Kristof, L’Analphabète: Récit Autobiographique

Wat zou mijn leven anders geweest zijn

Agota Kristof
L’Analphabète: Récit Autobiographique
Éditions Zoé, 60 blz.

In de jaren twintig vormde het antisemitisme een wezenlijk onderdeel van het Hongaarse nationalisme. Reeds in 1919 vielen de joden er ten prooi aan pogroms en vanaf 1920 werden spe cifieke jodenwetten goedgekeurd. In 1937 ging er een golf van antisemitisme door het land. Tal van joodse winkels en synagogen werden toen vernield. Op vallend is dat de latere paus Pius XII op de hoogte was van deze discriminerende wetgeving, maar er op een internationaal rooms-katholiek congres in Boedapest in datzelfde jaar over zweeg. Door een tweede jodenwet in 1938 werden joden uitgesloten van banen bij de overheid, in het onderwijs en op de redacties van kranten en tijdschriften, waarop duizenden Hongaren naar het buitenland trokken. Onder hen de componist Béla Bartók. Opnieuw bleef het Vaticaan doofstom, sterker nog, de wet kreeg zelfs de steun van de leiders van de kerkgenootschappen. De derde jodenwet van 1940 ontnam de joden hun recht op inkomen en bezit. Ze werden vanaf 1942 onteigend en vaak op geroepen als dwangarbeiders in de kopermijnen van Bor in Servië. Toch werden de Hongaarse joden lang ontzien voor de Endlösung. Pas na de val van Horthy en Kállay werden ze, onder leiding van Adolf Eichmann, massaal gedeporteerd en vermoord.
Het einde van de Tweede Wereld oorlog betekende echter nog geen bevrijding voor de Hongaren. Hoewel de communisten bij de verkiezingen van november 1945 slechts zeventien procent van de stemmen haalden, kregen ze met steun van de sovjetbezetters de macht in handen. In 1948 voerden ze het eenpartijstelsel in en een jaar later werd Hongarije een volksrepubliek met een grondwet naar het voorbeeld van de Sovjet-Unie. Dat dit regime nooit populair was, bleek al in 1956 tijdens de Hongaarse opstand. De bevolking eiste het herstel van de persoonlijke vrijheden en de afschaffing van de veiligheidspolitie, maar sovjettroepen maakten met geweld een einde aan de opstand. Pas in 1989 konden de Hongaren het Russische juk afwerpen. Over de verschrikkingen van de shoah, van het fascisme en de communistische dictatuur in hun land schreven vooraanstaande Hongaarse auteurs als Béla Zsolt, Imre Kertész en György Konrád diverse meesterwerken. In dat rijtje past ook het oeuvre van Agota Kristof. Zij werd in 1935 geboren en groeide op in het Hongaarse grensstadje Köszeg vlakbij de Oostenrijkse grens, dus pal naast het Derde Rijk. Tijdens de op stand van 1956 week ze met man en kind uit naar het Westen en vestigde zich in Zwitserland. Daar schreef ze haar beroemde trilogie Het dikke schrift, Het bewijs en De derde leugen.
Hoewel de romantrilogie fictie is, bevat ze heel wat autobiografische elementen en geeft een indringend beeld van het leven in Hongarije tijdens en na de oorlog. Het verhaal begint bij een moeder die in een stad woont die gebombardeerd wordt en haar twee negenjarige kinderen Lucas en Claus, een tweeling, bij hun grootmoeder in een klein grensdorpje in veiligheid brengt. De grootmoeder is daar niet ge lukkig mee, ze had haar dochter im mers verstoten. De kinderen blijven, worden verwaarloosd en proberen op hun eigen manier te overleven. Ze oefenen zich in het vasten, bedelen en het verdragen van pijn om zich te harden tegen hun wrede grootmoeder, het oorlogsgeweld, onrecht, honger en dorst. Ze vormen hun eigen morele waarden. Soms zijn ze lief en helpen zwakkeren, soms zijn ze kwaadaardig en slaan ze zonder mededogen toe. Ze leren lezen en schrijven aan de hand van de bijbel en een woordenboek. Al hun indrukken schrijven ze neer in een dik schrift. Lucas en Claus staan model voor heel wat kinderen die tijdens de oorlog werden achtergelaten, daarbij trauma’s op liepen en zich moesten aanpassen aan extreme situaties. Het boek eindigt met de terugkeer van hun vader die de grens wil overtrekken. Ze offeren hun vader op – hij stapt op een landmijn – zodat een van hen, Claus, zelf op de vlucht kan slaan.
