profiel: john de mol De sloper van het omroepbestel

Wat wil John de Mol?

Het binnenhalen van de voetbalrechten door John de Mol zou wel eens de aanzet kunnen vormen tot een grootscheepse hervorming van het complete publieke bestel. Nog nooit leek het klimaat voor wezenlijke veranderingen zo gunstig als nu.

Een vooruitblik: het is augustus 2005. De strijd om de jaarlijkse Johan Cruijff-schaal (voorheen de Supercup) in de Amsterdamse Arena is gestreden en het nieuwe voetbal seizoen is officieel geopend. De samenvattingen van de eredivisievoetbalwedstrijden zijn zondagavond om zeven uur niet langer bij Studio Sport van de NOS te vinden, maar op het kanaal van de kinderzender Nickelodeon. Het is even wennen voor de drieënhalf miljoen voetballiefhebbers, maar na een paar weken weet het publiek al niet beter meer. John de Mols mediabedrijf Talpa zendt voortaan de voetbalbeelden uit: korter, sneller, met veel statistieken en meer camera’s dan de NOS gebruikte en natuurlijk onderbroken door commercials. Na afloop worden de spelers niet in de catacomben van het stadion geïnterviewd, maar op het veld – voor het reclamebord van een van de sponsoren. Later op de zondagavond zendt de NOS een programma uit met alle andere sporten – het heeft geen enkel nut om waterpolo of hockey tegenover het immens populaire voetbal te programmeren.

De voetbalwedstrijden op vrijdagavond zijn te zien bij RTL. De andere partijen worden in het weekeinde live uitgezonden door Versatel. Het telecombedrijf heeft een speciale decoder ontwikkeld waarmee televisiebeelden via de telefoonlijn kunnen worden opgevangen. Met hetzelfde kastje kan natuurlijk ook op internet worden gesurft en gebeld met de vaste telefoon. Als doekje voor het bloeden mag de NOS wel drie jaar lang, de periode waarvoor alle rechten gelden, de wedstrijden voor de radio verslaan.

Ruim twee jaar later, december 2007. John de Mol wint de strijd om de voetbalsamenvattingen opnieuw. Zonder een centje pijn, want er is nauwelijks concurrentie. De publieke omroep telt inmiddels nog maar twee netten en de politiek heeft het budget dusdanig teruggeschroefd dat de NOS absoluut geen geld heeft om mee te bieden op de vrijkomende rechten.

De twee andere in Nederland opererende commerciële omroepbedrijven, RTL en SBS, hebben een paar zware jaren achter de rug. Zij mogen van hun beursgenoteerde buitenlandse moederconcerns geen grote bedragen meer uitgeven, zelfs niet aan de populaire voetbalpakketten. Ook betaalzender Canal+ heeft nauwelijks een cent te makken: nadat het eind 2004 alle live-voetbalrechten verloor aan Versatel zijn er nauwelijks nog kijkers die een abonnement op de betaalzender nemen. Porno en oude films alleen blijken niet voldoende om de kijker te verleiden.

Andere geïnteresseerde partijen, zoals telecombedrijven, hebben wel het geld en de mogelijkheden om «digitale televisie» in de huiskamer te brengen, maar maken geen kans. Om de voetballiefhebber niet van zich te vervreemden, eist de Eredivisie CV (de verzamelde voetbalclubs) namelijk dat de samenvattingen op een open, onbetaalde zender worden uitgezonden – ze mogen niet achter een decoderkastje verdwijnen. Zo’n «free to air»-kanaal is voor de laatste partijen geen optie: zij leven immers van abonnementsgelden.

Het televisielandschap wordt intussen wel steeds meer bepaald door andere spelers dan de traditionele omroepen. Via internet kan bijna iedereen televisie uitzenden. De Mol heeft ook een aantal zogeheten themakanalen opgezet: zenders die op de voorkeuren van specifieke doelgroepen zijn afgestemd. Een kanaal voor vrouwen tussen de twintig en de 34, met commercials voor oogschaduw en luiers, en een kanaal voor vrouwen tussen de 35 en 49, waarop vooral antirimpelcrème wordt aangeprezen.

En dat beperkt zich niet tot televisie alleen. Via internet en radio biedt De Mol een heel platform aan, waarbij hij ook radio, internet en mobiele telefonie inschakelt. Hij heeft niet voor niets een radionetwerk in binnen- en buitenland opgezet met zenders als Radio Noordzee, Radio 10, de Deense zender Radio 100 FM en het Belgische kanaal 4FM. Ook zijn aandelen in bedrijven als Ubisoft (ontwerper van computerspelletjes), Lycos (internet) en Versatel komen daarbij goed van pas.

