‘wat zien koeien in ons?’

‘IN NEDERLAND’, zegt Koos van Zomeren, ‘worden 140 miljoen dieren gehouden in de veehouderij. Voornamelijk kippen. Laten we zeggen dat er in Nederland ongeveer vijf miljoen huishoudens zijn. Dan zouden er hier in de achtertuin en bij jou op het balkon ongeveer dertig dieren moeten leven.

Voornamelijk kippen, maar ook een halve koe en misschien wel twee varkens, want er is sprake van een enorm verloop. Varkens worden na 25 weken gedood, dus als je praat over de veertien miljoen varkens die in Nederland leven, dan heb je het over 28 miljoen varkens per jaar. Als je die dieren op je balkon of in je tuin zou houden, zou de gemiddelde Nederlander er niet over peinzen, hoop ik, om ze zo te behandelen als ze in de bio-industrie worden behandeld. Dat is ook de crux van het verhaal: die beesten zijn onzichtbaar geworden. Ze leven op een soort eilandjes waar andere normen gelden dan in de rest van de maatschappij, hoewel het in de rest van de maatschappij ook niet zo gemakkelijk is. Als het in de openheid zou gebeuren, zou het waarschijnlijk niet kunnen.’
Van alle min of meer bekende Nederlanders is Koos van Zomeren waarschijnlijk de grootste dierenvriend. Terwijl de meeste Nederlandse schrijvers plant en dier nogal stiefmoederlijk behandelen in hun werk, worden ze bij hem met naam en toenaam genoemd: de goudplevieren, kieviten, veldleeuweriken, wezels en hermelijnen. Het hoeft maar vacht of snavel te hebben en Van Zomeren is verkocht. In de wonderlijke columns die linksonder op de voorpagina van de NRC werden gepubliceerd, en die in boekvorm verschenen als Zomer, Winter, Het eeuwige leven en Wat wil de koe, kun je als het ware met hem meewandelen door het Nederlandse landschap.
Niemand beschrijft dieren zo liefdevol en treffend als hij. Zo schrijft hij in zijn boekje Uilen: ‘De uil begint zich te poetsen. De nachtclub, die hij pleegt te bezoeken, schrijft een onberispelijk verenkleed voor.’ Een velduil typeert hij als 'een vliegende suikerbiet’. 'De spreeuw zingt alsof hij dreigt te stikken in een scheidsrechtersfluitje’, heet het in Het scheepsorkest. Een vleermuis die door de schemering scheert, noemt hij 'de flard van een paraplu’. Het zingen van een ortolaan lijkt 'net een polsstokhoogspringer die telkens tijdens de aanloop afziet van zijn sprong’.
VAN ZOMERENS impressies over dieren zijn over het algemeen teder en melancholiek van toon. Wat dat betreft mag het enige bazing wekken dat hij de fakkel van de schrijver Voskuil overnam in de actie Varken in Nood. Als ons gesprek gaat over 'landbouwhuisdieren’, zoals dat in een lang woord heet, klinkt het ongekend bitter voor zijn doen.
Hij zegt het met enige schroom: varkens, kippen en koeien leven vaak in een bijna kampachtige situatie. 'Ik weet dat ik die metafoor niet mag gebruiken’, geeft hij toe. 'Maar je vraagt je wel af hoe mensen zo gevoelloos en instrumenteel met dierenleven kunnen omgaan. De varkenspest was maar een uitwas, een incident. Iedereen heeft de beelden van biggen in grijpers voor ogen, maar als ze goed dood waren, hebben ze niet geleden. Een beest dat dood is, lijdt niet. Het lijden zat ervóór, in hun leven. Voor dat leven maakte de varkenspest geen verschil. Van hun leven hebben veel mensen nooit kennis willen nemen.
Ik vraag me af hoe lang die eilandjes van wreedheid in de maatschappij kunnen bestaan zonder dat het gevolgen heeft voor het morele klimaat erbuiten. Het zijn eilandjes waarin leven zo weinig betekent - of zo véél, als je het in geld uitdrukt -, waarin leven zo instrumenteel wordt benaderd dat er een soort ethische gezwellen in onze maatschappij ontstaan. Je kunt je bijna niet voorstellen dat mensen wreed omgaan met dieren en niet met elkaar. Net zo goed als ik me niet kan voorstellen dat ik belangstelling zou hebben voor dieren en niet voor mijn medemensen.’