Het bewijs gaat over het bizarre leven van Lucas die alleen is achtergebleven in Hongarije en de communistische dictatuur ondergaat. Hij mijmert over zijn verdwenen tweelingbroer, van wie hij niets meer verneemt. Lucas verzorgt zijn grootmoeder en na haar dood koopt hij een boekhandel. Daar ontmoet hij mensen die ieder op hun manier getroffen werden door de oorlog. Zoals Judith, de directrice van een weeshuis over wie Agota Kristof het volgende schrijft: «Ze is een zwaarbeproefde vrouw. Haar man is vermist geraakt in de oorlog, zelf is ze gedeporteerd en tot aan de deuren van de hel gegaan. Dat is geen beeldspraak. Er brandde werkelijk vuur achter die deuren, een vuur dat door mensen was aangestoken om er andere mensen door te laten verteren.» Hier zit de realiteit verweven in het verhaal. Heel wat vrouwen wachtten na de oorlog immers op hun vermiste en dode mannen, en leefden van de herinneringen. Kristof doet geen verslag van de Hongaarse opstand, maar door de mond van haar «fictieve» personages klinkt de roep om vrijheid. Eén maal valt ze uit haar rol als vertelster en neemt ze zelf het woord als de revolutie is neergeslagen: «Er is nog verzet, gevechten en stakingen. Er zijn ook aanhoudingen, gevangennames, verdwijningen en executies. Door paniek bevangen verlaten tweehonderdduizend inwoners het land.» Zij was er een van. Wanneer Claus na lange tijd terugkeert, blijkt Lucas sinds zijn dertigste spoorloos verdwenen te zijn. Hij herinnert zich nog maar weinig van zijn jeugd. Alleen zijn achtergelaten schriften vormen het bewijs van zijn bestaan. Als blijkt dat hij ongeneeslijk ziek is, be sluit hij op zoek te gaan naar zijn broer Lucas.
De derde leugen beschrijft de zoektocht van Claus naar zijn broer. Uiteindelijk komt hij terecht bij een zekere Klaus, die steeds in het land is blijven wonen en die gedichten schrijft onder het pseudoniem Klaus Lucas. Hij ontkent echter Claus’ broer te zijn en ze gaan uiteen. De rest van het verhaal is een intrigerende verantwoording van Klaus waarom hij zijn broer niet wilde herkennen. Daarmee komen de waarheden uit de twee eerdere verhalen in een heel ander daglicht te staan, zodat de lezer zich uiteindelijk afvraagt of de tweeling wel daadwerkelijk bestaan heeft. Kristof «speelt» met haar fantasie en mengt hier opnieuw fictie met realiteit, waarheid met leugen, fantasie met herinnering. Ze beseft heel goed dat die herinnering steeds meer vervaagt en dat indrukken door de om standigheden vervormd geraken. Een van de protagonisten geeft dit ook aan: «Ik probeer ware geschiedenissen te schrijven, maar op een bepaald mo ment wordt de geschiedenis onverdraaglijk, juist door de waarheid, en dan ben ik gedwongen er iets aan te veranderen.» Hiermee raakt de auteur een menselijke trek aan. Dat men de dingen vaak mooier beschrijft, niet zoals ze gebeurd zijn, maar zoals men zou willen dat ze gebeurd waren.