Tot zo ver de toekomstbespiegelingen. Nu is het nog januari 2005 en weet niemand precies hoe de televisie-industrie er over een paar jaar uitziet. Maar één ding is op dit moment wel duidelijk: John de Mol laat het Nederlandse televisielandschap op zijn grondvesten daveren.

Mede door zijn toedoen laait de discussie over de toekomst van de publieke omroep weer in alle hevigheid op. De Haagse politiek, jarenlang beschermheer van de uit de verzuiling overgebleven omroepverenigingen, begint zich steeds nadrukkelijker te realiseren dat het publieke bestel nodig aan hervorming toe is. Wat is de toegevoegde waarde van omroepverenigingen als de Tros en Avro met nóg een Nederlandse amusementszender erbij? En hoe moet de publieke omroep worden beoordeeld als het publiek massaal op De Mols zender afstemt voor voetbal terwijl de kijkcijfers toch al drastisch dalen?

In het televisieprogramma Nova vertelde De Mol zonder blikken of blozen dat hij verwacht de eerste drie jaar een aanloopverlies van zo’n honderd miljoen euro te zullen maken. De boodschap is duidelijk: hij is bereid tot het uiterste te gaan – en dat is heel ver. De Mol, die na de verkoop van zijn bedrijf Endemol aan het Spaanse telecombedrijf Telefónica medio 2000 in één klap miljardair werd, heeft ruimschoots voldoende geld om zijn dromen waar te maken. Dat liet hij al eerder zien: begin 2003 deed hij een monsterbod van tachtig miljoen euro om een uitzendfrequentie te bemachtigen voor zijn radiozender Noordzee FM. RTL-baas Fons van Westerloo (RTL4, RTL5 en Yorin) ziet de bui al hangen. De advertentiemarkt staat volgens hem op dit moment zwaar onder druk en de zevenhonderd miljoen euro reclamegeld die de bestaande zenders moeten verdelen, is al geen vetpot. Met nog een station erbij is het wachten totdat het eerste kanaal omvalt, voorspelt hij: «De Mol ziet het bijna als een hobby. Dat maakt hem een gevaarlijke jongen. Er gaan doden vallen.»

Het is niet de eerste keer dat De Mol zijn eigen doorgeefluik probeert te creëren voor de programma’s die hij maakt. Hij wil al veel langer een eigen televisiezender. Dat betekent immers dat hij nooit meer hoeft te soebatten met omroepdirecteuren over budgetten en inhoud van zijn programma’s en dat hij volledig zelf kan bepalen wat hij op de buis brengt.

Zijn eerste poging om een tv-station te starten, zal De Mol niet licht vergeten. In augustus 1996 ging Sport7 van start, de betaalde sportzender waar De Mol heel zijn ziel en zaligheid in stak. Hoewel het station een trits van grote, Nederlandse bedrijven als Philips, KPN, ING en Nuon achter zich had staan (bijgenaamd «de BV Nederland») ging de stekker er na vijf maanden al uit. Het zat op alle terreinen scheef: de contacten met de verschillende kabelbedrijven verliepen moeizaam, politici en NOS-bobo’s kraakten de betaalzender tot de grond toe af en de programmering van Sport7 was uiterst rommelig. De Mol bleef tot op het laatste moment geloven in de levensvatbaarheid van het project. In een laatste vergadering heeft hij nog allerlei opties voorgeschoteld voor een uitweg uit de malaise, maar de andere aandeelhouders voelden er niets voor om nog meer geld te stoppen in het project. De Mol bleef gedesillusioneerd achter. «Hij was helemaal gesloopt», vertelde Philips-topman Jan Timmer. Toenmalige zakenpartner Joop van den Ende: «Sport7 was zijn eerste openlijke verlies.»

Hoe pijnlijk dat debacle ook was, het ligt ver achter De Mol en hij is er de man niet naar om ergens lang verdriet over te hebben. Het idee van een eigen televisiezender heeft hij echter nooit los kunnen laten. In de jaren na de deconfiture van Sport7 heeft hij verscheidene gesprekken gevoerd over de overname van een station. Hij heeft zelfs overwogen een bod uit te brengen op de Deense publieke zender TV2.

