Profiel: Robert Jacob Gordon

Waterdrager van de Verlichting

Diderot ontmoet hem in Amsterdam, oktober 1774. De soldaat Robert Jacob Gordon is zojuist teruggekeerd van zijn eerste reis naar de Kaap, waar hij in gezelschap van een Hottentot enkele jaren heeft rondgereisd in gebieden waar nog geen westerling is geweest. In zijn Voyage de Hollande geeft de destijds al internationaal vermaarde radicale verlichtingsdenker een gesprek met Gordon weer over de kort daarvoor ontdek te stam der Hottentotten.

Diderot blijkt zeer gecharmeerd van de scherpe, onbevooroordeelde waarnemingen van de dertigjarige, in zijn ogen Engelse soldaat. Vooral diens kennis van de taal der Hottentotten maakt diepe indruk. Bovendien kan Gordon hem eindelijk uitleggen wat nu dat «natuurlijke schort» is, die fameuze vleselijke klapdeurtjes die anderen vóór Gordons reis al hadden ontdekt bij de Hottentot-vrouwen, vlak boven hun vagina.

Wat Diderot bovenal aantrekkelijk vindt aan de jongeman is zijn afwijzing van de wrede karikaturen en de praatjes van spreekwoordelijke domheid die over de Hottentotten de ronde doen. Als mannen van de Verlichting geloven Diderot en Gordon heilig in vooruitgang dankzij menselijke kennisvergaring. Maar zij delen ook een notie van de nobele wilde, een rousseau ïaans begrip dat decennia na hun dood algemeen opgang zal maken.

Al meer dan tweehonderd jaar geleden toonde Gordon een oprechte interesse in de uiterlijke kenmerken, taal, gewoonten en gebruiken van de inlandse stammen. Hij gaf ze ook de namen waaronder ze lange tijd in de westerse wetenschap bekend zouden staan — «strandloopers», «kaffers», «bosjesmannen» — maar die inmiddels, besmet als ze zijn door het racisme van de voormalige witte overheerser, op de ongeschreven lijst van politiek incorrecte woorden zijn beland.

Drie jaar na zijn ontmoeting met Diderot vestigt Gordon zich voorgoed op de Kaap. Hij vindt er vier keer de gelegenheid om expedities naar het binnenland te ondernemen. Op die reizen bedrijft hij topografie in de breedste zin van het woord. Hij brengt als eerste grote delen van Zuid-Afrika in kaart. En bijgestaan door enkele betaalde hulpkrachten moet hij hebben getekend als een bezetene. Zo vervaardigde hij gigantische panorama’s, waarvan de zeven meter en zeventig centimeter lange aquarel van de kust met de Tafelberg het meest indrukwekkend is. En uiterst accuraat getekend. Bij herhaling is gebleken dat zelfs huidige bewoners hun boerderijen op de panorama’s herkennen. Daarnaast maakte hij bijna vijfhonderd tekeningen van in Europa grotendeels nog onbekende dieren, planten en inlanders. Samen met de panorama’s vormen ze de Gordon-atlas, die sinds 1914 een sluimerend bestaan leidt in de kelders van het Rijksmuseum. In april zullen enkele panorama’s en tekeningen voor het eerst op zaal hangen.

Van de vele tentoonstellingen die tientallen musea dit jaar in het hele land organiseren ter viering van de oprichting, vierhonderd jaar geleden, van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, is de kleinschalige opstelling van een deel van de Gordon-atlas de meest belangwekkende. Wellicht is de tentoonstelling zelfs artistiek gezien de meest interessante, hoewel Gordon slechts uit wetenschappelijke nieuwsgierigheid tekende. Maar al koesterde hij geen artistieke aspiraties, de tekeningen zijn van een wonderlijke pracht en raadselachtigheid. Geïnteresseerd in een heel scala aan wetenschappen, van biologie en taalkunde tot antropologie en geografie, stuurde hij de tekeningen naar verscheidene wetenschappers overal in Europa. Van de beroemde Reinout Vosmaer en de Leidse professor Allaman weten we dat ze reikhalzend uitkeken naar Gordons waarnemingen. Hun bewondering voor de tekenende kolonel is in vele bronnen terug te vinden. Ook correspondeerde hij met de prins van Oranje, wat Gordon een groot genoegen moet hebben gedaan, aangezien hij, net als zovele nieuwe Nederlanders, bijzonder Oranjegezind was.

