Syrië ontspringt de dans

Wat wil Syrië?

In 2003 hadden de Amerikaanse neoconservatieven Syrië in hun vizier voor een volgende regime change. Dat dat er nooit van gekomen is ligt aan de manoeuvres van de Syrische heerser Bashar al-Assad. Een kleine herwaardering van zijn politieke talent is op zijn plaats.

In september vorig jaar werd de Amerikaanse onderzoeksjournalist Seymour Hersh aangesproken door een anonieme bron die hem een smeuïg verhaal beloofde. Een paar dagen daarvoor had de Israëlische luchtmacht een locatie in Syrië, ergens aan de oever van de Eufraat, iets boven de grens met Irak, gebombardeerd. Het precieze doelwit werd niet vermeld. Tel Aviv en Washington D.C. weigerden elk commentaar.

De media speculeerden heftig; een militair complex zou gebombardeerd zijn, een radarinstallatie, een opslagplaats voor biologische of chemische wapens, of de bouwplaats van wat misschien een nucleaire reactor zou kunnen zijn.

De anonieme bron was gelieerd aan de Israëlische veiligheidsdienst en bood Hersh de perfecte bevestiging van het laatste scenario, het scenario dat iedereen wilde opschrijven, maar niemand hard kon maken. Een Noord-Koreaans vrachtschip zou de haven van Tartus zijn binnengevaren waar Syrische soldaten, in beschermende kleding, de lading zouden hebben afgeladen, om die daarna direct te vervoeren naar de plek die gebombardeerd was. Hersh, een oude rot in het vak die de schandalen van My Lai in Vietnam en Abu Ghraib in Irak had onthuld, vertrouwde het niet. De bron was te gretig in het geven van informatie, terwijl de regeringen te mysterieus deden; toen Israël in 1981 de nucleaire installatie in Osirak, Irak, met de grond gelijk had gemaakt, was het Israël zelf dat dat nieuws als eerste triomfantelijk bekendmaakte. Bovendien was het erg onwaarschijnlijk dat Syrië de financiële middelen zou hebben om een dergelijk miljarden verslindend programma na te streven.

Toen er meer bekend werd bleken Hersh’ voorgevoelens juist te zijn. Satellietfoto’s toonden dat het doelwit op een wel erg ongemakkelijke plek lag voor een nucleaire installatie, en het verdachte vrachtschip voer weliswaar onder Noord-Koreaanse vlag, maar was in geen jaren meer daadwerkelijk in Noord-Korea geweest. Wat was er dan wel aan de hand?

Het antwoord bleek vooral te liggen in de manier waarop gebombardeerd was. De Israëlische luchtmacht had in de maanden daarvoor met die van de Verenigde Staten geoefend op beschietingen van tunnelcomplexen en bunkers die niet alleen in Syrië te vinden zijn, maar vooral in Iran. Het daadwerkelijke bombardement werd uitgevoerd korte tijd nadat Syrië een nieuw radar- en luchtafweersysteem had geïnstalleerd – een systeem dat identiek was aan dat van Iran. De meest plausibele, en aan Hersh door andere bronnen veelvuldig bevestigde verklaring is dat het een boodschap was aan Iran. Pas maar op, als wij Syrië kunnen bombarderen en er ongehavend mee wegkomen, kunnen we dat bij jullie ook.

Als dit voor Israël een knap staaltje politics by proxy is, dan is het dat voor Syrië ook. De regering van president Bashar al-Assad reageerde weinig bevlogen en weinig coherent op het bombardement. Uiteindelijke leidde het tot een ingetogen afkeuring van de Verenigde Naties. Syrië incasseerde de bommen zonder moeite en klaagde nauwelijks over het handjevol doden dat er viel. Het was een dubbele boodschap. Naar Israël: wij kunnen wel tegen een stootje. En naar Iran: wij willen best een paar klappen voor jullie opvangen.

