‘wat zullen ze wel niet van je denken?’

Op het schilderij ligt een fragiel, zorgvuldig gekapt meisje, met haar arm op een kussen geleund, op een rood tapijt; ze aait een hondje dat naast haar ligt te slapen. Op de grond liggen een boek, een kanten zakdoekje, een fraai bord en nog wat dingen die passen in een goedburgerlijke huiskamer. Op een boek wordt een schilderij een plaatje en wie dit omslag bedacht heeft, heeft het boek niet gelezen. Annie Ernaux schrijft over zichzelf toen ze twaalf was en op de twee foto’s die ze uit dat jaar 1952 bewaard heeft, staat een meisje met een dikke neus, een plompe bril en een permanentje. Met dat meisje heeft de schrijfster meer dan veertig jaar later maar één ding gemeen, het gevoel van schaamte.

‘Schaamte was normaal, iets wat onvermijdelijk voortvloeide uit het beroep van mijn ouders, uit hun geldproblemen, hun verleden van fabrieksarbeiders, uit hoe wij leefden. Uit de scène van de zondag in juni. Schaamte is voor mij een manier van leven geworden. Op den duur was ik me er zelfs niet meer van bewust, de schaamte had zich in mijn lichaam genesteld.’ Ze woonde begin jaren vijftig met haar ouders in een huis dat tevens als kruidenierszaak, garen-en-bandwinkel en café dienstdeed en waarin geen enkel privévertrek was; dat is wel iets anders dan het omslag suggereert.
Over de genoemde scène van een zondagmiddag in juni 1952 durft Ernaux nu pas voor het eerst te schrijven, ook voor zichzelf. Haar vader wilde haar moeder vermoorden, zo brulde hij, met een hakmes in de hand, na voor de zoveelste keer urenlang door zijn vrouw met verwijten te zijn bestookt. De scène liep met een sisser af, maar voor het meisje begon daar de schaamte - opeens zag zij haar ouders, de caféklanten, hun manier van leven en taalgebruik met vreemde ogen. Bruusk kwam er een einde aan haar kindertijd. Volwaardige herinneringen aan die periode heeft ze niet, aan de tijd ervoor al helemaal niet en van het tijdstip van 'een drama dat niet was gebeurd’ weet ze nog alleen welke jurk ze aanhad en wat voor weer het was. Ze gaat op zoek naar tastbare sporen - ansichtkaarten, een naaigarnituur, een missaal - en leest alle kranten uit dat jaar.
Als ze de topografie van de buurt in dat plaatsje in Normandië reconstrueert, maakt ze daarmee een sociale hiërachie leesbaar die ze zich indertijd niet bewust was, zo vanzelfsprekend was alles. Alsof het een sociologische studie betreft inventariseert ze de wetten, waarden, rituelen, taal, kortom de codes van dat milieu, die in het ouderlijk huis des te stringenter golden omdat men bijna tot de middenstand behoorde, maar nog net niet. Alles draaide om het onderscheid tussen 'bij ons’ en buiten, de rest van de wereld; een andere dan de eigen kleine wereld kon men zich niet voorstellen, iedereen lette er op elkaar en was er tevens op beducht zelf niet gezien te worden: pas op, wat zullen de mensen van ons denken! Al even precies is Ernaux in haar antropologische studie van het katholieke meisjespensionaat waar ze vervolgens terechtkwam, als enige van de familie. Voortaan leefde ze in twee volkomen gescheiden werelden en nergens hoorde ze thuis.