie nu eigenlijk voor staat.

Een eeuw lang was dat wel duidelijk, en Tromp laat zien op welke wijze de visie en opvattingen van de sociaal-democratie veranderden. Als het gaat om de grote lijn is zijn verhaal heel helder en overtuigend, maar vanuit historisch oogpunt kleven er enkele bezwaren aan zijn aanpak. Doordat hij uitgebreid het ontstaan en de inhoud van de beginselprogramma’s van 1879, 1895, 1912, 1937, 1947, 1959 en 1977 behandelt, waarvan de volledige teksten in de bijlagen zijn opgenomen, gaat hij hink-stap-sprong door de geschiedenis van de Nederlandse sociaal-democratie. Hierbij verliest Tromp een deel van de werkelijkheid soms uit het oog.

Een voorbeeld hiervan is Tromps schets van de ideologische heroriëntering die de SDAP in de jaren dertig doormaakt. Het beginselprogramma van 1937 — dat voor het eerst zo heette omdat de eerdere, marxistische programma’s ervan waren uitgegaan dat het socialisme geen zaak van beginselen maar van een noodzakelijke ontwikkeling was — vormde wel de afsluiting van dit proces, maar door zich op dit document te concentreren geeft Tromp een niet geheel correct beeld van de ontwikkelingen.

Volgens Tromp was de directe aanleiding om te kijken of het programma van 1912 herzien diende te worden de verkiezingsnederlaag van april 1933. Toen immers werd de SDAP voor het eerst geconfronteerd met een electorale teruggang. Wat hij er niet bij vertelt is dat de eerste vier maanden van 1933 voor de partij bijzonder traumatisch waren geweest. Het aan de macht komen van Hitler en de roemloze ondergang van de ogenschijnlijk zo imposante Duitse sociaal-democratie waren voor de SDAP zeer schokkende gebeurtenissen. Het feit dat een groot deel van de arbeidersklasse en van de nog steeds groeiende middenklasse koos voor het nationaal-socialisme noopte tot bezinning en tot herziening van de marxistische theorie. Hoe verbijsterd en verontrust men was bleek tijdens de vergadering van het partijbestuur op 4 februari van dat jaar. Op diezelfde dag brak in Nederlands-Indië de muiterij op het oorlogsschip Zeven Provinciën uit. Sympathie betuigingen met de muiters in een deel van de sociaal-democratische pers leidden tot een antisocialistische hetze en allerlei regeringsmaatregelen, zoals het verbod voor over heids personeel om lid te worden van «rode» organisaties. Terwijl in de voorafgaande jaren van alles was geprobeerd om uit het isolement te geraken, en dat op lokaal niveau ook heel aardig was gelukt, werden de sociaal- democraten weer terug in de hoek geschopt, omdat ze ondemocratisch en niet vaderlandslievend zouden zijn.

Enkele prominente SDAP’ers, zoals Jan Goudriaan en Jan Duijs, tekenden protest aan tegen de opstelling van hun eigen partij, en kwamen met vergaande voorstellen tot een herziening van de politieke koers. Goudriaan stapte uit eigener beweging op en Duijs werd de mond gesnoerd, maar vier jaar later had de partij hun ideeën vastgelegd in het nieuwe beginselprogramma. Uit Tromps relaas wordt niet duidelijk hoe deze snelle koerswijziging mogelijk was, terwijl hij ook niet duidelijk aangeeft wat nu precies de invloed was van de economische crisis en het opkomende nationaal-socialisme. Op het, ook voor de naoorlogse sociaal-democratie zeer belang rijke Plan van de Arbeid gaat hij nauwelijks in en hij verwart het rapport Nieuwe organen met het rapport Het staatkundig stelsel der sociaal-democratie.

Deze detailkritiek, en het feit dat er wel meer slordigheden in het boek voorkomen, doet niets af aan het gegeven dat Tromp met dit vuistdikke werk een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de geschiedschrijving van de Nederlandse sociaal-democratie. Dat zijn dissertatie daarnaast een overtuigend pleidooi vormt voor de noodzaak van een goed doordacht en helder beginselprogramma, is in deze verwarrende tijden allesbehalve overbodig. Het is na 25 jaar de hoogste tijd dat de PvdA ondubbelzinnig laat weten wat zij wil, en hoe zij dat denkt te bereiken. Als zij dit blijft weigeren, kan zij zich beter opheffen.

Bart Tromp

Het sociaal-democratisch programma: De beginsel programma’s van SDB, SDAP en PvdA 1878-1977

Uitg. Bert Bakker, 683 blz., € 35,-