Groene-special

Wat willen we onze kinderen leren?

Statistiek op de basisschool, inzicht in de werking van digitale technologie en meer leesplezier bij het vak Nederlands – het zijn een paar van de ideeën waarop ‘belanghebbenden en belangstellenden’, kortom iedereen, de komende maanden feedback kan geven. Gisteren werd op curriculum.nu het voorlopige antwoord gepubliceerd op de vraag wat we willen dat onze kinderen kennen en kunnen. Een jaar lang bogen 150 leraren en schoolleiders zich in negen ‘ontwikkelteams’ over het onderwijs voor de toekomst; leerlingen, vakbonden, lerarenopleidingen, wetenschappers, maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven, ze hebben allemaal meegedacht. Net als bij het klimaat is het denken over het schoolcurriculum aan de polder overgelaten. Pas aan het eind van alle rondetafeldiscussies en meedenksessies bemoeit de politiek zich ermee.

Het laat maar weer eens zien hoe gevoelig de inrichting van het onderwijs ligt in Nederland, ook als het aankomt op de lesinhoud. We zijn geen land waar zonder morren van bovenaf met een groots gebaar een nationaal curriculum kan worden opgelegd. Onze minister van Onderwijs zegt liever dat hij de deskundigen niet voor de voeten loopt dan dat hij zelf stellige uitspraken doet over de leerdoelen van morgen. Voor je het weet jaag je iedereen in de gordijnen. Denk bijvoorbeeld aan de storm van kritiek die het Platform Onderwijs2032 onder leiding van oud-scp-directeur Paul Schnabel over zich heen kreeg, ondanks alle inspraak die ook toen was georganiseerd. In haar eindrapport stelde de adviescommissie een nieuw curriculum voor waarin rekening werd gehouden met de zogeheten ‘21st century skills’, de speciale vaardigheden die nodig zouden zijn om het te redden in een hoogtechnologische samenleving. Het was voor een groot deel van het onderwijsveld al te rigoureus – en het werd afgeserveerd.

Het debat over feitenkennis versus sociale en emotionele vaardigheden, over de aloude schoolvakken versus thematisch ingericht onderwijs, over klassikaal versus gepersonaliseerd leren, over boek en schrift versus de computer gaat ondertussen vrolijk verder. En er wordt op scholen in het hele land lustig geëxperimenteerd met allerlei vormen van vernieuwend onderwijs, waarbij leerlingen al dan niet worden voorbereid op een toekomst die al dan niet om geheel nieuwe competenties vraagt. Het aantal scholen met een bijzonder onderwijsconcept is de afgelopen jaren zelfs zo sterk gegroeid dat de Onderwijsinspectie vorige maand in haar jaarlijkse rapport over de staat van het onderwijs waarschuwde dat het doel van al die nieuwlichterij vaak niet wordt geformuleerd en de effecten niet worden geëvalueerd.

Goede, bevlogen leraren spelen een sleutelrol. We moeten ze ­koesteren

De vraag naar wat we onze kinderen willen leren is dus zeer actueel. Tegelijkertijd is het de wezensvraag waar onderwijs van oudsher om draait. Lees bijvoorbeeld het indrukwekkende boek dat Piet de Rooy vorig jaar publiceerde over de geschiedenis van ons onderwijs en je leert dat de school is ingezet om ons te socialiseren tot democratische burgers, om ons zo goed mogelijk toe te rusten voor de arbeidsmarkt en om ons voldoende mentale flexibiliteit bij te brengen voor een snel veranderende wereld. Het is vooral de nadruk op het ene of het andere dat door de tijd heen verschilt.

In deze special van De Groene Amsterdammer over de vraag wat we onze kinderen willen leren, bogen we ons over algemene thema’s als de 21st century skills, de effectiviteit van vernieuwingsonderwijs, de herwaardering van lessen in vakmanschap, de invulling van burgerschapsonderwijs en de invloed van de smartphone op de ontwikkeling van kinderen. Maar we gingen bovenal bij scholen zelf te rade: van de veelkleurige scholengemeenschap in de Haagse Schilderswijk tot de democratische school in Veldhoven; van de geprivilegieerde basisschool in Amsterdam-Zuid tot de timmermansopleiding in Beverwijk; van de vrije school in Silicon Valley, waar je geen beeldscherm zult aantreffen, tot de leerfabriek in een uithoek van China, waar leerlingen met lijfstraffen worden voorbereid op het toelatingsexamen van de universiteit.

Wat die rondgang ons bovenal leerde, en wat ook uit de thematische verhalen blijkt: we kunnen zo veel praten over wát onze kinderen moeten leren als we willen, uiteindelijk gaat het om het hóe – en daarbij spelen goede, bevlogen leraren een sleutelrol. Zij komen volop aan het woord in dit nummer, en we moeten ze koesteren.


Dit is leesstof voor twee weken. De volgende De Groene Amsterdammer verschijnt op donderdag 23 mei.