Gastcolumn

Wat zich hier voortplant

Er zijn al zo veel wetten die het aantal vreemdelingen moeten beperken dat voor een verdere afname wel heel ingrijpende maatregelen nodig zijn.
HET GAAT BIJ vreemdelingen, zoals Ralph Ellison zei in Invisible Man, vooral om hun zichtbaarheid. Met andere woorden: om hun aantallen en om hun gewoonten. Tegen de enkele vreemdeling heeft niemand bezwaar en als hij zich ook nog ‘normaal’ gedraagt, is er niets aan de hand.
De pvv bekommert zich zowel om de aantallen als om de gewoonten van vreemdelingen: Geert Wilders wil dat de immigratie uit niet-westerse landen wordt verboden (de Volkskrant, 9 oktober 2004) en verklaart de demografische samenstelling van de bevolking als het grootste probleem van Nederland: 'Ik heb het over wat er naar Nederland komt en wat zich hier voortplant.’ (de Volkskrant, 7 oktober 2006) Wilders heeft ook bezwaren tegen de culturele gewoonten van vreemdelingen, als hij zegt dat de Nederlandse cultuur beter is dan die van immigranten (HP/De Tijd, 12 december 2007), dat hij moskeeën eigenhandig wil afbreken (De Limburger, 4 september 2004) en hoofddoekjes en boerka’s wil verbieden.
De toename van het aantal vreemdelingen in Nederland was het gevolg van twee maatregelen van het kabinet-Den Uyl: in 1973 werden de zogenaamde 'wervings-akkoorden’ met Marokko en Turkije opgezegd, wat betekende dat het voor werk-gevers niet meer was toegestaan om laaggeschoolde mannen uit die landen te halen. Maar juist dit verbod op arbeidsmigratie leidde ertoe dat de gastarbeiders die er al waren besloten om niet meer terug te keren en gebruik te maken van het Europese recht op gezinshereniging: tijdelijke migratie werd permanente vestiging, met vrouw en kinderen.
Het straatbeeld werd door het kabinet-Den Uyl verder beïnvloed door de aanzegging van de onafhankelijkheid aan Suriname in 1975: vanaf 1973 vestigden meer dan tweehonderdduizend voormalige rijksgenoten zich in Nederland.
Aanvankelijk maakte men zich niet druk om de gewoonten van de vreemdelingen: men verwachtte dat die snel zouden slijten, zoals gebeurde met de repatrianten uit Indonesië. Maar toen kwamen de bloedige treinkapingen van Molukkers in 1975 en 1977 en zag het kabinet-Van Agt in dat het een beleid moest formuleren ten aanzien van de 'minderheden’. Het was Hans Wiegel van de vvd die in 1979 het 'Directoraat Coördinatie Minderhedenbeleid’ instelde. Dit directoraat was belast met de uitvoering van het advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, dat inhield dat de maatschappelijke achterstand van de migranten moest worden weggewerkt, 'met recht op behoud en ontwikkeling van de eigen cultuur’. Vreemdelingen mochten, met andere woorden, blijven bij hun eigen gewoonten.
In 1989 constateerde dezelfde Wetenschappelijke Raad dat het advies uit 1979 verkeerd was geweest: het behoud van de eigen cultuur had de achterstand niet verminderd. In 1991 deed Frits Bolkestein hier een schepje bovenop, door te stellen dat de cultuur van vreemdelingen zelfs de oorzaak was van hun achterstand (de Volkskrant, 12 september 1991). Die achterstand kon alleen worden weggewerkt als de vreemdelingen zich conformeerden aan de Nederlandse cultuur, die door Bolkestein superieur werd genoemd.
Dit voor de pvda 'ongemakkelijke standpunt’ werd uiteindelijk aanvaardbaar gemaakt door Paul Scheffer in zijn essay 'Het multiculturele drama’ (NRC Handelsblad, 29 januari 2000). Daarin wees hij op de ernstige achterstand van migranten op de arbeidsmarkt en in het onderwijs, maar zijn verklaring was duidelijk gericht op hun cultuur: Nederland had zich volgens hem veel te lankmoedig opgesteld tegenover de gewoonten van vreemdelingen en hen te zeer hun eigen identiteit laten koesteren.
Naast de discussie over de verkeerde gewoonten van vreemdelingen waren er pogingen om hun aantallen te beperken. Ondanks het algemene migratieverbod vonden vreemdelingen steeds nieuwe gaten in de Nederlandse vreemdelingenwet, en het was de pvda die de taak op zich nam ze te dichten. In het kabinet-Kok II werd Job Cohen daarmee belast, en zijn nieuwe wet nam afstand van het door Nederland mede ondertekende VN-Vluchtelingenverdrag. De asielprocedure werd drastisch verkort en de beslissing kwam vrijwel geheel te liggen bij de politiek, oftewel de minister van Vreemdelingenzaken. De rol van de onafhankelijke vreemdelingencommissie en de rechter werd beperkt of geschrapt. Voor uitgeprocedeerden werden alle voorzieningen afgeschaft en ze kregen een meldplicht opgelegd. Wie zich niet meldde, overtrad de wet en kon worden gedetineerd.
De wet van Cohen politiseerde de asiel-procedure en criminaliseerde de asielzoeker en de eerste minister die de wet mocht toepassen kwam uit de vvd: Rita Verdonk. Na haar kon Nebahat Albayrak van de pvda de schade iets verzachten met het generaal pardon, maar dat had betrekking op gevallen die onder de oude vreemdelingenwet vielen. Migratie naar Nederland bleef de facto strafbaar.
Het huidige kabinet wil zich profileren door de zichtbaarheid van vreemdelingen nog verder te beperken. Het boerkaverbod is daar onderdeel van, maar meer dan symbolische waarde heeft die wet niet. Naarmate de pvv de druk op het kabinet opvoert, zal men verder moeten ingrijpen in de culturele gewoonten van vreemdelingen, zoals een minarettenverbod als in Zwitserland en hindernissen voor het dragen van hoofddoekjes. Maar de ervaring leert dat gewoonten van minderheden de neiging hebben sterker te worden wanneer de staat ze wettelijk verbiedt, zoals in de tijd van ondergrondse kerken.
Blijft over het beperken van het aantal vreemdelingen. Maar de wet van Cohen is al zo streng dat zelfs erkende vluchtelingen uit oorlogsgebieden nu alleen een tijdelijke verblijfsvergunning krijgen, die kan worden ingetrokken als de oorlog voorbij is. Veel discussies zullen daarover gaan: wanneer een oorlog 'voorbij’ kan worden verklaard.
Rest nog het verlagen van het aantal vreemdelingen dat al legaal in Nederland verblijft: de pvv stuurt aan op uitzetting bij crimineel gedrag, nu nog beperkt tot de groepen die een dubbel paspoort hebben. Maar op den duur zal het toch moeten gaan om groepsdeportaties, zoals met de Roma in Frankrijk gebeurt, en ten slotte om biologische maatregelen tegenover 'wat zich hier voortplant’.