Goudkoorts: El Dorado revisited

Water is belangrijker dan goud

In verschillende landen in Latijns-Amerika wordt hevig geprotesteerd tegen mijnbedrijven en tegen de schade die mijnbouw aanricht. Soms met succes. De industrie richt nu de ogen op Groenland, dat ook een bodem vol schatten heeft.

Op een mooie winterdag gaat Marco Arana zitten op een bank op het centrale plein van Cajamarca, een stad in het noorden van Peru. Zijn enige gezelschap zijn een vriend en een journalist. Arana haalt een bord te voorschijn en zet dat op zijn schoot: ‘Leven ja, goud nee’.

In een ommezien komen zo’n vijftien politieagenten aanrennen, in complete oorlogsuitrusting, die op hem beginnen in te slaan en hem vervolgens arresteren. Twaalf uur later wordt hij vrijgelaten, met een gebroken kaak. Als ze hem, zegt Arana moeizaam pratend, een internatio­naal bekend leider van een grote organisatie over wie films zijn gemaakt en die overal wordt uitgenodigd, als ze hem voor de ogen van de pers (die direct een video van de aanval op YouTube zet) zo te lijf gaan, kun je nagaan hoe ze een boer in een afgelegen dorp aanpakken.

Arana is leider van de beweging Tierra y Libertad (Land en Vrijheid), sinds kort een officieel geregistreerde politieke partij. Hij trok zich bij de presidentsverkiezingen in 2011 op het laatste moment terug, ten gunste van de latere winnaar Humala. Arana, geboren en getogen in Cajamarca, protesteerde met zijn eenvoudige actie op een bankje tegen het project Conga van het Amerikaanse mijnbedrijf Newmont: een enorme open mijn die volgens lokale autoriteiten en boeren het milieu van de hele regio vernietigt en de watervoorziening in gevaar brengt.

Peru is een mijnbouwland bij uitstek. Vijftien procent van het totale grondgebied van het land is via consessies in handen van mijnbedrijven. In sommige provincies is dat nog veel meer, zoals in Cajamarca, waar liefst 45 procent van de grond wordt gecontroleerd door de bedrijven. Arana zet zich al jaren in voor het verdedigen van de rechten van de inheemse gemeenschappen die het slachtoffer zijn van die milieuschade die de mijnbouw aanricht: ‘Voor de boeren in de Andes heeft de aarde ogen, en door haar ogen ziet de aarde en huilt de aarde. Als ze haar verzorgen, is ze gelukkig. En als ze haar verwoesten, huilt ze.’

Voor zijn bemiddeling bij de protesten tegen een ander project van Newmont ontving Arana in 2004 de Nationale Prijs voor de Mensenrechten in Peru. Het Amerikaanse blad Time riep hem uit tot ‘Milieuheld van 2009’. In 2009 vormde hij de politieke beweging Land en Vrijheid om deel te nemen aan de provinciale en nationale verkiezingen: ‘De kern van Tierra y Libertad zijn de mensenrechten, de rechten van de aarde, de zorg voor het water, de strijd tegen de corruptie, en dat Peru voor alle Peruanen is, en niet zoals nu dat we immense rijkdommen hebben maar dat die ons slechts vervuiling brengen, enkelen zich verrijken en de grote meerderheid gedoemd blijft tot armoede.’

Het bankje in Cajamarca waarop Arana demonstratief plaatsnam, staat op een steenworp afstand van de ‘losgeldkamer’ van de Inca Atahualpa, het symbool van de goudkoorts en de hebzucht waarmee de Spanjaarden vijf eeuwen geleden in deze streken arriveerden. Ata­hualpa, de leider van het grote Inca-rijk, werd op 16 november 1532 in Cajamarca gevangen genomen door de conquistador Francisco Pizarro, die met zijn kornuiten op zoek was naar El Dorado, het mythische rijk waar alles wat blonk inderdaad goud zou zijn. Atahualpa bood de vreemdeling een genereus losgeld: een kamer, zo groot als die waarin hij gevangen werd gehouden, zou hij vullen met goud en een tweede met zilver. Uit het hele rijk werden de begeerde metalen naar Cajarmarca gestuurd, tot de twee kamers vol waren. Het mocht niet baten. Pizarro liet de Inca alsnog vierendelen op 26 juli 1533. Hij gaf opdracht al het goud te smelten om het te delen met zijn mannen en natuurlijk met de koning van Spanje, de in de Lage Landen niet onbekende Filips II. Volgens moderne berekeningen was het het hoogste losgeld ooit betaald: het zou neerkomen op het huidige bedrag van vijfhonderd miljard euro.