NIET DAT HET vroeger zo zachtaardig toeging. In zijn imposante schrijversdagboek Een jaar in scherven keert Van Zomeren terug naar Herwijnen, het dorp in de Betuwe waar zijn vader opgroeide. Er bestond daar geen dierenliefde, schrijft hij. Officieel moest je een schietmasker gebruiken om een varken te doden: je sloeg er met een hamer op, een grote pin drong in de hersenen, waardoor het ken bewusteloos neerviel. Daarna kon je het beest steken. Dat schietmasker werd nooit gebruikt; meestal werd het varken zonder meer doodgestoken.
'Vroeger waren mensen misschien persoonlijk veel wreder dan nu’, zegt Van Zomeren, 'maar ze hadden ook minder besef van wat wreed was. Ze waren niet alleen hard voor varkens, maar ook hard voor de buren en hard voor zichzelf. Het is daarmee begrijpelijker. Het past in een ander ethisch klimaat. Nu doet het er voor varkens eigenlijk heel weinig toe of een boer waar ze toevallig staan een wrede of een zachtmoedige man is, want het systeem is wreed. Op oude schilderijen zie je koeien die heel mager zijn. Je denkt dan: die koeien hadden het niet makkelijk. Maar ze waren wél koe. Ze hadden de gelegenheid om koe te zijn. Het zijn bijna van die Viva-achtige termen. Wees jezelf. Er was gewoon ruimte voor koeien om zichzelf te zijn. Om in de schaduw te gaan staan als ze schaduw wilden of in de zon als ze in de zon wilden of om naar buiten te gaan als ze naar buiten wilden. Ze konden nog keuzen maken in overeenstemming met hun koe-zijn. Of met hun varken-zijn. Al die keuzen zijn hen in het huidige systeem ontnomen.’
Je zou kunnen zeggen dat Koos van Zomeren in zijn dierenstukken de dieren 'als zodanig’ wil betrappen, ze in hun 'dier-zijn’ wil zien. En dat doet hij niet alleen door zijn grote biologische kennis in te zetten, nee, hij doet dat met het aloude literaire middel van de inleving. Telkens probeert hij zich in vogelkopje, koeiehoofd en hondehersens te verplaatsen. Hoe weet zijn eigen hond Rekel bijvoorbeeld wanneer hij wel of niet met de baas mee naar buiten mag? Hoe neemt de rotgans de beslissing dat het tijd wordt om naar het noorden te vertrekken? Hoe kiezen koeien feilloos de grassen, kruiden en bloempjes die goed voor hen zijn, als ze maar liefst zo'n vijftig happen nemen per minuut? Zulke vragen stelt Van Zomeren. De filosofische antwoorden krijgt hij voor een groot deel door identificatie.
'Ik gebruik dieren als spiegel van wat ik denk en voel en onderga’, beaamt hij. 'In die zin exploiteer ik dieren net zo goed als een boer of als een jager. Alleen zijn de beesten bij mij beter af. Het element van identificatie en de vraag wat dieren me over het leven zeggen, verklaren ook waarom het voor mij eigenlijk vrij weinig verschil maakt of ik over een koe of over een havik schrijf. Als ik het idee heb dat een dier mij niet zo veel zegt, zal ik juist extra mijn best doen als ik een keer met dat dier geconfronteerd word. Met schapen heb ik bijvoorbeeld niks. Maar zodra ik dat zeg, komt mijn geweten in het geweer. Zoiets nadeligs kun je toch niet zeggen over dieren? Als ik een schaap op zijn rug zie liggen in een weiland, probeer ik er ook bij te komen om het overeind te krijgen.’
Het gaat Van Zomeren om contact met dieren. 'Ik heb contact’, zegt hij, 'als er iets ontstaat waarover ik kan nadenken en schrijven. Voor de andere kant van die relatie zal iets anders gelden, maar voor mij gaat het daarom. Als ik lang of vaak naar een dier kijk, kom ik op iets dat het waard is te beschrijven. Dat kan heel lang duren, er zit een opa-achtig geduld achter.’
