Wat wil je dan, papa?

Schrijvers en dementie, het is een beproefde combinatie. Juist het vinden van woorden, zoeken naar betekenis, tot uitdrukking brengen van persoonlijkheid en tonen van smaak worden onbereikbaar voor dementerenden. Daarom treft het schrijvers misschien wel des te harder als hun vader of moeder juist al die talige kwaliteiten verliest. Of in ieder geval kunnen ze er mooi over schrijven, over dat verlies aan taal en decorum.

Arno Geiger, De oude koning in zijn rijk

Arno Geiger (1968), een Oostenrijkse romancier van inmiddels zes boeken, heeft een aangrijpende roman geschreven over de dementie van zijn vader. In het Duitse taalgebied is het boek een bestseller, en naar verwachting zal het, vergelijkbaar met in Nederland Hersenschimmen van Bernlef, nog jarenlang volop gelezen worden. Net als in Geigers eerdere boek Met ons gaat het goed (2006) speelt een huis in een klein Oostenrijks dorpje een belangrijke rol. Het ­familiehuis, waar de schrijver zich terugtrekt om te schrijven, is een beeld voor Oostenrijk, voor de Europese geschiedenis, het kneuterige dorps- en familieleven en de verschillende generaties. Het is een groot, rommelig, volgepakt huis, eigenhandig door de klussende vader van aanbouwen, extra kamers en schuren voorzien.

In De oude koning in zijn rijk woont alleen de vader nog maar in het grote huis. Zijn vrouw heeft hem na een ongelukkig huwelijk op hoge leeftijd alsnog verlaten. Hij is een gepensioneerd gemeentesecretaris, en als zodanig het geheugen van het dorp. Door een trauma, opgelopen aan het einde van de oorlog, is hij nooit in zijn leven genegen geweest huis en haard te verlaten. Het tragische van zijn ziektebeeld is dat hij thuis ís, maar het niet meer als thuis ervaart. Voortdurend vraagt hij aan zijn zoon of hij naar huis mag. ‘Heb je een adres voor mij? Of een andere aanwijzing? Ik bedoel, je hoeft me alleen maar te zeggen: loop die en die straat in tot je het huis ziet.’ Ook weet de oude Geiger nauwelijks meer wie er eigenlijk voor hem zorgen. ‘Papa, weet je eigenlijk wel wie ik ben?’ vraagt Arno hem. ‘Alsof dat zo interessant zou zijn’, antwoordt zijn vader dan met een niet verloren gevoel voor humor. ‘Alles goed en wel, maar waar zijn mijn hersens?’

Maar het lachen vergaat de gezinsleden als vader alle realiteitszin verliest. ‘Het draaide erop uit dat hij met Kerstmis tijdens het journaal van de bank opstond, de schaal met kerstgebakjes naar de televisie droeg en de nieuwslezer aanmoedigde er een te nemen. Toen de nieuws­lezer niet reageerde, nam mijn vader een beignet, hield dat precies op de plek waar de mond van de nieuwslezer op en neer ging, en stelde de man voor eens te proeven.’ Als hij ook nog voortdurend denkt dat zijn vier kinderen van hem zijn afgenomen, komen de onheilspellende kanten van de ziekte genadeloos door.

Geiger heeft met De oude koning in zijn rijk niet alleen een verhaal over dementie, maar ook over het leven van zijn vader geschreven, in de traditie van de zoon die met een uitgebreid levensverhaal ten overstaan van de dorps­gemeenschap afscheid neemt op de begrafenis. Dat zijn vader doodgaat is buiten het boek gebleven, omdat het gaat over het leven, en over de ziekte die voor Arno Geiger uitdrukkelijk ook bij het leven hoort. Het gaat wat ver om te zeggen dat de dementie het leven van zijn vader verrijkt heeft, maar ‘menselijke eigenschappen en maatschappelijke situaties spiegelen zich in de ziekte van Alzheimer als in een vergrootglas’. Arno’s inzicht groeit dat het rechtlijnige, traditionele leven van zijn vader en de chaotische toestand van zijn brein vanaf halverwege de jaren negentig symptomatisch zijn voor de ontwikkeling in de westerse wereld. Daardoor voelt hij zich steeds solidairder met zijn vader; zijn ideeën over de toestand van de wereld en zijn vaders ziektebeeld ontwikkelen zich synchroon. De uitweidingen over hoe het vroeger was op het Oostenrijkse platteland, hoe er gehooid en geleefd werd, en af en toe de buitenwereld binnendrong in de vorm van een overwaaiende zeppelin of logerende raf-terrorist, zijn nostalgisch op een filosofische manier. ‘Het vertellen, doordat het gewijd is aan het verdwijnen, brengt de verdwenen dingen terug’, heet dat in Geigers woorden. Dat mensen op hoge leeftijd bevrijd zijn van de prestatiemaatschappij ziet hij als een verademing.

Ook het gezin als eenheid vaart wél bij de ziekte van vader. ‘Mijn broers en zus en ik zaten nu weer allemaal in hetzelfde schuitje.’ En zelfs de moeder is bereid om de zorgen voor haar ex-man op zich te nemen in dat grote tochtige huis. Als vader ondanks een legertje aan Oost-Europese verpleegsters niet meer thuis kan blijven wonen en verkast naar het bejaardenhuis ruimen ze gezamenlijk en in grote harmonie het huis leeg.

De ‘oude koning’ heeft zijn leven lang gestreefd naar een goed burgerlijk leven. Hard werkend en verantwoordelijk. Nu is hij een oude man en heeft geen doel meer. ‘Wat wil je dan, papa?’ ‘Niets. Dat is het mooie, weet je. Dat moet je kunnen.’

Het is hartveroverend dat de zoon taal wil geven aan het leven en de ziekte van zijn vader. ‘De dagen van de mensen zijn als gras’, noteert hij, en hij zet de literatuur in om die dagen betekenis te geven. Geiger heeft in zijn boek veel van zijn vaders uitspraken opgenomen. Ze krijgen iets van aforismen, levenswijsheden, in ieder geval voor de zoon, die door de zorg voor zijn vader geleerd heeft zich meer voor de wereld open te stellen. ‘Toen verijdeld werd waarop we hoopten, begonnen we pas te leven.’