De goudkoorts die vijf eeuwen geleden de voornaamste drijfveer voor de verovering van het Amerikaanse continent was, lijkt weer volop opgelaaid. Rond 2004 begon China op volle kracht de grondstoffenmarkten af te struinen, hetgeen allerwegen leidde tot hogere prijzen en dus meer belangstelling van mijnbedrijven om hun productie te vergroten. De economische crisis heeft de prijzen nog verder omhoog gestuwd, met name van goud, dat weer het object van begeerte van internationale investeerders en speculanten is geworden.

De ogen zijn vooral gericht op Latijns-Amerika, dat tegenwoordig de helft van alle mijninvesteringen in de wereld binnenhaalt. Het is een van de sectoren die in vrijwel alle landen van het continent een forse groei te zien geven. Tussen 1990 en 2003 vormde de mijnbouw in Bolivia 3,9 procent van het bruto nationaal product. Tussen 2004 en 2009 liep dat op tot 5,4 procent. In Chili ging de groei van 7,7 procent naar 17,7 procent, in Ecuador van 6,9 naar 14,7 procent, in Peru van 4 naar 8,5 procent.

In de goudwinning hebben vooral Canadese en Amerikaanse multinationals het voor het zeggen. Maar ook de Chinezen kopen steeds meer mijnen op. Het maakt niet zo veel uit wie de gouddelvers zijn. Het is niet langer alleen ‘het neoliberalisme’, tenzij we ook China daartoe rekenen. De grootmacht jaagt zo bezeten op grondstoffen dat actievoerders niet voor niets spreken van het ‘Chinees imperialisme’.

Afgelopen voorjaar vond in Quito, de hoofdstad van Ecuador, een unieke actie plaats. Een groep vrouwen van de milieubeweging bezette een paar uur lang de ambassade van China, om te protesteren tegen het contract dat China heeft gesloten met de overheid van Ecuador voor het openen van een grote kopermijn in het zuidoosten van het Ecuadoriaanse deel van de Amazone. De ambassadeur gedroeg zich correct, maar was wel stomverbaasd: kwamen deze vrouwen protesteren tegen de Chinese bezetting van Tibet? Tegen de behandeling van een dissident? Nee, ze protesteerden tegen het Chinees imperialisme. Dat was waarschijnlijk de eerste keer dat dit gebeurde. Een tijd geleden was ik in het dorp Marcona in Zuid-Peru, waar de plaatselijke kolenmijn is opgekocht door een Chinees staatsbedrijf. De milieuramp in dit gebied is tot vele kilometers in de omtrek zichtbaar. Bovendien wordt het personeel in de mijn schandelijk behandeld; China heeft het niet zo op lastige organisaties als vakbonden. De mijnwerkers vertelden dat ze zowaar de Amerikaanse imperialisten, de klassieke vijand, missen: ‘Vergeleken met deze Chinezen hadden we het bij de Amerikaanse eigenaren heel goed.’

De nieuwe goudkoorts bezaait Latijns-Amerika met conflicten, in zestien landen, van Mexico tot Patagonië. Onder het motto ‘Water is meer waard dan goud’ trekken hele gemeenschappen ten strijde tegen de bedrijven die met hun open mijnbouw het milieu vernietigen. Op dit moment zijn er meer dan tweehonderd gemeenschappen verspreid over het hele continent verwikkeld in min of meer heftige conflicten over zo’n 170 mijnbouwprojecten. De Amerikaanse Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz spreekt over ‘de vloek van de grondstoffen’. De mijnbouw is een typisch voorbeeld van niet-duurzame economische activiteit: op is op. De enorme winsten van de mijnbedrijven verdwijnen naar het buitenland, en wanneer de mijn uitgeput is zit de plaatselijke bevolking nog altijd in dezelfde misère als voorheen, zij het met als extra’s een verwoest landschap en vergiftigd water.

