Maand van het Spannende Boek

Watching the detectives

Ooit was de detective de verbeelding van de grootste Verlichtingsidealen: de Waarheid en de Gerechtigheid. Eerst verdween Gerechtigheid, nu ook de Waarheid. En de dader, dat zijn wij zelf.

Medium 3455765 original

De bbc liet begin dit jaar weten dat het derde seizoen van Sherlock, dat onlangs op dvd verscheen, de best bekeken dramaproductie in tien jaar is, met alleen al in Groot-Brittannië gemiddeld rond de tien miljoen kijkers. Een vierde en vijfde seizoen zijn in de maak. Het is misschien wel de culminatie van de Renaissance van de tv-detective, die na vooral Scandinavische successen (The Bridge, The Killing) nu weer terug is bij de wortel, Sherlock Holmes. Want zoals Pieter Steinz al schreef is er ‘zonder Sherlock Holmes geen Hercule Poirot of Lord Wimsey, geen commissaris Maigret of Montalbano, geen inspecteur Wexford of Morse’.

Holmes’ schepper Arthur Conan Doyle kan weliswaar niet als de bedenker van het genre worden aangewezen. Die eer komt Edgar Allan Poe te beurt, die de detective zijn klassieke ingrediënten gaf: een mysterieus misdrijf, de politie die zich geen raad weet, een geniale buitenstaander die door scherp observeren en logisch redeneren het raadsel oplost en – niet te vergeten – een verwonderde en bewonderende side-kick die van een en ander verslag doet. Maar Conan Doyle gaf de detective een gezicht, een persoonlijkheid – de excentrieke, contactgestoorde, cocaïneverslaafde superspeurder van Bakerstreet 221b.

Bovendien maakte Conan Doyle van de detective een held die strijdt voor de twee centrale waarden van de Verlichting: Waarheid en Rechtvaardigheid. Zijn verhalen getuigen van een grenzeloze bewondering voor en vertrouwen in de kracht van de menselijke kenvermogens. Holmes is de ideale wetenschapper met een even feilloos vermogen tot observatie als tot deductie. Hij merkt het schijnbaar onbeduidende detail op dat door de politie over het hoofd wordt gezien – een haar op de broekspijp van het slachtoffer, het ontbreken van stof op de schoorsteenmantel – en leidt daaruit in een fractie van een seconde af wat er gebeurd moet zijn, om ten slotte iedereen in verbazing achter te laten, in de eerste plaats de ik-verteller dr. Watson:

‘“Excellent!” I cried.

“Elementary”, said he. “It is one of those instances where the reasoner can produce an effect which seems remarkable to his neighbour, because the latter has missed the one little point which is the basis of the deduction.”’

De enthousiaste bewondering van Watson en de valse bescheidenheid van Holmes kenmerken de twee elkaar aanvullende kanten van de Verlichting: het vooruitgangsoptimisme, dat wil zeggen het geloof dat de wetenschap tot de grootst mogelijke wonderen in staat is en de mensheid tot grote hoogten kan brengen, en het gelijkheidsideaal, namelijk het geloof dat ieder wezen dat met de rede begiftigd is kan bijdragen aan en profiteren van deze wonderen.

Als strijder voor Rechtvaardigheid is Holmes bovendien niet alleen verwant aan de logisch deducerende natuurwetenschapper, maar evenzeer aan de sociale wetenschapper. Walter Benjamin plaatste de opkomst van de detective tegen de achtergrond van het populaire negentiende-eeuwse genre van de ‘fysiologie’: het beschrijven van ‘types’ in de grootsteedse menigte, op basis van hun kleding, gedragingen en uiterlijke kenmerken. Auteurs als Balzac schreven fysiologieën: van de arbeider, de journalist, de ambtenaar. Het genre komt voort uit de angsten en vrijheden die met de negentiende-eeuwse urbanisering werden ondervonden. Steden werden groter maar daardoor ook anoniemer. In de metropool is eenieders afkomst onduidelijk, en kun je mensen slechts nog op hun kleding en manieren beoordelen. Maar dat betekent ook dat je nooit absoluut zeker bent wie de ander is: de massa is de jungle waarin de moordenaar zich als een roofdier kan verschuilen. Holmes, even bedreven in de fysionomie als in de psychologie, biedt die angst het hoofd. De stad en haar bewoners vormen een hiërogliefenschrift, waarvan alleen hij de code bezit om het te ontcijferen.