Hij staat op en wijst op een schilderij aan de wand waarop koeien staan afgebeeld. Op bijna alle schilderijen in zijn woonkamer staan of liggen koeien. Op het buffet zit een gebeeldhouwde koe in een wel heel merkwaardige houding: op het zitvlak, de forse uier duidelijk zichtbaar tussen de gespreide achterpoten. Het doek van de schilder Wijsmuller waar hij naar wijst is uit ongeveer 1920. Er staat een boerderijtje op, met daarvoor een aantal koeien die allemaal dezelfde kant op kijken. Ze kijken naar een klein blauw figuurtje: de boer in zijn kiel.
'ALS IK DAT zie’, vertelt Van Zomeren, 'realiseer ik me voor de zoveelste keer hoe ongelooflijk aandachtig koeien naar mensen kunnen kijken. Vaak kan één koe bijna vanaf de horizon naar je staan kijken. De andere koeien gaan rustig door met grazen. Alsof ze die ene koe hebben gezegd: “Hou jij de mensen in de gaten.” Ik heb dat natuurlijk al vaak meegemaakt. Maar de ontroerende aandacht die koeien kunnen opbrengen voor mensen, dat hele complex van raadselachtigheid voor mij, werd nog eens geactiveerd toen de aanschaf van dit schilderij samenviel met de gruwelen rond de gekkekoeienziekte in Nederland, toen er zestigduizend kalveren moesten worden afgemaakt. Ik werd door dat schilderij opnieuw geconfronteerd met de vraag: wat wij in koeien zien is ongeveer duidelijk, maar wat zien ze eigenlijk in ons? Toen kwam ik op de zin: “Wij zijn hun onbegrepen kinderen”. Voor mij zijn de koeien dan bijna klaar. Er zitten jaren in. Momentjes, het is niet voortdurend piekeren. Dan komt die sprong in je hoofd en wordt die associatie eindelijk gelegd. Dan ben ik eigenlijk uitgeschreven over koeien.’
Het meest fascinerende, zegt hij, is dat je als je goed naar dieren kijkt, gedwongen bent na te denken over je taalbegrip. 'Neem het onderzoek van Frans de Waal naar chimpansees. Zijn laatste boek heet Van nature goed: Over de oorsprong van goed en kwaad in mensen en andere dieren. Aan de hand van het gedrag van chimpansees probeert hij verder te komen met de vraag of ze een geweten hebben, of ze onderscheid maken tussen goed en kwaad. Door wat hij onder mensen en wat hij onder apen signaleert, voelt hij zich niet zozeer gedwongen om het gedrag van mensen of chimpansees verder te doorgronden. Nee, hij voelt zich gedwongen om ons begrip van goed en kwaad voortdurend nader te definiëren. En ons begrip van wat een geweten eigenlijk is. Dat vind ik een waanzinnig interessant proces. Bij mij gaat het om definities als dood, levenslust, dingen goed doen, in de zin dat ze succes opleveren, of dingen fout doen, in de zin dat ze geen succes opleveren. Dat zie ik in mijn eigen leven, dat zie ik bij andere mensen, maar ik zie het ook bij dieren.’
Bij Diane Fossey las Koos van Zomeren hoe ze op de markt een jonge gorilla had gevonden, die op transport zou worden gesteld naar Europa. Ze nam het dier in beslag en nam het mee naar haar verblijf. Daar keek het gorillameisje uit het raam. Op dat moment zag Fossey echte tranen, ze zag hoe de kleine gorilla huilde. Van Zomeren vertelde de anekdote op de redactie van de NRC. 'Kun je dat wel huilen noemen?’ vroeg Herman Vuijsje hem omzichtig.