Ook in dit laatste deel is de maatschappijkritiek niet van de lucht. Klaus vertelt hoe hij op zijn zeventiende onder het communistische regime als zetter in een drukkerij werkte: «Wat wij in de krant drukken, is in volstrekte tegenspraak met de werkelijkheid. We drukken iedere dag honderd keer de zin: ‹Wij zijn vrij›, maar in de straten zien we overal soldaten van een buitenlands leger, iedereen weet dat er tal van politieke gevangenen zijn, naar het buitenland reizen is verboden, en zelfs binnen ons land kunnen we niet gaan naar welke stad we willen.» Hier klinkt weer duidelijk de stem van Agota Kris tof door. Op het einde praat Klaus in zijn hoofd met Lucas en zegt hem dat als hij dood is, hij er het beste van af is gekomen en dat hijzelf als levende de zwaarste last moet dragen. Waarop een zin volgt die de lezer als een klap in het gezicht doet opschrikken: «Ik zeg hem dat het leven van een volstrekte nutteloosheid is, het is zinloosheid, waanzin, lijden zonder einde, het bedenksel van een antigod wiens boosaardigheid alle begrip te boven gaat.»
Agota Kristof wordt in oktober zeventig jaar. Onlangs verscheen in Frankrijk haar korte autobiografie onder de merkwaardige titel L’Analphabète. Hieruit blijkt dat het verhaal in haar trilogie sterk verweven is met haar eigen levensloop.
Als ze vier jaar oud is, breekt de oorlog uit. Dan woont ze in een klein dorpje waar geen station is, waar geen elektriciteit, lopend water en telefoon bestaan. Haar vader is de enige onderwijzer van het dorp en zo leert ze op vierjarige leeftijd lezen. Ze heeft twee broers en een grootmoeder aan wie ze met veel fantasie haar eigen verhaaltjes vertelt. Eigenlijk droomt ze ervan om te schrijven. Op negenjarige leeftijd verhuist ze naar een stadje vlakbij de Oostenrijkse grens, net zoals de hoofdrolspelers van Het dikke schrift. Taal speelt een heel belangrijke rol in haar leven. Tot dan heeft ze er nog maar één gehoord, het Hongaars, maar in het stadje spreekt een kwart van de bevolking Duits en na de «bevrijding» door de sovjettroepen wordt het Russisch de verplichte taal in de scholen. In november 1956 vlucht ze met haar man en baby naar Oostenrijk en komt later in Zwitserland terecht, waar ze opnieuw geconfronteerd wordt met een nieuwe taal, het Frans. Ze heeft alles in Hongarije achtergelaten, haar gedichten, haar broers en haar ouders, zonder dat ze afscheid heeft kunnen nemen. Op die dag, zo schrijft ze, verloor ik definitief elke binding met een volk.
Tegenwoordig worden vluchtelingen en asielzoekers geweerd en verwenst. Dat is in die tijd niet het geval voor vluchtelingen uit het Oostblok. Kristof vertelt hoe ze warm worden opgevangen in Wenen, dat ze een gastland krijgen toegewezen en hoe ze aan de Zwitserse grens verwelkomd worden door een fanfare en vriendelijke vrouwen die hen warme thee, chocolade en sinaasappelen aanbieden. In Lausanne worden ze opgevangen en moeten mannen en vrouwen apart in de douches. Sommige vrouwen schrikken en denken aan de gebeurtenissen in de vroegere concentratiekampen. Uiteindelijk komt Kris tof terecht in Neuchâtel, waar ze werk vindt in een horlogefabriek. Ze voelt zich eenzaam en veel van haar landgenoten kunnen niet aarden, het is het lot van heel wat vluchtelingen, ook vandaag nog. Sommigen keren zelfs terug naar Hongarije in de wetenschap dat ze gestraft zullen worden, anderen trekken verder naar de Verenigde Staten en Canada. Weer anderen plegen zelfmoord. Zelf voelt Agota Kristof zich opnieuw een analfabete omdat ze de Franse taal niet kent. Op 26-jarige leeftijd begint ze die te leren en kan ze enkele eenvoudige zinnen schrijven. Ze noteert haar jeugdherinneringen en daaruit ontstaat haar eerste roman, die drie jaar later vertaald zal worden in achttien talen.
Het verhaal van Agota Kristof is aangrijpend en haar boodschap over de ge volgen van een gedwongen ontwrichting uit haar moederland blijft brandend actueel. Wat zou mijn leven ge weest zijn mocht ik niet gevlucht zijn? zo vraagt ze zich af. Harder en armer, denkt ze, maar ook minder eenzaam, minder verscheurd, misschien zelfs ge lukkig. Maar van één ding is ze zeker: ze zou geschreven hebben, ongeacht in welke taal.