In één oogopslag is dat de geopolitieke realiteit van Syrië. In het westen ligt de voornaamste vijand, Israël, en in het oosten de voornaamste vriend, Iran. In die positie zou je het wel eens over het hoofd kunnen zien: met alle spanningen in de regio lijkt Syrië een einzelgänger waar je, met uitzondering van Libanon, weinig last van hebt. Dat was ook Al-Assads verklaring voor de milde afkeuring van het bombardement: ‘Niemand die zich om ons bekommert.’

Dat is een werkelijkheid waar Al-Assad wel oren naar heeft. Laat hem maar aanmodderen met zijn imago van diplomatieke koekenbakker die van alles wil maar niets kan. Echter, als je zijn rol in het Midden-Oosten scherper onder de loep neemt, blijkt een herwaardering van zijn politieke talent op zijn plaats te zijn; bij elk conflict in de regio heeft Al-Assad een vinger in de pap.

Bashar al-Assad ontpopt zich de laatste jaren als de staatsman waarvan niemand verwachtte dat hij die ooit zou worden. Het was nooit de bedoeling dat hij zou gaan regeren. Zijn vader, Hafiz, had als opvolger de oudste zoon, Basil, in gedachten, een populaire paardrijkampioen die aan het hoofd stond van de presidentiële veiligheidsdiensten. Bashar werd ver van de politiek gehouden en ging oogheelkunde studeren in Damascus en Londen – totdat Basil in 1994 op weg naar een skivakantie verongelukte. Bashar werd uit de Londense collegebanken geplukt en kreeg een spoedcursus regeren. In juni 2000 stierf zijn vader: de regerende Baathpartij moest vlug de minimumleeftijd voor het presidentschap verlagen, zodat de toen 34-jarige Bashar beëdigd kon worden.

Critici en Syrië-experts maakten zich er klaar voor: er zou een einde komen aan de Al-Assad-dynastie. Bashar, met zijn buitenproportioneel lange hals en zijn mislukte snorretje, zou de leiderschapskwaliteiten, de zelfverzekerdheid en de diplomatieke contacten van zijn vader missen. Hij miste de politieke goodwill en de controle over de conservatieve vleugel van de Baathpartij. Zijn eerste moderniseringspogingen strandden bij gebrek aan steun, het publicatierecht van enkele pas opgerichte onafhankelijke kranten werd weer ingetrokken en het internet, door Bashar aangewezen als wondermiddel om de economie er weer bovenop te krijgen, lag aan banden. Ondertussen raakte hij vervreemd van andere Arabische potentaten, met dubieuze uitspraken en inconsistente beloften.

Hoewel hij nooit vaardig is geweest in subtiele diplomatie heeft Bashar inmiddels een heel andere positie. Zijn vader was meer dan dertig jaar aan de macht, hij nu acht jaar, en ondanks al zijn beginnersfouten zit hij stevig in het zadel. En waar vader sluwer manoeuvreerde, durft de zoon meer. Onder grote internationale druk trok hij zijn troepen weliswaar terug uit Libanon, maar sindsdien lieten meer dan twintig bomaanslagen zien dat hij niet van plan is de economische en strategische belangen op te geven. De aanslag op de voormalige Libanese premier Rafiq Hariri, in februari 2005 (het zal nooit bewezen worden, maar er is niemand die er nog aan twijfelt dat Damascus erachter zat), was een gok en leverde hem kritiek op van andere Arabische landen. Maar hij schakelde wel de enige man uit die de status had om Libanon te verenigen, westerse hulp te mobiliseren, Saoedisch oliegeld binnen te halen en tegen Hezbollah en Syrië op te staan.

De houdgreep waarin Al-Assad Libanon heeft en de hechte banden met Hezbollah zorgen ervoor dat zijn populariteit aan het thuisfront sterk blijft, en tegelijk weet hij via de portemonnee het volk verder aan zich te binden. De helft van de bevolking leeft van uitkeringen en gesubsidieerde baantjes en is dus helemaal niet gebaat bij een moderne, open economie. Bovendien speelt de etnische verdeling parten: het middenkleinbedrijf bestaat vooral uit soennitische ondernemers, terwijl de bureaucratie net als Bashar hoofdzakelijk alavitisch is.

