Waterchocola

Wanneer ik vroeger, maar nu ook weer niet zo heel lang geleden, erg vroeg wakker werd en de eerste schreden in de grijze kamer zette, ging dat altijd samen met een grote trek in veel waterchocola. Vooral geen melkchocola.

Als de behoefte zo snel mogelijk bevredigd was, leek er heel veel recht getrokken.
Drinkend van de waterchocola maakte ik een een onzichtbaar lijstje op van de hiaten die de komende dag nog zo manhaftig verborgen hield maar die in de loop daarvan allemaal stuk voor stuk zorgvuldig moesten worden gevuld. Mij intussen ook realiserend dat ik niet had gemerkt dat het was opgehouden met motregenen. Gedachte die werd geblust door het besef dat ook het begin daarvan aan mij voorbij was gegaan.
Overdag, maar zeker niet elke dag, dacht ik regelmatig aan waterchocola. Niet omdat ik er dan zin in had, integendeel. Het was ook weer niet zo dat ik er van gruwde, maar ik voelde geen enkele lust tot het maken van zo'n geurende, ijl dampende kom zeer donkerbruin vocht.
Mijn gedachten omtrent waterchocola, overdag dus, cirkelden om de vraag waarom ik er ’s morgens, mits het heel vroeg was, wel naar dorstte.
Kwam het doordat ik wist dat de lavendelkleurige bus inderdaad vol zat met dat stugge poeder? Want ik kan mij niet herinneren ooit in enige hotelkamer (waar je er ook wel eens verdacht vroeg bij bent) geplaagd te zijn door vroege waterchocoladelust.
Zou ik anders niet bij het inpakken van de koffer steevast een blikje cacaopoeder tussen hemden en broeken verstopt hebben?
Ik schrijf dit natuurlijk allemaal niet voor niets. Maar omdat ik, voor het eerst sinds heel lang, weer eens heel vroeg wakker werd. Vervolgens vrijwel onmiddellijk wist dat ik totaal geen trek had in waterchocola. Nu echter, op het tijdstip waarop de echte dag vol bewegingen en beslissingen nog moet beginnen, al weet dat ik mij op diverse momenten daarvan, en misschien ook nog gedurende wie weet hoeveel komende dagen, zal afvragen waarom ik er vanmorgen heel vroeg geen trek in had. In waterchocola.