Overblijvende gestalte probeerde ik, zittend op de rand van het zwembad, terwijl ik naar mijn door het lichtbrekende water tot snijbonen vervormde benen keek, zo gelijkmatig mogelijk verdeeld met datzelfde, toch nog redelijk koude element in contact te brengen. Altijd en overal een grappig gezicht voor niet badende buitenstaanders. Deze categorie kon ik naar behoren buitensluiten door gedurende de tijdsspanne die mijn hoofd nodig had om het wateroppervlak te bereiken, geen enkele goede en zelfs slechte gedachte eraan te wijden. Waar mijn kin, ook zonder hulp van zijwaarts gespartel gehoorzaam op bleef drijven en als een eenvoudige zeehond, hoewel met zeer natte brilleglazen, overzag ik mijn, vanuit dit lage standpunt wel zeer duodenumvormig territorium. Maar, al koesterde ik ook diep in mij de naïviteit van een gewone grasharing, ontkomen aan mijzelf was er alweer niet bij. Hoezeer ik daar ook mijn best voor deed. Graag had ik mij als Hockney uit deze omgeving een nieuw wereldbeeld geschapen, een lichtblauwe subcultuur waaruit ik nooit meer hoefde op te duiken. Maar steeds andere oprispingen staken daar stokjes voor. Zelfs nu, tot boven de schouders in Iberisch zwembadwater, diende ik mij te realiseren dat ik vroeger of later in overweging had te nemen dat ik een hoog opwaaiend stuk papier ooit aanzag voor een kleine witte vlinder. Door grillige eilandwind voor enkele onomstotelijke ogenblikken leven gegeven.