Gordon was een allochtoon. Zijn overgrootvader was een Schot uit Aberdeen, die met een complete brigade neerstreek in Schiedam. Zijn vader was generaal-majoor in dezelfde, inmiddels in het Hollandse leger geïncorporeerde Schotse Brigade. Zelf trad hij, geboren te Doesburg, al op zeer jonge leeftijd tot de brigade toe, waarin hij het zou schoppen tot kolonel en hoogste bevelhebber van het VOC-garnizoen in Kaapstad. De compagnie was voor Gordon in eerste instantie een vehikel waarmee hij zijn wetenschappelijke interesses kon uitleven. Mede dankzij de VOC had hij ook vriendschap kunnen sluiten met de inlandse stammen, die hij niet alleen door zijn talenknobbel vertrouwen inboezemde, maar die hij ook de gebruikelijke VOC-prullaria schonk die ze soms tot op heden in hun sieraden met zich meedragen. Maar de VOC werd ook Gordons ondergang. Net zoals de allochtone kaapvaarder volgens velen de ondergang van de VOC in Zuid-Afrika op zijn geweten heeft.

Op 11 juni 1795 voeren zes zwaarbewapende Engelse schepen de haven van Kaapstad binnen. Terwijl alle Nederlanders onmiddellijk in de hoogste staat van paraatheid werden gebracht, vroeg de Britse admiraal om een onderhoud met Gordon. De Engelse legerleider zei te beschikken over belangrijke informatie en een brief van de prins van Oranje.

De prins was inmiddels naar Engeland gevlucht. De Verenigde Provinciën waren binnengevallen door Franse troepen, die geestdriftig werden gesteund door de aanhangers van de Nederlandse Patriottische Partij, die van het stadhouderschap af wilden en een republiek naar Frans model steunden.

Tot ergernis en zorg van de fervente orangist Gordon was het overgrote deel van de Kaapse burgers en een meerderheid van zijn garnizoen op de hand van de patriotten. Zelf had hij als tien jaar oude vaandrig in het Schotse regiment een eed van trouw aan de prins van Oranje gezworen en hij was geenszins van plan die te breken. Bovendien wist Gordon niet beter of Engeland was de bondgenoot van Holland in de oorlog tegen de republikeinse Fransen. Dus luisterde hij naar de Engelse admiraal, die hem de situatie in Holland uitlegde, die enigszins overdreef, en die zijn hulp inriep opdat Engelse troepen de Kaap konden overnemen in naam van het huis van Oranje.

Tot grote onvrede van zijn eigen manschappen droeg Gordon de macht over, op voorwaarde dat de Engelse soldaten streden onder de vlag van de Oranjes.

Maar de Engelsen hadden hem bedot op de manier waarop de VOC al eeuwen een patent leek te hebben — een wig drijven tussen bevelhebbers, onderdanen en soldaten om vervolgens zelf de macht te grijpen. Gordon zag het te laat, eigenlijk pas toen de Engelsen hun eigen vlag in top hesen in fort De Goede Hoop, het beruchte Riebeeck-kasteel.

Hoe heeft Gordon zich zo kunnen vergissen? Volgens een Zuid-Afrikaanse historicus was «Gordon se gesondheid sedert 1789 nie van die beste nie». Dat kan hebben meegespeeld. Gordon leed aan een soort chronische bronchitis, maar daar schrijft hij in zijn dagboeken weinig over. Van grotere invloed was waarschijnlijk zijn bijna blinde Oranjegezindheid en zijn afkeer van de Franse Revolutie en haar «principes van anarchie». Hij was nooit vergeten dat de guillotine van de Franse republiek een einde had gemaakt aan Jean-Sylvain Bailly, een collega-philosophe van Diderot met wie Gordon veelvuldig had gecorrespondeerd.

