Stephen Grosz, Het leven: Een handleiding

Wat zit er achter onze saaiheid?

Scenarist Maria Goos maakte voor de Vara-serie Volgens Robert de keuze om de titelheld – een huisarts met midlife- en huwelijkscrisis – in dialoog te laten gaan met een geweten in de gedaante van een kleine jongen, een vroegere versie van hemzelf. Het ventje, piekfijn in pakje en dasje, verschijnt voor het eerst op het moment dat de overspannen Robert op aandringen van zijn vrouw in psychotherapie gaat, ‘bij een klassiek geschoolde psychiater’.

Steeds wanneer Robert domme dingen dreigt te doen (onder meer de buurvrouw), is daar als een Japie Krekel dat kind, dat hem met smekende ogen voor zelfdestructie tracht te behoeden, maar vaak genegeerd wordt. In dat gegeven schuilt een idee over therapie en de rol die ons verleden daarbij speelt dat we eigenlijk ook kennen uit Mad Men. Don Draper, het absolute contra-therapeutische personage, stopt de restanten van zijn ‘vorige’ leven in een zielige schoenendoos en schuift ze in een bureau met slot. De kijker maakt echter wel kennis met zijn afkomst, vanuit het perspectief van de tienjarige die hij was: een verwaarloosde boerderijknaap, te ernstig voor zijn leeftijd, die je zou willen vastpakken en troosten in plaats van hem, zoals Draper doet, hardnekkig te ontkennen.

Het is een terugkerend thema in het nieuwe boek van de Amerikaanse psychoanalyticus en schrijver Stephen Grosz, Het leven: Een handleiding, waarin hij verslag doet van 25 jaar ervaring als therapeut. Veel van de patiënten uit de losse verhalen waaruit het boek is opgebouwd – of het nu gaat om een moeder die haar dochtertje haat, of om een man die zich terugtrekt in een denkbeeldig huis in Frankrijk – komen tot inkeer door terug te keren naar hun jeugd om het bange, bedplassende, getreiterde of onderdrukte kind in zichzelf te erkennen, te omarmen of erom te rouwen.

Gezapig mag het klinken, maar het werkt, en het lijkt een van de cruciale mechanismen van de psychotherapie, zoals dit boekje ze vermakelijk, toegankelijk en toch diepzinnig voelbaar maakt.

Grosz, die in Londen werkt en een psychologiecolumn heeft in de Financial Times, is een degelijke schrijver. Zijn korte verhalen zijn helder, onopgesmukt en eindigen zo nu en dan bijna Roald Dahl-achtig, met ingenieuze inzichten op onverwachte momenten, die blijven hangen. De problemen van zijn patiënten variëren van dagelijkse neuroses – vrouw ervaart bindingsangst – tot schokkende wanen – jongen van negen snijdt zijn pols open en roept dat hij is ­aangevallen in het Midden-Oosten. Maar meestal, en dat maakt het boek sterk, gaan ze over de onbegrijpelijke kronkels die in ieders geest kunnen voorkomen.

Waarom zou een gezonde denker zichzelf saboteren? Waarom vergeven we onszelf dagelijks ernstige hypocrisie? Waarom zijn ouders jaloers op hun kinderen? Wat zit er achter onze saaiheid?

De verklaring blijkt in veel gevallen het merkwaardige, menselijke systeem dat de angst voor de meest onaanvaardbare levensfeiten – onverschilligheid, eenzaamheid, dood – vervangt door andere angsten en problemen.

Tekenend is bijvoorbeeld de vrijgezelle vrouw die na een vakantie thuiskomt in een donker appartement, waar de post zich heeft opgestapeld, en dan de aanzienlijke angst opvat dat haar huis, wanneer ze de deur opent, zal worden gebombardeerd door terroristen. Terwijl ze bij dr. Grosz op de bank zit wordt haar langzaam duidelijk dat deze paranoia haar ‘beschermt’ tegen de vrees voor een grotere catastrofe. ‘Uiteindelijk’, zegt Grosz, ‘is het minder pijnlijk je verraden te voelen dan je vergeten te voelen.’

‘The talking cure’ bestaat dan ook vaak, zo blijkt uit dit boek, uit een paardenmiddel: de realiteit, of in ieder geval: dat wat we met man en macht ontkennen. Dat kan de ongeneeslijkheid van de kwaal zijn, weggestopte homoseksualiteit of het vergeten kleine meisje dat ongemerkt steeds hetzelfde trauma herleeft.

Er gaat een zeker louterend effect uit van het lezen van al die spreekkamergeschiedenissen en het lijkt erop dat de Nederlandse uitgever vooral dat heeft aangegrepen om het boek te marketen. Op de achterflap van de vertaling (die overigens wat houterig is) staat de verkoopleus: ‘Therapie voor mensen zonder therapeut’. Maar het is vooral de (ironische?) titel – Het leven: Een handleiding. Bekentenissen vanaf de divan – waaraan zelfhulpassociaties kleven. Veel eleganter en toepasselijker is het origineel: The Examined Life: How We Lose and Find Ourselves.

Meer ook dan een therapeutisch werk is Grosz’ verhalenkabinet een geslaagd boek óver psychoanalytische psychotherapie. Zonder jargon, zonder hoogdravende theorie lukt het hem om inzichtelijk te maken wat therapie doet. Duidelijk wordt onder meer dat het geen handleiding is, hoezeer we die ook verlangen, maar een onderzoek dat steeds anders verloopt.

Mooi is het, ten slotte, dat Grosz de verhalen verweeft met een aantal persoonlijke intermezzo’s, die zijn positie als therapeut verhelderen, en laten zien hoe zijn patiënten van invloed zijn op zijn eigen leven. Het meest aangrijpende daarvan is Teruggaan, waarin hij voor zijn tachtigjarige vader een reis organiseert naar diens geboorteland Hongarije. Wanneer de oude man ongemakkelijk wordt en niets zegt te herkennen van zijn vroegere thuis komt Grosz tot de verdrietige conclusie dat de holocaust zijn vader de kans heeft ontnomen om stil te staan bij zijn jeugd. Precies dat waar de auteur als therapeut zo veel waarde aan hecht.