Latijns-Amerika werd tot nu toe beschouwd als een paradijs zonder regels voor de mijn­bedrijven, maar dat is veranderd. ‘Het is waar dat er een nieuw milieubewustzijn is ontstaan bij de bevolking’, aldus Juan Carlos Belausteguigoitia, milieu-econoom van de Wereldbank. ‘Maar de mensen geven zich ook rekenschap van de buitengewone winsten die de mijnbedrijven maken en eisen dat een deel ervan in hun regio blijft.’

De overheersend linkse regeringen in de regio verzetten zich niet tegen grootschalige en open mijnbouw. Ze eisen alleen een groter deel van de winst van het afvoeren van hun grondstoffen. De opstandige boeren of de mijnwerkers die een redelijker salaris eisen, krijgen nauwelijks of geen steun van hun eigen regeringen in de strijd tegen de mijnmaatschappijen en voor hun eigen water.

Het hardst gaat het nu toe in Peru, waar al tientallen doden zijn gevallen bij pogingen van ordetroepen de opstanden tegen de multinationals neer te slaan. Sinds het aantreden van de linkse president Ollanta Humala in de zomer van 2011 zijn conflicten opgelaaid rond liefst 28 mijnprojecten. Het heetst is de strijd rond de goudmijnen omdat bij de exploitatie gebruik wordt gemaakt van extreme hoeveelheden water en cyanide, waardoor de boeren zonder water en met gif komen te zitten. En dat in streken waar het drinkwater of het water om de dorre akkers te besproeien toch al een schaars goed is.

Het goud dat de Inca’s en andere volken in Amerika ruim voorhanden hadden, was makkelijk te winnen. Het zat in aders praktisch aan de oppervlakte of werd gevonden in de vorm van goudklompen in de rivieren. De conquistadores haalden de bestaande mijnen snel leeg, en openden tientallen nieuwe, waarbij ze hele gemeenschappen vergiftigden door het gebruik van kwikzilver.

Tegenwoordig is het goud verstopt als stof in andere mineralen en moet daaruit losgeweekt worden. Om een kilo goud te winnen moet 2,8 ton aan rotsgrond ‘behandeld’ worden. Voorheen werden diepe tunnels gegraven en werd het erts op de ruggen van de indiaanse slaven naar boven gehaald. Nu plaatsen de mijnbedrijven explosieven op grote diepte en veroorzaken enorme explosies om de mineraalrijke grond bloot te leggen. Om het goud uit de aarde te weken zijn exorbitante hoeveelheden water nodig plus chemicaliën. En geen betere dan cyanide.

De traditionele manier van goud delven, via een onderaards netwerk van gangen en schachten, wordt eigenlijk alleen nog gepraktiseerd in kleine illegale mijnen. Vooral in Brazilië, Peru en Colombia bestaan honderden ‘spontane’ mijnen, geopend door de lokale bevolking en gerund door de informele sector of, in toenemende mate, door criminele groepen. Met alle gewelddadige gevolgen van dien. Zo neemt het aantal moorden in Colombia over de hele linie gestaag af, behalve in de gebieden waar goud wordt gewonnen. Daar stijgt het sinds de goudprijs zo omhoog is geschoten dat goud een serieuze concurrent van cocaïne is geworden.

In de goudwinning gaat het om veel geld. In het project Conga investeer Newmont 4,8 miljard dollar. De linkse president Humala, die zich voor hij werd gekozen tegen tal van mijnactiviteiten uitsprak, is om. Hij heeft, zegt hij, het geld nodig om zijn sociale programma’s te financieren.