Medium silhouette
Het milieu van het misdrijf is veranderd, en daarmee het pad van de detective

Toen met de Eerste Wereldoorlog het vertrouwen in rede en wetenschap begon af te brokkelen, leek ook de klassieke detective afgedaan. Niet alleen werden de gekunstelde puzzels en pseudo-wetenschappelijke redeneringen van Conan Doyle en zijn epigonen (Karel van het Reve ontrafelde eens op prachtige wijze een klassieke scène uit Conan Doyle’s A Sign of Four, waarin hij liet zien hoe iedere stap in de deductie tot talloze andere conclusies had kunnen leiden) het mikpunt van spot van een nieuwe generatie auteurs, ook de onwaarschijnlijke omstandigheden waaronder moorden zich in dergelijke verhalen voordeden.

Dashiell Hammett zorgde voor een revolutie in het genre door zijn creatie van de rauwe hard boiled detective, waarvan The Maltese Falcon (1930) ongetwijfeld de beroemdste is, mede dankzij de verfilming met Humphrey Bogart. Raymond Chandler, zelf detectiveschrijver, schreef in zijn essay The Simple Art of Murder (1950): ‘Hammett gaf moord terug aan het soort mensen die haar begaan om redenen, niet alleen om in een lijk te voorzien; en met de beschikbare middelen, niet met hand-gesmede duelleerpistolen, curare, en tropische vissen.’

In de hard boiled detective is niet alleen de moord, maar ook de speurder zelf alledaagser. Sam Spade, de private eye uit The Maltese Falcon, is geen Sherlock Holmes. Wanneer een politierechercheur Spade vertelt dat diens partner Archer is vermoord, en vraagt of hij het lijk nog wil onderzoeken, weigert hij: ‘Jij hebt hem gezien. Jij hebt alles gezien wat ik zou kunnen zien.’ Spade onderscheidt zich niet van de politieman door zijn observatievermogens, noch door zijn intellectuele capaciteiten. Zijn wapen is, behalve een goede rechtse, vooral zijn kennis van het menselijk tekort.

Spade is geen idealistische waarheidszoeker, maar illusieloos en cynisch, ogenschijnlijk uit op eigen gewin. Hij is dan ook een privé-detective, die zijn geld vooral verdient aan seksschandaaltjes en jaloerse echtgenotes. Min of meer toevallig, ongepland en ook ongewild belandt de detective in een veelomvattender criminele intrige, door toedoen van de femme fatale. De moord waarmee het hard boiled detectiveverhaal opent is zelden de kern van de zaak, maar integendeel slechts het topje van de ijsberg. De moordenaar is maar een klein radertje in een machine van duistere praktijken, en al snel zit de detective tot zijn nek in een beerput van intriges, een netwerk dat zich uitstrekt tot aan hogere overheids- en politiefunctionarissen, die er dan ook alles aan doen om hem in zijn onderzoek te dwarsbomen. De ‘oplossing’ van het misdrijf biedt dan ook weinig soelaas, omdat ‘het systeem’ nog in stand is. De Waarheid kon nog wel ontdekt worden, maar de Rechtvaardigheid bleef uit. Het zijn de erfgenamen van deze detective die je terugvindt in de nu al legendarische televisieserie The Wire (2002-2008). Slavoj Žižek noemde de serie in The Year of Dreaming Dangerously (2012): ‘Een whodunit waarin de dader de sociale totaliteit is, het hele systeem.’

Ondanks – of misschien dankzij – hun populariteit zijn Conan Doyle en Hammett nooit écht als literatuur behandeld. Pas vanaf de jaren zestig kwam daar verandering in. Schrijvers die we soms (bij gebrek aan een betere term) postmodern noemen, leken zich één voor één op het genre te storten – Thomas Pynchon (The Crying of Lot 49, Gravity’s Rainbow), Jorge Luis Borges, Umberto Eco (De naam van de roos, De slinger van Foucault), Paul Auster (The New York Trilogy), Orhan Pamuk (Sneeuw, Het zwarte boek), Charles Bukowski (Pulp) en Roberto Bolaño (De wilde detectives, 2666), om er een paar te noemen. Stuk voor stuk geven zij uitdrukking aan de crisis van de moderniteit – en doen dat door middel van een pastiche van de klassieke held van de Verlichting: de detective.

