Waterman

Walter van der Kooi ziet meer dan hij in zijn papieren kroniek kan of wil bespreken. Deze week: Waterman. Regisseur Geertjan Lassche is in zijn werken niet alleen van de krachtige inhoud maar ook van de prachtige vorm.

© BNNVARA

Ware ik van Farmers Defence Force, ik zou een hartig woordje spreken met boer Sel Brouwer. Waarbij ‘hartig’ softe aanduiding is voor wat ‘men’ op internet, en FDF óók in de publieke ruimte, dezer dagen pleegt te doen. Brouwer verscheen aan het eind van de eerste aflevering van Waterman (BNNVARA) waarin Menno Bentveld ‘onze’ strijd tegen, met en om het water in vier afleveringen minutieus onderzoekt. Zeer aanbevolen. We zijn in Brabant, het is zomer, kurkdroog en overal sproeien gigantische installaties. Menno heeft net met natuurbeschermer Hans van Berlo in een droogvallende beek dode, stervende en nog net aan te redden vissen gezien en begint een praatje met een toekijkende boer. Die verbouwt gras, maïs en aardappels. Hoe dat nou toch moet met die droogte en al dat industriële sproeien? Brouwer, de rust zelve en ironisch noch cynisch: ‘Vroeger leerden we op school dat de wereld een keer vergaat. Daar leg ik me gewoon bij neer. Het zal wel een keer afgelopen zijn.’ De analyse is die van Greta Thunberg en van alle ‘klimaatgekken’ sinds decennia; de conclusie een andere: niks aan te doen, gewoon doorgaan want er moet brood op de plank. En dan komt, onvermijdelijk, dus de zondvloed. Of de woestijn natuurlijk. Of allebei.

Die publieke erkenning van ernst, onvermijdelijkheid en boerenaandeel moet FDF razend maken, al redt Brouwer zich in hun ogen nog enigszins: ‘Maar ik vind wel dat de laatste jaren vaak de boeren het hebben gedaan’. En inderdaad: ook industrie, consument en milieubeweging vechten om het schaarser wordend vocht (voor één liter bier blijkt vier liter water nodig – even schrikken voor deze liefhebber). Prompt lees ik in de Volkskrant een reportage over oranje akkers door glyfosaat en onenigheid over de schadelijkheid daarvan. Iets anders dan water, maar toch. Zegt boer Peter van Beers (ook Brabant) dat hij de onrust wel begrijpt, maar: ‘Het probleem is dat 17 miljoen mensen in Nederland iets van de landbouw mogen vinden’. Ja, dat zou eigenlijk niet moeten mogen. Terwijl, zegt hij, door woningbouw veel landbouwgrond verloren is gegaan en de bewoners alles vol tegels leggen waardoor geen spatje groen meer overblijft. En dan maar klagen over wat de boer met zijn groen doet. ‘Het is niet eerlijk’, placht Calimero al te zeggen.

In zijn constatering heeft hij gelijk. Wij wonen al decennia in oudbouw en hebben tot ons verdriet de heerlijke tuinen beneden zien veranderen in parkeerplaatsen voor ‘tuinmeubilair’ in de favoriete modekleuren zwart en donkergrijs: verdwenen zijn het gras, veel struiken en bomen, vlinders en andere insecten, zangvogels (op duiven en halsbandparkieten na), vleermuizen, jagende zwaluwen. Maar zijn redenering ligt op schoolpleinniveau: ‘Zij doen het ook fout, meester,’ Met als verhoopte conclusie: ‘Je hebt gelijk, jongen, ga jij maar lekker door met spuiten.’ Collega Brouwers conclusie is explicieter. Die zegt letterlijk: ‘Wij boeren hebben ook liever regen – scheelt geld en moeite. Alleen, dat watertekort moet de jongere generatie maar zien op te lossen. Mijn tijd zal het wel duren.’ Na hem de zondvloed dus. De meeste, voortreffelijke gesprekspartners van Bentveld zullen door de productie zijn aangedragen, maar Sel Brouwer lijkt me een toevallige vangst: diens land grenst aan de droge beek en daarom staat hij daar. Het geluk van de goede maker: die treft zomaar iemand die gewoon toegeeft dat de Openbaringen van Johannes inmiddels uitkomen en dat hij daar zijn deel in heeft. En als de ontmoeting geen toeval was, is het alleen nog maar knapper.