Conga wordt een open mijn met een omvang van meer dan drieduizend hectaren. Vier meren moeten worden ‘opgeofferd’, daar komt het giftige mijnafval plus afvalwater in. Maar die meren vormen de kern van het hele watervoorzieningssysteem van zo’n veertigduizend mensen. ‘Humala was hier voor de verkiezingen en vroeg ons wat we wilden: water of goud. Water, zeiden we.’ ‘Dan zal ik de stem van het volk respecteren.’ Maar dat is hij nu vergeten. De president zegt alleen dat hij ‘geen enkele arrogantie’ van mijnbedrijven zal accepteren en dat zijn regering een nieuwe vorm van mijnbouw wil die het milieu respecteert. In het geval van de goudwinning lijkt dat een onmogelijke opgave.

De mijnbedrijven schuwen geen middel om het verzet tegen hun activiteiten te breken. Ze hebben eigen veiligheidsdiensten, die dikwijls lokale politiemensen inhuren en die tegen­standers bespioneren, mishandelen en af en toe vermoorden. Marco Arana: ‘De mijnbedrijven hebben veel macht en misbruiken die voort­durend. Er zijn er zelfs die voormalige terroristen van Lichtend Pad hebben ingehuurd en bewapend. Het probleem van Peru is dat het een geprivatiseerde staat is die niet de rechten van de gemeenschappen maar de rechten van de bedrijven verdedigt, en door en door corrupt is.’

Hetzelfde verhaal gaat op voor Guatemala. Daar hebben vorige maand zo’n honderd Maya-gemeenschappen het Openbaar Ministerie gevraagd het mijnbedrijf Montana Exploradara de Guatemala te vervolgen wegens het ­veroorzaken van een milieuramp die de ­gezondheid van vijftigduizend mensen ernstig schaadt. Montana, eigendom van het Canadese Goldcorp, wint in de provincie San Marcos sinds 2005 goud. Er zou hier 1,4 miljoen ounces in de grond zitten en alles moet wijken om die eruit te halen. In Guatemala wordt al jaren geprotesteerd tegen de activiteiten van de ­mijnmultinationals zonder dat de overheid ook maar een vinger uitsteekt. Plaatselijke autoriteiten en rechters worden simpelweg ­omgekocht door de bedrijven. Maar wie de websites van Montana en van Goldcorp bezoekt krijgt de indruk dat het geen mijnbedrijf is maar een afdeling van Greenpeace en dat het geen goud delft maar een uniek gezondheidsprogramma verzorgt.

De meeste mijnbouw in Latijns-Amerika is geprivatiseerd, al heeft met name president Evo Morales in Bolivia de afgelopen jaren iets genationaliseerd. Opvallend genoeg is Chili het enige land waar de belangrijke kopermijnbouw (Chili is de grootste koperproducent in de wereld) in handen is van een staatsbedrijf, Codelco. In de jaren dat dictator Pinochet de kampioen van het neoliberalisme was, heeft hij dit staats­monopolie nooit aangeraakt, mede omdat bij wet geregeld was dat tien procent van de opbrengst direct naar de strijdkrachten ging. Een absurd privilege dat pas door presidente Michele Bachelet in 2008 ongedaan is gemaakt.

Ook in Mexico zijn de sociale conflicten rond de mijnbouw niet langer op de vingers van een hand te tellen. Vorige zomer bezetten mijn­werkers in de staat Durango de mijn van San Pedro, in handen van het Canadese kapitaal­bedrijf Excellon Resources de Mexico. Het protest had de inmiddels bekende gronden: het bedrijf heeft zich niet gehouden aan het contract dat dwingt een waterzuiveringsfabriek te bouwen en het schendt de rechten van de arbeiders in alle opzichten. De mijn produceert tussen de dertien- en vijftienhonderd ton zilver per jaar, een derde van de totale Mexicaanse jaarproductie. Een ander bedrijf, het Amerikaanse Vista Gold, wil een goudmijn openen in de streek La Concordia, midden in een natuurreservaat. Verzet is er ook tegen de dreigende exploitatie van de goudmijn Espejeras in de staat Puebla. Frisco, het derde grote mijnbedrijf van Mexico, denkt aan Espejeras achthonderd miljoen dollar te verdienen.