In Pynchons Gravity’s Rainbow spreekt een van de personages over detectiveromans als ‘pornographies of deduction – ahh, that sigh when we guess the murderer’. Maar het is juist die climax waar de lezer van de postmoderne detectiveroman het vaak zonder moet stellen. Nadat bij de hard boiled detective de Rechtvaardigheid uit het zicht was verdwenen, moet nu ook de Waarheid eraan geloven. In de romans van Pynchon en Eco wordt de lezer ingenieuze complotten voorgeschoteld die niet zelden de gehele wereldgeschiedenis omvatten: in Gravity’s Rainbow lijkt de Tweede Wereldoorlog slechts als afleidingsmanoeuvre onderdeel te zijn van een mondiaal complot van raketbouwers, en in De slinger van Foucault verzinnen de hoofdpersonen een ‘plan’ dat zo’n beetje alle geheime genootschappen uit de geschiedenis met elkaar in verband brengt. De definitieve oplossing van het raadsel blijft steeds uit, en de lezer blijft verwonderd (zo niet gefrustreerd) achter met de vraag of het allemaal ‘echt waar’ was.

Dat komt in de eerste plaats doordat de protagonist van de postmoderne detectiveroman volstrekt onbetrouwbaar is. Holmes was excentriek, Spade was cynisch, maar de postmoderne detective is paranoïde (Pynchon), schizofreen (Auster), of ladderzat (Bukowski). Ditzelfde geldt overigens voor postmoderne noir films als The Big Lebowski en Memento, waarin de ‘detective’ respectievelijk permanent stoned is, of geen kortetermijngeheugen heeft, wat het onderzoek op z’n zachtst gezegd bemoeilijkt en sterke twijfels oproept over de uitkomsten. De hedendaagse detective ziet zich, zoals de nietzscheaanse waarheidszoeker, ten langen leste gedwongen om zichzelf in zijn achterdocht mee te nemen, en te twijfelen aan zijn eigen vermogen tot waarheidsvinding.

Maar het ontbreken van de oplossing voor het raadsel, het onthullen van de Waarheid, heeft natuurlijk niet uitsluitend te maken met het onvermogen van de detective. De postmoderne romans lijken de mogelijkheid van een definitieve bevestiging van de vermoedens van de detective überhaupt te betwijfelen. ‘Paranoia’s the garlic in life’s kitchen, right, you can never have too much’, aldus Pynchon in zijn meest recente detectivepastiche Bleeding Edge (2013). Paranoia was ook Holmes en Spade niet vreemd: iedere passant was een potentiële verdachte, en ieder detail kon een clue zijn.

Veelzeggend is dat de superheld van vandaag in de gedaante komt van een ­geniale autist

De logica van Holmes’ deducties was zogezegd altijd al uiterst discutabel; toch werd die logica tenminste in retrospectief steeds bevestigd met het vinden van de dader. Nu dat ‘fiat’ van boven of buiten verdwenen is, is er geen garantie meer dat de gevonden orde juist is, waarmee het onderscheid tussen de detective en de complotdenker vervalt. Diverse recensenten van Pynchons jongste roman wezen erop dat de voor hem zo karakteristieke paranoia anno 2013/14 plotseling niet zo grotesk meer leek als voorheen. De ondergrondse raketbouwers uit Gravity’s Rainbow, als ook het geheime genootschap van postbezorgers uit The Crying of Lot 49, werkten toch vooral op de lachspieren, maar het complot dat de protagonist uit Bleeding Edge in de dotcomwereld op het spoor is, komt akelig bekend voor. Zoals Talitha Stevenson schreef in The Observer: ‘In the face of WikiLeaks, PRISM, nonexistent weapons of mass destruction and corporate personhood, it is difficult to imagine a conspiracy theory that doesn’t bear some resemblance to contemporary reality.’ De wereld lijkt steeds pynchonistischer te worden, en paranoia in toenemende mate onze modus vivendi.

Het milieu van het misdrijf is veranderd, en daarmee het pad van de detective. Holmes en Spade klimmen in hun onderzoek langzaam op in de hiërarchie van de misdaad, via verscheidene loopjongens, totdat ze het criminele meesterbrein hebben ontdekt en ontmaskerd. Die hiërarchie ontbreekt ten enenmale in de postmoderne detective, waar er weliswaar een netwerk is, maar geen centrum, geen spin in het web. Het is wat dat betreft veelzeggend dat Pynchon zijn roman laat afspelen in de internetwereld. De duistere zaakjes die de hoofdpersoon op het spoor is, lijken weliswaar allemaal verbonden, maar zonder dat ze wijzen naar een persoon of organisatie die ter verantwoording geroepen zou kunnen worden. ‘There is no big Other’, om opnieuw met Žižek te spreken, maar juist dat is het meest verontrustende in deze romans.

Daarmee leggen de postmoderne detectiveromans tegelijkertijd een kenmerk bloot van de problemen waar de wereld tegenwoordig mee te kampen heeft: ecologische en humanitaire rampen, economische crises, internationale conflicten. Typisch aan die problemen van deze tijd is dat iedereen medeschuldig lijkt: met mijn hypotheek draag ik bij aan de schuldencrisis, met mijn pensioenfonds aan wapenhandel, met het kopje koffie dat ik drink aan slavernij en uitbuiting, en met alles wat ik verder consumeer aan plastic soup en global warming.