Het wekte dan ook geen enkele verbazing dat De Mol, na zijn vertrek bij zijn levenswerk Endemol in mei 2004, vrijwel direct op zoek ging naar een geschikt televisiekanaal voor zijn nieuwe mediabedrijf Talpa. Van het Amerikaanse MTV Networks, dat in Nederland drie zenders bezit (de muziekzenders MTV en TMF en kinderzender Nickelodeon), kocht De Mol de avonduren van Nickelodeon. Vanaf augustus volgend jaar gaat hij die vullen met voetbal en Nederlandstalige programma’s: een frontale aanval op de familiezenders RTL4, SBS6 en Nederland 2.

Vooral de laatste krijgt het de komende jaren zwaar te verduren. De publieke omroep bracht veertig jaar lang de eredivisiesamenvattingen bij de kijker in huis. Tijdens de bijeenkomst in Zeist, waar Eredivisie-voorzitter Michael van Praag het besluit van de voetbalclubs bekendmaakte, heerste grote verslagenheid bij de medewerkers van de publieke omroep toen bekend werd dat De Mol er met de rechten voor de samenvattingen vandoor ging. Ze hadden het slechte nieuws natuurlijk wel zien aankomen: De Mol was met een hoger bod van 35 miljoen (tegenover 30,5 miljoen euro van de NOS) de gedoodverfde winnaar. Maar het deed uiteindelijk toch nog pijn.

Het is niet alleen om nostalgische redenen dat de publieke-omroepmedewerkers zo verdrietig reageerden. Ze realiseerden zich maar al te goed dat het verlies van de zondagavondrechten veel verstrekkender gevolgen kan hebben dan alleen het verdwijnen van een paar arbeidsplaatsen bij Studio Sport. Het zou wel eens de aanzet kunnen vormen tot een grootscheepse hervorming van het complete publieke bestel.

De publieke omroep ligt al tijden onder vuur. Ontstaan uit de verzuiling, waarbij elke omroepvereniging wel een politieke partij of andere lobbyclub achter zich had staan, kenmerkt de huidige constellatie zich vooral door inefficiëntie, enorme overheadkosten en langs elkaar heen werkende verenigingsbesturen. Volgens het Nederlands Omroephandboek 2003-2004 kent de publieke omroep momenteel 31 overlegorganen. Bij eenzelfde journalistieke gebeurtenis rukken meestal vier, zeer kostbare, satellietwagens en ploegen tegelijk uit: van het Journaal, Nova, Netwerk en Twee Vandaag. Alle acht omroepverenigingen hebben hun eigen bestuur, die allemaal hun eigen kosten maken. Tegelijkertijd kampt de publieke omroep met gestaag dalende kijkcijfers.

De roep om de publieke omroep tot één bedrijf om te vormen, is niet nieuw. Maar nog nooit leek het klimaat voor wezenlijke veranderingen zo gunstig als nu. Op 2 april vorig jaar presenteerde een commissie onder leiding van Alexander Rinnooy Kan pittige conclusies over het functioneren van de publieke omroepen. De omroepen hebben in die jaren individueel redelijk gepresteerd, maar niet genoeg samengewerkt, bleek uit het onderzoek. «Het geheel is minder dan de som der delen», schreef Rinnooy Kan. En als de publieke omroep op dezelfde voet doorgaat «is marginalisering op den duur niet uit te sluiten». Een nauwere samenwerking is geboden, meende de commissie, anders zouden verdergaande stelselwijzigingen moeten volgen.

De reactie van de politiek sprak boekdelen. Vooral de VVD en LPF toonden zich nadrukkelijk groot voorstander van stevig ingrijpen. Maar ook D66 en PvdA spraken zich niet echt uit tegen verandering. Mediawoordvoerder Bert Bakker van D66, de partij van staatssecretaris van Cultuur en Media Medy van der Laan, verkondigde dat als de omroepen niet meer kwaliteitsprogramma’s kunnen bieden dan voor twee netten er misschien een net geschrapt moest worden. Alleen het CDA keerde zich faliekant tegen een hervorming van het huidige bestel. Dat wil zeggen: de fractie. Want de CDA’ers in het kabinet leken bereid wat verder te gaan in de ontmanteling van de publieke omroep.

Er circuleren diverse plannen in Den Haag en Hilversum: van een strakkere samenwerking tussen de verschillende omroepverenigingen en het gedeeltelijk reclamevrij maken van de publieke omroep tot het zogeheten BBC-model, waarbij de omroepverenigingen worden omgevormd tot dochterproducenten van een centraal gestuurd bedrijf. Daarbij wordt algemeen aangenomen dat één van de drie netten sneuvelt.