Het behoud van die machtsbasis bepaalt de buitenlandse avontuurtjes – ondanks alle heftige retoriek tegen ‘de zionisten en kruisvaarders die van de aardbodem gevaagd dienen te worden’, is de strategie gericht op overleving, niet op verovering. Precies in die hoedanigheid is Syrië een doorn in de zijde van al zijn buurlanden; het heeft akkefietjes nodig om een gevoel van nationalisme, in een etnisch verdeeld land, levend te houden – daarom speelt een Israëlisch bombardement zoals dat van september Bashar precies in de kaart.

In dit kader is de Amerikaanse invasie in Irak het buffet waarvan hij al vijf jaar smult en waarvan hij al zijn vrienden bedient. Door stelselmatig de grenzen niet te bewaken, hebben door Iran en Syrië gesponsorde Hezbollah- en Hamasstrijders vrije toegang tot Irak. Vorig jaar nog deed de Amerikaanse minister van Defensie Robert Gates zijn beklag dat zo veel van de gedode insurgents de Syrische nationaliteit hebben. Bij die klacht bleef het overigens, want hoewel de Amerikaanse VN-ambassadeur John Bolton Syrië noemde als een van de ‘axis of evil’, hebben de Verenigde Staten hun best gedaan zich niet te streng op te stellen tegen een van de weinige seculiere regimes.

In 2003, toen Bush de ‘mission accomplished’ verklaarde, hadden de meest drieste neoconservatieven er wil zin in; als onze jongens toch in de regio zijn, dan kunnen ze net zo goed doormarcheren naar Damascus. De Syrische Baathpartij zat het niet lekker dat haar collega-partij zo makkelijk van de kaart was geveegd, en Bashar startte een offensief om een wit voetje te halen bij het Westen. Tijdens de vele bezoeken van de toenmalige ministers Donald Rumsfeld en Colin Powell ontkende hij glashard nog banden met Hezbollah en Hamas te hebben. Voor de sier liet hij zijn veiligheidsdiensten een paar kantoren binnenvallen – kantoren die een week later weer operationeel waren.

Het is ronduit wrang dat toen de Amerikaanse ambassade in Damascus in 2006 werd aangevallen het Witte Huis formeel de Syrische garde bedankte voor het uitschakelen van de gewapende terroristen: ‘Dit illustreert maar weer dat Syrië een constructieve rol speelt in onze strijd tegen het terrorisme’, zei Bush. Nadat Syrië honderden aanvallen had gesponsord, kreeg het een bedankbriefje voor het stoppen van één.

Het is een flagrante inschattingsfout: Syrië is een permanent gevaar voor de stabiliteit in Irak. Hoe zou het ideale Irak eruitzien volgens Bashar? Dat zou een Irak zijn waar de Koerdische meerderheid in het noorden geen eigen staat krijgt, want dat zou de Syrische Koerden aan het denken zetten. Dat zou een anti-Amerikaans Irak zijn, want een van de strevens van de Baathpartij is vrij te zijn van het kapitalistische Westen. Het zou een Irak zijn dat Hamas en Hezbollah financieel en militair zou steunen, want zij vechten de strijd van Syrië tegen Israël uit. Het zou een islamitisch Irak zijn dat meer op de hand van Iran is dan van Saoedi-Arabië en Egypte, landen waarmee Syrië gebrouilleerd is. Het zou een Irak zijn dat in niets lijkt op dat wat de VS voor ogen hebben.

Op elk front botsen de Syrische belangen met de Amerikaanse, iets dat frappant genoeg vrijwel onopgemerkt blijft. Dit is de vervreemdende realiteit van Syrië: omdat Bashar wijn drinkt en het golvende haar van zijn vrouw onbedekt blijft, heeft hij de reputatie van gematigd heerser in een radicaliserend Midden-Oosten. Niets is minder waar: met enige oriëntalistische fantasie is Bashar de klassieke schurk die zijn veertig rovers op strooptocht over de grens stuurt. De nevel van vijf jaar oorlog heeft voor dekking gezorgd.