Toch is dit beeld tegelijkertijd ideologisch, omdat ermee gesuggereerd wordt dat er uiteindelijk niemand direct op zijn verantwoordelijkheid aangesproken kan worden, en verhuld wordt dat er wel degelijk politieke beslissingen, of liever juist het gebrek daaraan, aan de basis van deze rampen liggen. In zijn boek Capitalist Realism noemt Mark Fisher dit de ‘negatieve atheologie’ van het hedendaagse kapitalisme: ‘Het centrum is zoek, maar we kunnen niet ophouden ernaar te zoeken of het te veronderstellen. Het is niet dat er niets is – maar dat wat daar is, niet in staat is verantwoording af te leggen.’ Het is precies de ervaring van dat ontbrekende centrum waar de postmoderne detectives uitdrukking aan geven.

De bbc-serie Sherlock lijkt op het eerste gezicht een terugkeer naar het klassieke genre. Holmes is in de serie het prototype van de koel deducerende denker, die zich niet in de weg laat zitten door zijn eigen emoties, en die anderen waar mogelijk inzet voor het oplossen van zijn zaak (in de laatste aflevering – spoiler alert – begint hij een liefdesaffaire met de secretaresse van een topcrimineel en fingeert hij ten slotte zelfs een huwelijksaanzoek om diens kantoor binnen te komen). Daardoor doet de serie soms ietwat conventioneel aan: de daders zijn steeds individuen, en zodra zij achter slot en grendel zitten en het mysterie is opgelost, is het gevaar geweken: Waarheid en Rechtvaardigheid hebben gezegevierd.

Toch blijkt vanaf de eerste aflevering dat het zo simpel niet is, en dat iedere dader onderdeel is van een geglobaliseerd crimineel netwerk waar Holmes’ aartsvijand Moriarty de scepter over zwaait. Moriarty is, met andere woorden, een multinational van de misdaad. En daar zit misschien ook direct de reden waarom een klassieke detective als Sherlock Holmes nog altijd, en misschien juist nu, zo’n grote aantrekkingskracht heeft. Ten overstaan van een angstaanjagende geglobaliseerde wereld is de uiterst Britse Holmes – met zijn deerstalker pet, de kopjes thee met zijn landlady, en zijn broer Mycroft die, gestoken in Savile Row pak, op de Londense aristocratische gentlemen’s clubs de krant leest – een baken van nationalistische trots. Hij is de uitvergroting van zijn negentiende-eeuwse voorvader: hij is nog Britser, denkt nog sneller, hij rent harder en is nog vaardiger. Bij vlagen heeft hij zelfs iets weg van James Bond, zoals wanneer hij op spectaculaire wijze op een motor door hartje Londen rijdt om Watsons leven te redden, of wanneer hij undercover gaat bij (allicht Arabische) terroristen om zijn liefje Irene Adler te bevrijden. In een tijd dat, zoals al vaak is opgemerkt, superhelden als Superman, Batman en Spiderman, en ook James Bond zelf, in hun films steeds ‘menselijker’ worden gemaakt, is het opvallend dat de detective welhaast bovenmenselijke proporties begint te krijgen.

Veelzeggend is bovendien dat de superheld van vandaag in de gedaante komt van een geniale autist. Irene Adler merkt het al op bij haar kennismaking met Holmes: ‘Brainy is the new sexy.’ Misschien is het niet zo moeilijk te deduceren waarom dat zo is. Als we Joris Luyendijk mogen geloven wordt de economie tegenwoordig immers geregeerd door wiskundige supernerds – de zogenaamde ‘quants’ – omdat alleen zij nog enig zicht hebben op de complexe wereld van financiële transacties. Op dezelfde manier kan alleen de even briljante als contactgestoorde Holmes de spin in het web van de misdaad identificeren, en daarmee overzicht en controle bewaren over een wereld waarin handel, technologie en criminaliteit hand in hand gaan. In een wereld waarin tegelijkertijd iedereen schuldig is en niemand verantwoordelijk, moet degene die de echte dader aan kan wijzen wel een superheld zijn.


Donderdagavond 29 mei begint met De Avond van het Spannende Boek de Maand van het Spannende Boek (30 mei t/m 30 juni)

Beeld: Benedict Cumberbatch als Sherlock Holmes en Martin Freeman als Dr. John Watson in Sherlock (Colin Hutton/Hartswood Films).