'Daar gaat het om’, zegt Van Zomeren. 'Kun je het huilen noemen? Maar wat wij doen, kun je dát huilen noemen? Ik ben natuurlijk heel erg geïnteresseerd in de emotionele toestand van die aap, maar ik ben nog meer geïnteresseerd over wat het ons zegt over wat huilen eigenlijk is. Dat is wat het voor mij zo spannend en zo literair maakt. Want literatuur gaat volgens mij over de aard van het leven. Leven is toch alles wat leeft. Ik kan aan spinnen en wespen ook veel minder onderscheiden dan aan mensen, maar naarmate het meer hond, meer vogel, meer koe wordt, kan ik wel veel zien. En zelfs in een zuiverder vorm dan bij mensen, omdat bij ons alles bedolven raakt onder meningen en godsdiensten. Bij dieren is het puur. Niet in de ethische zin van puur, maar je ziet de levenslust puur, de dood puur. De fouten die dieren maken kunnen ook zo tragisch zijn. Ze doen de dingen precies zoals je ze hoort te doen, alleen gaan ze er dood aan omdat er opeens een auto voorbijkomt.’
DE VERHALEN DIE Van Zomeren over dieren schrijft vermogen soms dan ook meer te ontroeren dan echte 'mensenboeken’. Misschien omdat het ook over emoties 'puur’ gaat. In Een jaar in scherven is hij zo op zoek naar steenmarters in Nijmegen, die van een halsband met zender zijn voorzien zodat hun activiteiten nauwgezet gevolgd kunnen worden. Nadat de steenmarter tien jaar geleden vrijwel geheel uit ons land was verdwenen, vestigt hij zich nu weer in villawijken, tussen heggen en geriefbosjes. Met veel geduld krijgt hij een rennende glimp van 'kanaal negen’ te zien. 'Bewonderenswaardig hoe zo'n dier zich weet aan te passen’, noteert hij. 'Een beetje zielig ook. Op den duur zal de totale fauna op een of andere manier huisdier zijn geworden.’ Weer een paar weken later hoort hij dat 'kanaal negen’ is doodgereden.
In hetzelfde boek staat een stuk over de laatste otter van Eernewoude. ’s Nachts patrouilleert ze onvermoeibaar door haar gebied, niemand die haar ziet, alleen haar sporen laat ze achter. Haar geurvlaggen bijvoorbeeld, waar ze alleen zelf aan kan ruiken. 'Hoe zou het zijn om de laatste otter van Eernewoude te zijn?’ vraagt Koos van Zomeren aan het eind van zijn verhaal. 'Als een nachtmerrie waarschijnlijk, leven in een wereld na de bom. Eenzaam, zonder twijfel. Op een of andere manier moet ze weten dat haar bestaan zinloos voorbijgaat. Ergens in dat prachtige lijf moet het verlangen sluimeren naar een soortgenoot, een ontmoeting, een opening naar de toekomst. Uitsterven is een wel erg hevige manier van sterven.’
'DE WEEMOED in mijn werk’, zegt Van Zomeren, 'komt heel nauw overeen met mijn levensgevoel. Ik heb al heel lang geen woede meer, maar melancholie. Je ziet natuurlijk een hele hoop vergeefsheid, maar je ziet tegelijk dat de vergeefsheid van een heleboel dingen absoluut geen argument is om er niet aan te beginnen. Ik geneer me wel eens als ik wat depressief ben tegenover de eenvoudigste mezen in mijn tuin. Ze leven er vrolijk op los, terwijl het elk moment afgelopen kan zijn. Ze hoeven niet eens ongezond te zijn of kanker te hebben, het hoeft maar te gaan ijzelen. Als ze dan een dag geen eten kunnen vinden is het lichtje uit. Het is bijna bijbels, de boodschap die je dan wordt voorgehouden: wees wat onbekommerd.
Ik zie de levenslust, de vitaliteit van dieren en vind die heel aanstekelijk, maar ik zal er bijna nooit níet bij denken dat het een soort domme vitaliteit is. Dat is helemaal niet negatief bedoeld. Integendeel. Voor mij is die dierlijke vitaliteit een kracht op zichzelf die bijna niet doelgericht is, die je ook niet kunt afmeten aan zijn resultaten. Hij ís gewoon en moet als zodanig worden opgevolgd.