In dat laatste geval wordt Nederland 2 waarschijnlijk de grote verliezer. Koning Voetbal is per augustus weg en de amusementsprogramma’s van de twee grote leveranciers van het tweede net, de Tros en de Avro, hebben volgens menigeen nauwelijks toegevoegde waarde tegenover hun commerciële evenknie. Bij iedereen ligt het geflopte Tros-programma De tv-kapper nog vers in het geheugen: een slap aftreksel van de razend populaire «real life soap» Big Brother, waarvoor de Tros wel een fiks bedrag moest ophoesten. Een recenter voorbeeld, de weekendsoap Het glazen huis (die de Tros, Avro en BNN gezamenlijk uitzonden) kostte al gauw zeven miljoen euro per jaar, maar is voortijdig van de buis gehaald. De vraag of er zo veel belastinggeld moet worden gespendeerd aan iets wat de commerciële zenders waarschijnlijk beter kunnen, klinkt steeds luider. Als John de Mol Tros-sterren als zus Linda de Mol en Ivo Niehe aan zijn nieuwe zender weet te binden – en die geruchten gaan hardnekkig – lijdt de Tros een pijnlijk verlies.

Het is niet voor niets dat juist de Avro en de Tros meermaals hebben onderzocht of er een commercieel bestaan buiten het bestel mogelijk is, precies zoals jongerenzender Veronica dat midden jaren negentig deed. Tros-voorzitter Karel van Doodewaerd biechtte in televisievakblad Broadcast Magazine onlangs op dat hij zelf weinig toekomst ziet in de huidige constellatie: «Dit bestel is een sterfhuis.» Toch durft hij de grote stap nog niet aan, bleek onlangs. Voor de komende drie jaar heeft hij keurig een nieuwe erkenning gevraagd van de politiek en gekregen. Net als de Avro trouwens. Veilig binnen de moederschoot van het publieke bestel, met al zijn financiële waarborgen, is het voorlopig blijkbaar toch nog iets prettiger opereren dan in de harde commerciële wereld daarbuiten. Zeker nu De Mol zijn zinnen heeft gezet op een leidende marktpositie.

Dat ondervinden RTL en SBS (SBS6, Net5 en Veronica) aan den lijve. Sinds De Mols plannen voor een eigen televisiezender bekend werden, maakten al flink wat televisiemakers de overstap naar zijn mediabedrijf Talpa. Programmadirecteur Remko van Westerloo, die voor SBS het station Net5 op de kaart zette, Ton Rozenstraten van het advertentieverkoopbedrijf van RTL en adjunct-zakelijk directeur Gert Grolleman van SBS zijn al weggekocht. Over de presentatoren Ernst Paul Hasselbach (Net5) en Beau van Erven Dorens (RTL) gaat het gerucht dat zij hun huidige werkgever eveneens verruilen voor een baantje bij De Mol. Ook presentatoren als Peter R. de Vries (SBS6) en Albert Verlinde (RTL), die via radiostation Noordzee FM al aan De Mol zijn verbonden, wagen wellicht de grote sprong.

En dan is De Mol nog niet eens echt begonnen. Met het zondagavondvoetbal op zak zal zijn nieuwe zender in augustus zeker direct een flink marktaandeel weten te pakken. Bovendien zal hij, gezien zijn gebleken neus voor televisieprogramma’s die een groot publiek aanspreken (Medisch Centrum West, All You Need is Love, Big Brother) ook met amusement behoorlijke kijkcijfers weten te boeken.

Adverteerders staan te trappelen. De huidige, gezapige televisiemarkt heeft al een tijd lang weinig echt spannende momenten meer opgeleverd. Er is behoefte aan nieuwe, onderscheidende programma’s. Het lef en het geld die daarvoor nodig zijn, ontbreken op dit moment. Al was het maar omdat de buitenlandse moederconcerns van RTL (RTL Group) en SBS (SBS Broadcasting) onder druk van een wegzakkende advertentiemarkt en een dalende aandelenbeurs minder geld willen steken in hun Nederlandse dochterdivisies. Het gevolg: programmadirecteuren nemen steeds vaker hun toevlucht tot Amerikaanse series en goedkope herhalingen van bestaande succesnummers. Een nieuwkomer als De Mol is in zo’n televisiewereld van harte welkom.