De VARA is trouwens toch goed bezig met De boerenrepubliek en Waterman die elkaar regelmatig raken; en met Scheefgroei in de polder van Jeroen Pauw en Sander Heijne. Dat laatste tweeluik kon ik helaas niet vooruit zien; van Waterman (vorige week zondag begonnen) zag ik wel al de tweede, met Zeeland, preciezer Schouwen-Duiveland, als locatie. Het is de provincie waar ouderen het niet, zoals elders, over ‘voor of na de oorlog’ hebben, maar over ‘voor of na de watersnood’. Gans het land was destijds diep betrokken (Jules de Corte zong wekelijks ter fondsenwerving op de radio: ‘Het leeft in alle oorden, van Dokkum tot Maastricht, van hier tot Hindeloopen: beurzen open, dijken dicht’) maar het is wezenlijk anders als je tot de direct getroffen gemeenschap behoort en een collectief trauma draagt. Zeespiegelstijging zal van Dokkum tot Maastricht in Zeeland verreweg het minst als ‘ver-van-mijn-bed’ worden gevoeld. Deels is de problematiek gelijk gebleven: een mogelijke gewelddadige aanval van zee op land als in 1953. Daartegen is voorlopig nog redelijke bescherming opgebouwd. Maar er komt een sluipende aanval bij: hoger wordend zout water kruipt onder dijken en duinen door het land in. Wat bij toenemende droogte beregenen problematisch maakt. Dat betekent dat de boer die op een zoetwaterbel zit mazzel heeft en op kan pompen, maar dat anderen toch op regen moeten wachten of zoet water met tankwagens moeten laten aanvoeren, opgezogen uit een zoetwatermeer achter de dijk. Zoals fruitteler Senny Capelle noodgedwongen doet. Zijn appels hebben toch al last van zonnebrand (je ziet huidkankervlekken op de schil) en met 330.000 liter, 5 à 6 liter per boom, kan hij één dag verder zonder dat de appels ook nog uitdrogen. Is dat vol te houden? Eigenlijk niet, zegt hij zelf, want extreme droogte wordt van incident tot bijna-regel. Wat leidt tot de vraag of het gevecht tegen de gevolgen van verzilting van bodem en grondwater eigenlijk niet moet worden opgegeven en de veranderde omstandigheden gebruikt moeten voor nieuwe bronnen van inkomsten.

Bentveld laat er eentje zien: het oogsten van zeewier, de gezaagde zee-eik, die verbluffend lijkt op eikenbladsla. In Nederland nog een kleine business, die vooral levert aan restaurants; in Denemarken een heuse tak van ‘zeebouw’, een industrie haast. In de Westerschelde is het economisch niet haalbaar, voor de kust wel. Maar ook op land worden pogingen gedaan tot ‘zoute landbouw’: gewassen die het redden op zilte grond en van zichzelf dus ‘natuurlijk’ zouter zijn. Interessant, maar Bentveld lijkt me zijn kaart enigszins te overspelen als hij aan een boerenzoon vraagt of dat niet de toekomst voor Zeeland is, nu vader en hij worstelen met gebrek aan zoet water uit lucht of grond. Zoon ziet hoe de buurman, pionierend, het op een halve hectare probeert en hoe moeizaam dat gaat. Dus nee. ‘Worden jullie niet somber?’ ‘Somber? Dat moet je als boer niet hebben’, zegt pa en ze ploegen zwijgend doch bekommerd voort. Hopend dat het er van zal komen dat permanente leidingen van Oost naar West zoet water zullen aanvoeren.

Er zitten kleine uitstapjes in: het werk van de kustwacht (de kapitein wil in zee verstrooid met een krat bier er achteraan); de reddingsbrigade ziet de onderschatting bij badgasten van ‘onze’ zee, zoveel gevaarlijker dan de Middellandse. Maar wat er ook in zit is een minicollege over de kringloop van het zeewater, dat verdampt en zoet weer uit de wolken valt om langs rivier en beek opnieuw in het zout uit te stromen. Het is glashelder verteld en fraai in animaties verbeeld. Zoals de serie überhaupt vaak mooi is om te zien: regisseur Geertjan Lassche is in zijn werken altijd niet alleen van de krachtige inhoud maar ook van de prachtige vorm.

Waterman laat zien dat en hoe zoet water vroeger niet snel genoeg afgevoerd kon worden en wie daar belang bij had. En dat het nu zoveel mogelijk vastgehouden moet worden: om de Brabantse beken te behouden moet Maaswater via een ingenieus stelsel tot wel acht meter omhoog gepompt worden – en dan nog zijn er periodes dat beken bewust afgesloten worden om genoeg over te houden voor boeren en fabrieken. Zoals die beek met de dode vissen. Natuurbeschermers vloeken. En algemeen geldt: als de een zijn zin (en water) krijgt, rouwt de ander. ‘Ieder vecht om dezelfde druppel.’ Houtje-touwtje-oplossingen of structurele, is de vraag. Maar dat laatste kost kapitalen en treft onvermijdelijk een of meer van betrokken partijen. Bentveld doet het goed, en laat alle partijen aan bod komen, zonder neutraal te zijn: hoe zou het ook kunnen? Natuurlijk jubelt hij wanneer kaarsrecht getrokken stromend water van een soort kanaal tot bochtrijk wordt gemaakt: hermeanderen heet dat. Tot vreugd van flora en fauna ook. En mooi dat het is! Ach, kijk zelf. Uitgesteld naar Brabant. En/of komende zondagen naar Zeeland (18/4), Amsterdam (25/4) en de Weerribben (2/5). Toch nog maar een cijfer: voor 1 kilo rundvlees is 15.000 liter water nodig. Ik zie meerdere structurele oplossingen. Maar ja, dat telt niet, want ik ben vegetariër.


Geertjan Lassche (regie), Menno Bentveld (presentatie), Waterman, vier delen, BNNVARA, zondags, NPO 2, 20.25 uur