Een paar dagen terug ging er een zin door me heen die als volgt luidde: “De vergeefsheid van ons denken.” Daar gaat mijn werk eigenlijk over. Ik bedoel daarmee niet dat ik tegen denken als zodanig ben, want ik doe zelf bijna niks anders en ik vind het ook vaak een heel leuk tijdverdrijf. Je kunt er ook weinig tegen doen. Je denkt toch. Maar het gaat om vormen van denken. Wat ik leuk vind van denken is denken in een vrij directe relatie tot je zintuiglijke gewaarwordingen. Zoals bij die koeien. Wat ik minder indrukwekkende vormen van denken vind, zijn vormen die tot opinies leiden en meningen en overtuigingen en ismen.’
VAN ZOMEREN schrijft niet alleen over de vergeefse strijd van dieren om hun bestaan, hij blijft ook veel stilstaan bij nogal vergeefse reddingspogingen. Ze keren steeds terug in zijn werk: de goedwillende mensen die aangereden steenmarters oplappen of loos geworden dasjes liefdevol verzorgen. Het is nobel en ontroerend werk, maar vaak worden die dieren een paar weken of soms zelfs een paar uur nadat ze weer vrij in de natuur zijn gelaten door de seriemoordenaar op wielen gedood.
'Het zijn mooie hobby’s’, verzucht Van Zomeren. 'Als ik geen schrijver was, zou ik zoiets willen doen. Maar bescherming van dieren is helaas ook een soort van ondergang. Ik schrijf het ook ergens: “Waar ligt de grens tussen interventie en collaboratie?” Een prachtig voorbeeld is de neushoorn in Afrika, die om hem te redden van zijn hoorn werd ontdaan omdat het dan geen zin meer had voor stropers om hem te stropen. Vanaf dat moment is het niet meer de neushoorn zoals we die kennen. Dat is natuurlijk geen argument om het niet te doen. Het is wel een argument om er niet triomfantelijk over te doen en te roepen: “Wij redden de neushoorn!” Dat is gewoon niet zo.
Ik was vanmorgen in Den Haag bij de lancering van een film, die De natuur nabij heet en over de natuur heel dicht bij huis gaat. Er zit een balkonscène in waarin je torenvalkjes ziet die zich bij mensen op een balkon hebben gevestigd in een plantenbak en daar eieren hebben gelegd en jongen grootgebracht. Wij ervaren zoiets niet erg als natuur, maar vanuit die torenvalken is het puur natuur. Die beesten hebben een soort programma voor wat ze wel en niet kunnen. Daarin ligt kennelijk de keuze besloten om zich niet in een nestkast of rotswand te nestelen, maar op een balkon. Voor die torenvalk is dat waarschijnlijk meer natuur dan wanneer hij door mensen zou worden opgepakt en weggebracht naar echt natuurgebied. In het ene geval kiest hij zelf waar hij broedt en in het andere geval kiezen wij. Dat vind ik nogal een ingreep.’
De vraag is natuurlijk of die neiging tot ingrijpen niet evengoed kenmerkend is voor onze beschaving als de bio-industrie. Het levert in elk geval een rare paradox op. Aan de ene kant plaatsen we zendertjes in marters om te kijken of ze in de stad kunnen overleven en leggen we dassentunnels aan onder de snelweg om de paar dassen die er nog zijn voor het autoverkeer te behoeden. Aan de andere kant gaan we ongekend instrumenteel en technocratisch met varkens, koeien en kippen om.
'Het lijkt erop’, peinst Van Zomeren, 'dat we een deel van het slechte geweten dat wij hebben ten opzichte van de dieren in de bio-industrie zo afkopen. Bij Nijmegen wordt een nieuw stuk snelweg aangelegd, en daar staan de dassentunnels voor één komma zoveel miljoen op de begroting. Dat doen we dan toch maar. We vinden dat we heel goed bezig zijn. Een paar jaar geleden waren bij Alaska twee potvissen in het ijs ingesloten geraakt. We vissen alle oceanen rücksichtslos leeg, maar toch ontstaat er dan over de hele wereld commotie omdat die twee potvissen in veiligheid moeten worden gebracht. Dat is absurd. In die absurditeiten moet je toch je weg zien te vinden.’