Water en weer

Christian Attersee is niet alleen schilder, maar ook zeiler. De bewegingen van en op het water hebben zijn manier van werken beïnvloed.

NAAST ELKAAR GEZIEN zijn de twee buitenluchtschilderijen van Christian Ludwig Attersee uit Wenen, Tischreise en Taugitter, allereerst verschillend in het timbre van hun kleur. Het eerste is in hoofdzaak helder blauw dat nog frisser oogt doordat er een licht bruin-rood doorheen dwarrelt. In het andere overheersen tonen grijs met hier en daar een veegje roze - het geheel zo beweeglijk als een winderige, grijze lucht. Het effect van ruimte wordt bewerkstelligd door het open rasterwerk (gitter) van blauwe takken waaraan, na de herfst, nog wat bladeren zijn overgebleven. De zwevende blauwe ruiten zijn, wie weet, verdwaalde vliegers waarvan de impulsieve kunstenaar het mooi vond ze daar te schilderen, voor meer levendigheid. Zo niet, dan kunnen het misschien ornamenten van glas of metaal zijn zoals mensen die in de winter soms in kale bomen hangen, als versiering. Soms maken die een tinkelend geluid. Nu is het, in het schilderij, het einde van de winter en, zoals de titel zegt, doordat er meer warmte in de lucht komt is het begonnen te dooien. Het schilderij gaat over die weersgesteldheid en over het licht dat daarbij hoort en dat, anders dan het harde koude winterlicht, warmer en troebeler is. Zoals gezegd: in het grijs beeft hier en daar wat roze, en dun geel. Het wapperende blauw van Tischreise is de stralende kleur van een mooie lentedag.

Dit schilderij is trouwens op een veel beweeglijker manier geschilderd dan Taugitter waarvan de grijze lucht er stiller uitziet. De penseelstreken waarmee die rustige, trage grijsheid wordt neergezet zijn kort van beweging. Bovendien zijn ze dicht tegen elkaar en over elkaar neergezet - en omdat de verf dun is en relatief droog ontstond er een zacht, vlokkig geheel, van penseelstreken die in elkaar vloeien. In het midden van Tischreise zien we, met dunne lijnen getekend, een perspectivisch vertekend tafelblad met daarop een naakte, kruipende figuur. Van verschillende kanten wordt de tafel geraakt door puntige vormen. Het duidelijkst is de vorm die, scherp en kantig als een kiel, zich maar net voorbij de kruipende gestalte in de tafel boort. Het is de romp van een zeilboot die we schuin van onder zien. Aan de achterkant is de hoekige vorm van het roer zichtbaar en erboven de scherpe driehoek van het zeil. Dat soort vormen, strak en puntig, behoren tot het vaste repertoire van de kunstenaar, die behalve schilder ook een verwoed zeiler is. Als het niet echte zeilboten zijn die her en der in de schilderijen opduiken, zoals hier in Tischreise, zijn het soortgelijke semi-abstracte vormen - die blauwe, ruitvormige ornamenten bijvoorbeeld in Taugitter.

Ooit heeft Attersee mij verteld hoe de ervaringen bij het zeilen van invloed zijn geworden op zijn manier van kijken. (Zelfs zijn gekozen schildersnaam is die van een meer in de buurt van Salzburg. Zijn familienaam is gewoon Ludwig.) Hij zit in zijn boot en kijkt af en toe ook naar boven, naar het strak gespannen zeil. Daarachter en daarboven is de lucht. Er zijn wisselende bewegingen van wind en er is de voortdurende golfslag. Zonlicht, weerkaatsing van licht op bewegend water, wolken, windstoten. Er is altijd beweging, van water en weersgesteldheid - en zo, attent op die beweeglijkheid, is hij ook gaan kijken. Zoals Van Gogh in de Provence het landschap doordrenkt van het harde zuidelijke zonlicht is gaan zien terwijl we in de schilderijen van Turner de heiige, grijze Noordzee zien. Rondom dus het motief van tafelblad en zeilboot dat zelf al een abrupte beweging vertoont, zien ze een heftig geschilderde omgeving van lucht en water, helder van kleur en sprankelend licht. Uiteindelijk is elke schilder, vroeger en nu, er op uit om in de drab van de verf zulk licht te brengen. Attersee, indachtig wind en water, doet dat in Tischreise met die roerige opeenhoping van kortaffe penseelstreken. Vaak schildert hij, zoals zo te zien ook hier, met twee handen tegelijkertijd, van buiten naar binnen, snel, en ook dwars door elkaar heen. Daardoor worden de penseelbewegingen minder berekenbaar en wordt hun effect fantastischer - in die buitengewoon eigenzinnige beeldwereld die Attersee ons in zijn schilderijen voortovert. Het gaat daar, met alle trucs die hij kan verzinnen, om zoiets ouds (en in de kunst wezenlijks) als gegoochelde, verrassende schoonheid. Soms moet ik daarbij ook denken aan dat prachtige schilderij van Renoir, Le moulin de la galette (1876): fraai uitgedoste dames en heren etend en drinkend en dansend onder de bomen van een tuin bij een uitspanning - feeëriek verlicht door dwarrelende vlekken van zonlicht dat in heel de tuin door het gebladerte van de bomen valt. Natuurlijk is Attersee iets anders. Maar zijn schilderijen zijn ook altijd vol gehangen met kleurige versieringen, zoals een tuin is versierd met vlaggen en lampions - en met Renoir deelt hij een bijzonder instinct voor wat gewoon mooi is.