Het Canadese bedrijf Almaden Ltd heeft goud en zilver gevonden in de noordelijke Sierra van Puebla. De Mexicaanse regering heeft het bedrijf een concessie gegeven voor een gebied van niet minder dan negentigduizend hectaren. Alleen al in de staat Puebla hebben de mijn­bedrijven tijdens de ambtstermijn van de net vertrokken president Calderón meer dan een miljoen hectaren in concessie gekregen.

De protestgolf op het hele continent heeft niettemin een flink aantal successen geboekt. In verschillende landen zijn de boeren erin geslaagd de open mijnen stil te leggen, al dan niet gesteund door justitie. In Costa Rica is een verbod van kracht geworden op open mijnen. In Argentinië bekrachtigde het hooggerechtshof een wet die mijn- en olie-exploitatie in gebieden met gletsjers verbiedt.

De Mexicaanse regering heeft een mega­project in Baja California geschrapt. Het Canadese Argonaut Gold wilde een open goudmijn gaan exploiteren op veertig kilometer van La Paz, een toeristenoord dat wordt aangeprezen als het nieuwe Cancún.

Vorig jaar besloot Osisko Mining Corporation, een andere Canadese multinational, af te zien van een geplande goudmijn in het noorden van Argentinië. Maandenlang hadden de streekbewoners de toegangsweg volledig geblokkeerd. Hier zou 25 miljard dollar aan goud worden gewonnen in de komende dertig jaar. Eerder al slaagden zij erin een project van Barrick Gold ongedaan te maken, met hetzelfde argument: water is belangrijker dan goud. Inmiddels is in zeven van de 23 Argentijnse provincies open mijnbouw verboden.

En nu hebben de goudzoekers hun oog laten vallen op een gebied waar weinig mensen zijn om tegen hun activiteiten te protesteren: Groenland, dat nog geen zestigduizend inwoners telt. Het ijs hier blijkt veel sneller te smelten dan voorspeld. Vorige zomer was negentig procent van het oppervlak van Groenland ijsvrij, terwijl dat normaal veertig procent is. Dat betekent dat de prognoses zijn bijgesteld, en niet zo’n beetje ook: binnen vier jaar zal de Noordpool nog slechts een derde van het huidige ijs omvatten. Maar waar het ijs smelt komen bodemschatten binnen bereik en zijn de gouddelvers in aantocht.

Vorig jaar zijn de Chinezen neergestreken in de hoofdstad Nuuk. In eerste instantie waren het expedities van bedrijven die op zoek zijn naar grondstoffen en mineralen, en die al studies aan het maken zijn van de mogelijke milieugevolgen van mijnbouw in Groenland. De resultaten zullen ongetwijfeld de werkelijkheid geweld aandoen, want waar de mijnbedrijven arriveren volgt onherroepelijk de vernieling van het milieu. Niet alleen door de mijnen zelf, maar ook door de grootschalige aanleg van infrastructuur die nodig is voor de exploitatie.

Het grootste project voorziet in het openen van een ijzerertsmijn in Isua, aan de rand van het ijs van Groenland, door een bedrijf dat in Londen is gevestigd maar Chinees kapitaal heeft. Dat wil drieduizend Chinezen naar het gebied sturen om in drie jaar tijd een infrastructuur aan te leggen inclusief een haven voor grote schepen en een vliegveld.

Er lopen zo’n honderd aanvragen voor exploratie waarvan er vier in de fase van goedkeuring zitten: ijzer, goud, aluminium, olie, noem maar op. Er zit hier een hoop in de grond dat door de dooi bereikbaar wordt. De mijn van Isua zou net zo veel opleveren als een vijfde van de totale begroting van Groenland. Dus de verleiding is groot voor de regering van de voor­malige Deense kolonie om de delvers hun gang te laten gaan. En een nieuwe milieuramp te veroorzaken, zij het buiten het gezichtsveld van de critici.