Daarnaast was vermoedelijk Gordons levenslange pro-Britse gezindheid van cruciaal belang bij zijn «verraad». Verschillende Engelse reizigers constateerden bij hun bezoek aan de Kaap dat Gordon over een «Engels hart» beschikte, en in zijn eigen woorden was hij in Holland «grootgebracht als een Grootbrittanniër». Kennelijk deed Gordon zich soms ook zo voor. Niet voor niets dacht Diderot met een Engelsman van doen te hebben.

Deze verschillende loyaliteiten hebben tezamen geleid tot het tragische lot dat Gordon ten deel is gevallen. Een Zuid-Afrikaanse historicus drukt het als volgt uit: «Sy gehegtheid aan die Huis van Oranje en, bes moontlik, sy sterk pro-Britse gevoelens, het kom daartoe gebring om teen die nuwe Nederlandse bewind verraad te pleeg.»

De overgave werd een publieke vernedering voor Gordon. Onder de ogen van woedende Hollandse burgers en onverschillige Engelse officieren werd hij beschimpt door zijn eigen manschappen, die hem zelfs dreigden te lynch en. Hij zag zijn reputatie verpulverd, sloot zich op in zijn huis en in de ochtend van 25 oktober 1795 hoorden familieleden een schot uit de tuin van zijn huis. Tussen zijn geliefde botanische kunststukjes had hij zich met een revolver een kogel door het hoofd gejaagd. Alleen Britse officieren woonden zijn begrafenis bij.

Zijn enige biograaf, ene Patrick Cullinan, schrijft dat het Gordons fout is geweest dat hij te loyaal was aan de prins van Oranje. «That is what killed him, and that is where the tragedy of Gordon lies.» Diezelfde tragiek is er mogelijk ook de oorzaak van dat deze begenadigde amateur-wetenschapper nooit tot de grote erflaters van de vaderlandse geschiedenis wordt gerekend.

Gordon liet zijn Zwitserse vrouw vier zonen na. Zij verliet de Kaap twee jaar na zijn dood. De zonen gingen het leger in, hun vader achterna in meer dan één opzicht. Van één is bekend dat hij zelfmoord pleegde. Van een ander, Robert Gordon, weten we dat hij bij de slag van Waterloo als kolonel deel uitmaakte van de Franse chiefs of staff, en dat hij om vooralsnog onopgehelderde redenen kort voor de beslissende slag de belangrijkste posities van het Franse leger aan de Engelsen verraadde. Dit werd ontdekt, en Robert werd standrechtelijk geëxecuteerd.

Tegenwoordig lopen er geen directe nakomelingen van Gordon meer rond. Toch leeft hij niet alleen voort in zijn atlas, maar ook in de miljoenen schapen van Australië. Want behalve vrouw en kinderen liet Gordon 32 merinoschapen na, die hij jaren eerder uit Spanje had geïmporteerd en die de basis vormden van de wolproductie in Zuid-Afrika. Kort na zijn dood namen twee Engelse reizigers enkele van die schapen mee naar Nieuw Zuid-Wales, het huidige Australië. Ook daar zorgden de beesten voor de eerste succesvolle wolbedrijven. Zo legde Gordon de basis voor de gigantische wolindustrie van Australië — en leverde deze briljante waterdrager van de Verlichting een bijdrage tot wat hij zelf zou hebben gezien als de agrarische en economische vooruitgang van de wereld.

Zuid-Afrika op de kaart: De Atlas Gordon; 456 veelal geaquarelleerde tekeningen van de Kaapkolonie, gemaakt tussen 1777 en 1786 door Robert J. Gordon. 13 april tot en met 14 juli, Rijksmuseum, Amsterdam